PRACTISCHE ERVARINGEN.

Het is mij onbekend of hetgeen ik U hier zal schrijven n'et reeds lang bekend is, doch voor mij is het sinds verleden jaar iets nieuws, dat ook nu weer goed voldoet. Bij onze bijenstal vliegen steeds veel wespen die trachten binnen te dringen en zich te goed te doen aan suiker, honing en bijen. Heel veel van deze roovers laten zich vangen door de flesch van een Thüringer ballon te nemen, deze voor ± ¹/³ met suikerwater te vullen en zonder bakje open neer te zetten. Vele wespen, en ook vliegen, zullen naar beneden kruipen en verdrinken; bijen vindt men er nagenoeg nooit in. Op deze wijze vingen wij verleden jaar voor het eerst en nu weer vele wespen bij onzen stand.
Hoogachtend,
A. VEDDER.
B. Naschrift Redactie :

Deze wijze van wespen vangen is bekend. Nochtans plaatsen wij dit advies, voor hen, die niet van die wespenplaag kunnen afkomen.
RED.

Schijnkolonie?
Een mijner beste volken zwermde met oude koningin. Niets bizonders zult U zeggen. Zeer terecht! De koningin was geknipt en bijgevolg vloog het volk weer op de kast terug. Na een paar dagen kwam de jonge koninginnezwerm af.
Door het slechte weer was de oude eenige dagen langer blijven zitten dan gewoonlijk.
Ook weer niets bizonders!
Als steeds werden alle koninginnecellen afgebroken, waarbij verschillende onder de hand uitliepen.

De opgevangen zwerm ben ik steeds gewoon cp een plank vóór de kast te slaan en zoo in de kast te laten trekken. Een genoegen wat ik me niet gaarne ontzeg! De eerste 20 dagen laat ik zoo'n volk met rust, tot dat alle broed is uitgeloopen. En nu komt het belangrijke: Ik sta links voor de kast. Raampje voor raampje wordt nagezien op eieren. Niets nog te zien! Wat is dat op de middelste raat? Moercellen! en nog wel van die lange met een slijmerige massa er in zooals men die in moerlooze of darrenbroedige volken aantreft. Zoude het volk moerloos zijn? Mijn inspectietocht gaat verder. Het volk toont zich overigens normaal. Flink honig en stuifmeel halende. Ik kom aan de buitenste, dus de tiende raat van mij af, meen eieren te zien.

Hoe kan een verstandig volk daar een broednest beginnen te vormen denk ik, en ga op zoek naar de koningin, welke ik niet kan vinden, 't Was inmiddels wat donker geworden en ik maak de kast weer dicht. Na eenige dagen herhaalt zich de inspectie met hetzelfde resultaat. Weer van die lange moercellen aangezet, en ja hoor, op de laatste raat, tusschen jonge bijen en intusschen een grooter geworden veld met eitjes: de jonge koningin, en nog wel een prachtexemplaar. Het raampje met al zijn aanhang, werd nu midden in de kast gezet en na acht dagen weer een inspectie, welke uitwees dat het volk normaal was, geen moercellen meer aangezet had en op drie ramen eieren waren.

Ik verklaar mij de zaak zoo: bij het inloopen van de jonge zwerm is de moer, welke hier bij behoorde, door het kastvolk niet vriendelijk ontvangen en naar de uiterste raat gevlucht. Hier werd ze met rust gelaten en van daaruit heeft ze haar paringsvlucht ondernomen. Bij terugkomst hiervan zocht ze weer haar oude plekje op de uiterste raat op, en installeerde zich daar. Het kastvolk heeft of van stonde af aan geen moergehad, óf is deze op de paringsvlucht verloren gegaan; in elk geval verklaar ik het zoo, dat zich ieder volk afzonderlijk heeft gevoeld. Schijn-kolonies dus? Wie het beter weet kome eens uit den hoek!

Haalt een bij stuifmeel en honig tegelijk?
Ik had dezen zomer een volk in een groote glazen stolp. Het schijnt dat volken welke geheel en al aan het daglicht zijn blootgesteld meer voedsel gebruiken dan in een kast. Dezelfde ondervinding hebben we, in den loop der jaren, ook opgedaan met de Dr. Minderhoud-kasten op de hoogere onderwijsscholen in Den Haag. Ik moest dit volk dus geregeld voeren, wat ik door een eenvoudig zelfgemaakt toestelletje ook overdag kan doen. Nu zag ik geregeld dat bijen, met dikke klompen stuifmeel in hun korfje, geregeld bij het voederbakje hun buikje gingen vullen om dit „én passant" mee naar boven naar hun broednest te nemen. In de meeste bijenboeken vindt men dat de bijen niet gelijktijdig stuifmeel en nectar halen.

De Cancrinuskast.
Van deze kasten heb ik er van af hun geboorte drie stuks in gebruik. Deze kast is ontstaan uit een prijsvraag op initiatief van Dr. Minderhoud om een gpedkoope en bruikbare kast te krijgen, om zoodoende de losse bouw bij onze landimkers, men kan ze ook petjesimkers noemen, meer ingang te doen vinden. Een lofwaardig streven voorwaar! Met G. v. d. Brink en Dr. Minderhoud was ik destijds keurmeester en kreeg bovengenoemde kast den eersten prijs. Waarom ik er nu op terug kom? Na verscheidene jaren van onderbreking ben ik dezen zomer, met twee collega's met de bijen weer naar de heide geweest. En hierbij is mij gebleken dat de Cancrinuskast veel voordeelen heeft bij mijn andere V.S. kasten, welke mij overigens ook best bevallen. Doch de Cancrinus wint het in het vlugge reisklaar maken en gemakkelijker transport. Ik kan ze dan ook een ieder aanbevelen; alleen behooren ze in het gure jaargetijde, b,v. van l Nov. tot l Mei, onder dak te staan. Staan ze onafgedekt buiten, gedurende den winter, dan heeft men bij de voorjaarsinspectie veel verschimmelde raten.
R. S. F.