EEN WAARNEEMKASTJE.

Sedert een jaar of vijf heb ik bijen (mijn vrouw beweert dat de bijen mij hebben!) Een liefhebberij waaraan je op verschillende wijzen je hart kunt ophalen. Ik ben amateur-imker en heb 4 kasten en een ouderwetsche korf. Een collega noemde die de poësie van het bijenhouden: de dichterlijke korf tegen de zakelijke kasten.

Imkeren doe ik graag en dat komt bij onze liefhebberij goed van pas. Graag had ik een waarneemkastje, maar deze zijn in den handel nogal gepeperd. Op tentoonstellingen had ik mijn oogen eens goed de kost gegeven en maakte mij tenslotte een glazen kastje. Ik houd mijn bijen in een stalletje, zoodat ik het glas niet behoefde te bedekken. Het kon dus een heel eenvoudig kastje zijn: een bodemplank, waarop de voor- en achterwand, waarin groeven voor dubbele ruiten aan weerszijden, voor bovenafsluiting een eenvoudig deksel. Ik had de maat zoo genomen, dat er 2 simplexbroedkamerramen in konden hangen. In den bodemplank een gat, waaronder een ondiep deksel van een biscuitblikje, zoodat ik gemakkelijk van buitenaf kan voeren. Na liet een helder kleurtje gegeven te hebben, was het tehuis klaar. Nu moesten de bewoners gevonden worden. Ik had dat jaar slechts 3 volken en kon hiervan niets afnemen voor mijn kastje.

Een kennis uit Limburg verschafte mij een kleine zwerm Italiaansche bijen. Ik stortte deze 's avonds in de kast, hing een paar raampjes met kunstraat erbij en den volgenden dag was er geen bij te zien. Ik had geen enkele Italiaansche meer op stal. Misschien heb ik een leelijk woord gezegd, maar het hielp niets, ik moest opnieuw beginnen.

Na eenige dagen was een kast zwermrijp. Hieruit haalde ik het raam met de moer en plaatste dit in mijn glazenkastje. Ik had er weer bijen in. Uit de aard der zaak werd het een zwak volk, na het afvliegen van de vliegbijen, maar er bleef leven in de brouwerij. Op een kwaden morgen, het zwermpje zal er een dag of 7 ingezeten hebben, stond ik voor mijn kasten, toen uit het volk naast mijn glazen kastje een bij een doode zuster wegsleepte. Ik schrok, want het was een moer. (Als je pas imkert is het verlies van een moer een zwaar verlies).

Door de beschadigde vleugels kon ik zien, dat dit de moer uit het glazen kastje was. Hoe deze in de naburige kast was gekomen bleef mij een raadsel, het was niet haar oorspronkelijke woning. Het kleine volkje in de glazen kast deed zijn plicht en weldra zaten er een zestal redcellen op een raat, waarvoor de bijen een stuk hiervan hadden afgebeten. Op een mooien zomeravond liep de jonge moer over de raten, en ik, onervaren imker als ik was, vreezende dat zij met haar gevolg zou uittrekken, haastte mij, de rest der doppen weg te snijden, inplaats van de uitgeloopen moer bij haar verdere gedragingen gade te slaan. Ik was niet gelukkig, na eenige dagen was het volk weer zonder moer. Was zij op de bruiloftsvlucht verongelukt?

Een kennis hielp mij toen aan een bevruchte moer en het gelukte mij deze aan het volk te geven.
Wat een plezier heb ik verder van dit kastje gehad. Door de tegenslagen was het volkje wel klein gebleven en de tijd verstreken, maar ik heb menig uurtje voor de glazen gestaan en met belangstelling verschillende dingen gevolgd. Hoe vaak kwamen er niet kennissen, die mijn liefhebberij feitelijk gekkenwerk vonden, maar die in bewondering voor het kastje stonden. Dat jaar waren er nogal eens radiolezingen over de bijen en men wilde dan graag de koningin zien: wat was de baas dan trotsch, als hij kon zeggen, misschien treffen jullie het dat het Hare Majesteit behaagt een eitje voor jullie te leggen en de moer dan, na eenig heen en weer loopen, haar achterlijf in een celletje neerliet en na eenige seconden haar weg vervolgde.

Wat een aardig gezicht het uitkomen van de jonge bijtjes. De oudere bijen ontzagen deze boorlingskes niet erg en liepen wreed over hun kopjes, wanneer zij deze uit de cel gewurmd hadden. Wat een teere wezentjes, wanneer zij zich eindelijk geheel bevrijd hadden, de vleugels nog om het licht gekleurde achterlijf, wankelend en poetsend zich voortbewegend.

De bijen zaten zoo rustig in het glazen kastje, dat, wanneer het onder het af dakje te donker werd en ik het kastje mee naar buiten nam, de bijen en de moer rustig met haar werkzaamheden doorgingen.
In het najaar heb ik het volkje in een andere kast overgezet.

Het tweede jaar was ik wat handiger, maar toch nam de eerste zwerm met weer een Italiaansche moer de beenen, maar gelukkig kon ik deze nog achterhalen. Met een blikje verkleinde ik nu het vlieggat, zoodat de opening gelijk werd aan die van het moerrooster. Dit volkje bestond uit gewone bijen met een Italiaansche moer en interessant was het, de tijden, welke in de bijenlectuur zijn aangegeven na te gaan. Het uitloopen van het broed, het uitvliegen hiervan en het uitsterven van de gewone bijen alles kwam overeen met de leerboeken. Het laatste seizoen heb ik het kastje weer in vol bedrijf gehad. Ik had het ingericht voor 3 honing-kamerramen. l Juni hing ik er twee dicht bezette raampjes in met een bevruchte moer. Dit jaar had ik geen deserteurs. Door opvolgend slecht weer verminderde dit volk hard en weldra was slechts één raampje meer bezet.

Door regelmatig voeren mocht ik weldra het genoegen smaken het te zien groeien en nam het na een week of vijf de tweede uitgebouwde raat in bedrijf, eerst voor het opbergen van de suiker en honing, maar eindelijk waagde ook de moer zich in de hoogere regionen. Het liep tegen het einde van Augustus toen de bijen aan het onderste raampje begonnen te werken. Dit bestond uit een smalle reep kunstraat. Eigenaardig, ze bouwden deze reep eerst geheel uit en begonnen toen pas aan de achterzijde met een punt naar beneden te bouwen.

Begin Augustus bemerkte ik, dat het uitloopend broed op de raat, die vanaf l Juni in gebruik was slechts met groote moeite en met hulp van de oudere bijen uit de cellen konden komen, ze hadden alle beschadigde vleugels. Jawel, dewas-mot zat in groote getale in deze raat en weldra lagen er een dozijn nette rupsen op den bodem. De bijen beten een heel stuk raat af en bouwden dit toen netjes weer dicht.

Na hetgeen ik gelezen had over het niet voorkomen van wasmot in glazen kasten, viel mij dat zeer op, daar ik in geen van de andere kasten zooveel en zulke dikke rupsen gezien had.

Interessant was ook de stuifmeeldans. Nimmer gingen de bijen verkeerd, steeds werd een 8 gevormd. Handig ging het afschuiven van de pollen stuifmeel in de daarvoor bestemde cellen. Het voorwas werd in groote hoeveelheid aangevoerd en de ruiten in de voegen zoo vastgekit, dat ik ze met een lang me<* moest los snijden. De glazen wanden werden haast niet besmeerd, alleen werd hier en daar de raat tegen het glas aangebouwd.

Het viel mij eens op, dat de moer bij het eierleggen één keer, niet zooals zij steeds deed, na het leggen van een eitje, een volgende ledige cel opzoekt, maar direct na het ophalen haar achterlijf in een naastbijgelegen cel neerzet, alsof zij tijdens het leggen van het eerste eitje al naar de volgende beschikbare cel had uitgekeken.
Het wil mij voorkomen, dat de bijen in het glazen kastje de cellen eerder verzegelen dan in de gewone kasten, of zou de gevoerde suiker eerder rijp zijn dan de honing?

Twee jonge imkers, die mijn glazen kastje gezien hadden maakten dit na, maar het eerste jaar hebben ze het nog niet bewoond gehad. Een glazen kastje is werkelijk een genot en ik kan een ieder aanraden er één aan te schaffen. De bijen moeten wel haast doorloopend gevoerd worden maar dit voeren geeft ook al genot. Het is net als met kippen wanneer die de verzorgster met het voedsel zien aankomen dan komen ze van alle kanten hard toeloopen zoo ook mijn bijen; wanneer ik het voerbakje van buiten vul met koude suikerstroop, dan duurt het geen halve minuut of de bijen komen in drommen naar beneden, het wordt een druk geloop. Hangen de raten niet tot op den bodem dan worden kettingen gevormd om maar spoedig beneden te zijn. Maak ik dezelfde bewegingen, zonder suiker in het bakje te doen, dan komt er een bij naar beneden.

Daar het bevolken me nog al eens parten gespeeld heeft, heb ik mijn ervaringen hiermede neergeschreven, vermoedelijk kan een ander er zijn voordeel mee doen.
Hvs. JE KAVÉ.