OFFICIËELE MEDEDEELINGEN.

Kort verslag van de Hoofdbestuursvergadering van 14 November 1934 te Utrecht
Aanwezig alle leden benevens de Rijksbijenteeltconsulenten.

De Voorzitter opent op de gebruikelijke wijze de verg. en heet in het bizonder de herkozen leden Ebbinge Wubben en v/d Brink welkom en dhr. ter Brugge als nieuwgekozen lid van het H.B. De notulen worden goedgekeurd. Besloten wordt op verzoek van den huurder van het huis huurverlaging toe te staan en enkele kleine verbeteringen aan het huis aan te brengen; kosten plm. f230.—. De extra suikerlevering bracht enkele moeielijkheden mede als gevolg van de groote spoed, die betracht werd. Besloten wordt maatregelen te nemen, dat dit in de toekomst ondervangen wordt. Besloten wordt tevens, dat de Imkersdag in 1935 te Leeuwarden zal worden gehouden.

Aan de orde komt het voorstel Versteeg tot betere outillage zeemerij Bijenhuis.
Dhr. Versteeg vindt de pers in Wageningen verouderd en zou nieuwe machine willen aanschaffen om daardoor het korfproduct een betere bewerking te geven.
Ook zou de zeemerij een loonzemerij kunnen worden. Spreker wenscht den Directeur geheel de vrije hand te geven en hem ook buitenlandschen honig te laten leveren.
Dhr. Ebbinge Wubben meent, dat dhr. Versteeg geen nieuwe gezichtspunten geeft.
Spreker vraagt of onze honig niet te duur is.
Indien de bijenteelt niet meer loonend zal blijven door de opbrengst van honig en was, zal zij toch blijven om het groot indirecte nut en onmisbaarheid bij de bestuiving.
Dhr. Thiel zegt, dat er afzetgebied moet zijn om plannen te verwezenlijken.
Dhr. v/d Berg is van meening, dat de Regeering dient in te grijpen.
Zoo óók dhr. Schaafsma, die vindt, dat, zoolang de prijzen van de Buitenlandsche honig zóó laag zijn, we niets met een betere zeemei ij kunnen beginnen.

Medegedeeld wordt, de energieke pogingen van dhr. Stienstra te Leeuwarden inzake het afzetten van groote kwantums Ned. Honig, welke echter schipbreuk leden op het buitenl. product, waarvoor de armslag veel wijder is. Dhr. v/d Brink zegt, dat het werk in 1934 den imker niet betaald werd. De Voorz. heeft groote waardeering voor de voortvarendheid van dhr. Versteeg, doch spreker is van meening, dat er grooter afzetgebied moet zijn om iets te beginnen. Spreker zou voor een organisatie zijn van belanghebbende imkers. Het plan Versteeg kan momenteel niet uitgevoerd worden en het leveren van buitenl. honig zou in strijd zijn met het doel van onze Vereeniging,

Het D. B. wordt vervolgens opgedragen waar noodig het Huish. Regl. te herzien en met voorstellen te komen.

Besloten wordt, dat aan afdeelingen, die dit wenschen, voor hunne jeugdleden (tot 17 jaar) het Maandschr. te verstrekken tegen verminderde prijs.
Het punt Film en tentoonstelling Amsterdam wordt aangehouden tot de volgende vergadering.
Informaties zijn ingewonnen tot zekerheidsstelling van de rekenplichtige ambtenaren.
Voor beide ambtenaren zou dit per jaar op plm. f600.— komen, hetgeen het H. B. te duur vindt en gezien de betrouwbaarheid van de beide functionarissen, zonde v. h. geld. Aan de A. V. zal de beslissing gelaten worden.

De comm. bijenweide wordt aangevuld met dhr. ter Brugge. Langdurige besprekingen hebben plaats over een organisatie van belanghebbende imkers bij de honigafzet. Besloten wordt een aantal groot-imkers ter bespreking van de mogelijkheid tot oprichten van zoo'n Handelsvereniging met het H. B. uit te noodigen.
Niets meer aan de orde zijnde sluit de Voorz. de vergadering.
De Secr., JOH. A. JOUSTRA.

De Minister van Economische Zaken vindt verdere steun aan de bijenteelt niet verantwoord en onnoodig. Hierbij het antwoord van den Minister van Ec. Zaken aan de drie groote Landbouworganisaties, die ons verzoek om steun voor de bijenteelt hadden overgenomen; het spreekt voorzichzelf.
RED.

Afschrift. Ministerie van Economische Zaken.
Bericht op schrijven van 22 September 1934 Nr. 1820/'34 betreffende steun voor
de bijenhouder ij. Nr. 22108 af d. Landbouw-crisis Aangelegenheden.
's Gravenhage, 12 November 1934. Aan de drie centrale landbouworganisaties, p/a den Weledelgestrengen Heer Mr. H. van Haastert te 's Gravenhage.

In antwoord op nevenvermeld schrijven heb ik de eer U mede te deelen, dat ik op de verzoeken van de Bijenhoudersorganisaties om maatregelen te nemen tot bescherming van de Bijenteelt na ampele overweging afwijzend heb beschikt.
Ik moge U ter motiveering van deze beslissing er allereerst op wijzen, dat
steunverleening aan de bijenteelt, welke hoofdzakelijk consumptiehoning produceert, dit product voor den consument duurder zou maken en bovendien leiden tot verhooging van den prijs van den industriehoning, welke verhooging voor de honing verwerkende industrieën, koekfabrieken e. d. ernstige bezwaren zou opleveren.

De bijenteelt wordt bovendien reeds niet onaanzienlijk gesteund, door dat een invoerrecht wordt geheven van f 5.— per 100 K.G. honing. Het honing-contrôle-station wordt door een Rijkssubsidie gesteund en ook de kosten van de Rijks-bijenteeltconsulenten en van de voorlichtings- en opleidingscursussen komen voor rekening van het Rijk. Voor suiker, die als bijvoedering der bijen noodig is wordt den imkers vrijstelling van accijns verleend.
Dat hiermee aanzienlijke bedragen gemoeid zijn moge U blijken uit het feit, dat uit dezen hoofde in 1933 bijna 1000 ton suiker vrijstelling van accijns werd verleend. Een belangrijk bezwaar tegen steunverleening aan de bijenteelt is, dat deze nooit als hoofdbedrijf, doch vrijwel steeds als nevenbedrijf wordt uitgeoefend. Het hoofdbedrijf der bijenhouders wordt als regel reeds gesteund door maatregelen in het belang van landbouw, zuivel en veeteelt genomen.

Voorts moet worden opgemerkt, dat het Nederlandsche klimaat een groote uitbreiding en ontwikkeling van de bijenteelt in de weg staat. De haaltijd van de bijen, waarin zij voor hun winterverbruik honing verzamelen, is in ons klimaat te kort, de weersgesteldheden zijn te wisselvallig en de noodige weidevelden voor de bijen ontbreken. In deze factoren zal een steunverleening als door U bedoeld geen verandering kunnen brengen terwijl het in verband met deze factoren zeer de vraag is, of een dergelijke steunverleening het gewenschte effect zal sorteeren.

Ten slotte moge ik er nog eens de aandacht op vestigen, dat de bijenteelt, gelijk ook in bovengenoemd schrijven wordt erkend, voor een groot gedeelte uit liefhebberij wordt beoefend. Aangezien de steun aan den landbouw bekostigd wordt uit heffingen, welke zwaar op de bevolking drukken, acht ik het niet verantwoord de uit die heffingen verkregen bedragen mede te bestemmen voor steun aan een zoodanig bedrijf.
Op grond van het bovenstaande bestaat er voor mij geen aanleiding op mijn eenmaal genomen beslissing terug te komen.

De Minister van Economische Zaken Voor den Minister de Sectetaris-Generaal,
w.g. A. A.VAN RHIJN.