Het is al lang geleden, dat wij eens met elkaar gepraat hebben en dat komt hoofdzakelijk, omdat zooveel andere zaken Uwe belangstelling vroegen. Toch schijnt het noodig te zijn om zoo nu en dan ook deze rubriek weer eens op te nemen, vooral, omdat het nu in de bijenteelt niet naar den vleeze gaat. Dit hebben we trouwens gemeen met tal van andere bedrijven en vooral met die welke zoo nauw aan de bijenteelt verwant zijn, nl. de land- en tuinbouw.

Vooreerst ontvang ik verscheidene brieven, die klagen over honigafzet, honigprijzen e.d. en er niet over te spreken zijn, dat Regeeringsmaatregelen t. o. van de bijenteelt maar uitblijven.
Op een andere plaats drukken wij een schrijven van den Minister van economische zaken af, waaruit ons duidelijk wordt hoe deze Minister over de bijenteelt denkt.
In het kort komt het hierop neer, dat de bijenteelt maar een bijbedrijf is en derhalve geen steun noodig heeft.

De tijden zijn anders, anders dan b.v. in de oorlogsjaren, toen al heel spoedig onze honig in distributie werd gebracht. Toen was ook de bijenteelt bijbedrijf, doch een bijbedrijf, dat meetelde, want er was gebrek aan olie en er moest koolzaad verbouwd worden en die kon het best gedijen, als er maar veel bijen gehouden werden. Ook de koekfabrieken, welke ons thans kunnen missen — omdat er zooveel buitenlandschen honig wordt ingevoerd tegen belachelijk lage prijzen — moesten toen een handje worden geholpen. Onze honig moest daar naar toe en de prijzen werden van Regeeringswege vastgesteld. Het is wel nuttig dit nog eens in onze herinnering terug te roepen. Thans is er van alles volop. Wat wij niet leveren, levert het buitenland graag en een bedrijf, dat niet meer zoo noodzakelijk geacht wordt, is niet meer in tel. We willen geen booze woorden gebruiken, doch het is wel een sterk sprekend staaltje, dat zij, die thans zeggen, dat een verhooging van prijs van honig voor de koekfabrieken (de koekfabrikanten nl.) niet te aanvaarden is, er als de kippen bij waren om onze honig te naasten, toen het buitenland hen in de steek liet. Men herinnert zich eigen landgenooten eerst dan, als het eigen belang dit medebrengt.

Zoo is het met onze bijenteelt droevig gesteld. Nóg zie ik de mistroostige gezichten op de Veenendaalsche bijenmarkt, nagenoeg geen handel, bij afbraakprijzen.
Maar onze imkers — we hebben dit al zoo vaak kunnen constateeren — leggen het bijltje niet zoo gauw er bij neer en laten zich door enkele onfortuinlijke jaren niet zoo spoedig neerslaan. Zij zijn van het oude taaie ras, waarvan men wel eens zegt, dat je ze driemaal moet doodslaan voor je ze kwijt bent.

Nu, zoo erg is het gelukkig nog niet, kwijt wil men ons nog niet, integendeel, want dan zou het er met de fruit- en zaadteelt al heel treurig gaan uitzien en de imkers zijn goede vaderlanders met liefde voor de natuur en voor hun eigen mooie landje, óók al vinden zij in hun bedrijf niet die waardeering, welke zij zoo gaarne wenschten en die voor het op peil houden van de bijenstal stellig wel noodig is.
Laten wij ons derhalve niet laten ontmoedigen; het bijenleven zelf is daar om ons de teleurstellingen, zoo niet te doen vergeten, dan toch te boven te komen en in de stilte van de bijenstand vergeten we dat wat niet goed is op deze wereld.

JOH.A. JOUSTRA.