Wenken voor de beginnende kastimker.

Zoals ik in de Wenken voor Januari reeds schreef houdt de eigenlijke winterrust einde Januari of begin Februari op. We krijgen dan, meestal om de middag wanneer de temperatuur boven 8° C. gestegen is, de zo genaamde grote reinigingsvlucht. De bijen verlaten hun woning om zich te ontdoen van de onverteerbare stoffen, die zich gedurende de winter in hun einddarm hebben opgehoopt en die we overal in de omgeving van de stand in de vorm van bruine vlekjes op allerlei voorwerpen zullen kunnen vinden.

Het is van belang, dat de imker zich gedurende de reinigingsvlucht bij de bijen bevindt, daar we uit hun gedrag dikwijls verschillende conclusies kunnen trekken betreffende de toestand,waarin het volk verkeert. Vertonen zich bij een of meer volken geen bijen aan het vlieggat dan is het raadzaam te controleren of dit vlieggat wel open is en eventueel met een omgebogen ijzerdraad aan de binnenzijde liggende dode bijen verwijderen. Soms ook schijnt een enkel volk niet te bemerken, dat de gelegenheid voor een reinigingsvlucht er is en kan een zacht kloppen tegen de kastwand hen uit de winterrust wekken.

Daar de bijen bovendien bij de reinigingsvlucht dikwijls ook zelf reeds dode bijen en ongerechtigheden van de bodemplank door het vlieggat verwijderen, kunnen we ook hieruit gevolgtrekkingen maken. Soms b.v. vinden we reeds een larfje of een nimf (pop), die om de een of andere reden uit een cel werd verwijderd. Dit bewijst ons dan, dat de koningin reeds met het eierleggen begonnen is, hetgeen meestal eind Januari geschiedt. Bij de verwijderde dode bijen hebben we na te zien of zich hierbij niet ongelukkigerwijze de moer bevindt, in welk geval het volk natuurlijk moerloos zou zijn.

Ook het gedrag van de bijen na de reinigingsvlucht kan ons aanwijzingen geven. Normalerwijze duurt de reinigingsvlucht 1 a 1½ uur. Volken, die dan nadat de anderen reeds tot rust zijn gekomen, nog vliegen of waar nog bijen als het ware zoekend en onrustig op de vliegplank rondlopen, moeten we van moerloosheid verdenken en we hebben extra te noteren om ze te gelegener tijd op moerechtheid na te zien. In vele jaren komt het voor, dat we geen specifieke reinigingsvlucht hebben, doch dat de bijen in Januari en Februari op meerdere dagen kleine uitvluchten kunnen maken. Meestal kunnen we in deze maand constateren, of er veel of weinig dodenval onder de volken is, of met behulp van de voerlade in de bodem of wel aan hetgeen door het vlieggat verwijderd wordt.

Lijkt U de hoeveelheid dode bijen abnormaal groot of hebt ge een of meer dode volken, zonder dat ge hiervoor een reden kunt vinden (dus b.v. geen hongerdood, daar nog voldoende voer aanwezig is), zendt dan een monster (een dertigtal) van deze dode bijen in een blikken sigaren- of sigarettendoosje naar Dr. Winkel, Rijks serum inrichting te Rotterdam, die ze gaarne zonder onkosten op ziekte voor U zal onderzoeken. We hebben in ons land gelukkig weinig last van bijenziekten, vooral in vergelijking met de ons omringende landen.

Laten de imkers daarom ernstig medewerken aan het opsporen van enkele ziektegevallen, om te trachten deze gunstige toestand te behouden. Voorkomen is beter dan genezen! Ook in gevallen waar in hevige mate roer optreedt is het aan te bevelen Dr. Winkel hiervan bericht te zenden, zoo mogelijk met een monster der bijen en mede te delen op welke wijze de bijen werden ingewinterd (suiker of heidehoning?). In sommige gevallen kunnen namelijk roer en nosema tezamen optreden en elkaar als het ware wederzijds steunen, waardoor de gevolgen voor onze volken des te noodlottiger worden. Meestal begint ongeveer tegelijk met het houden der reinigingsvlucht, de koningin haar eerste eitjes te leggen, en wel op een der middelste ramen aan beide zijden een plekje ter grootte van een rijksdaalder. Bovendien wordt de temperatuur van het centrum, waar zich de eitjes bevinden door de bijen opgevoerd.tot 35° C. (95° F.)

Aanvankelijk staat het eitje loodrecht op de celbodem Langzamerhand echter zakt het vrije uiteinde naar beneden, zodat het op de tweede dag een hoek van ongeveer 45° met de celbodem maakt, terwijl het op de derde dag deze bodem over de gehele lengte aanraakt. In verband hiermede kunnen we uit de stand der eitjes ongeveer hun ouderdom bepalen. Aan het einde van de derde dag komt er een nietig klein larfje uit, dat dadelijk door de bijen van voedsel wordt voorzien. Dit voedsel bestaat aanvankelijk uit een eiwithoudend voedersap dat de bijen in speciale kop- en borstklieren afscheiden. Vooral bij jonge bijen zijn deze klieren sterk ontwikkeld, terwijl ze bij de oudere bijen gaan verschrompelen.

Het is daarom van het grootste belang, dat de imker door drijfvoeren gezorgd heeft, dat er in het najaar na de heidedracht zoveel mogelijk jonge bijen geboren werden; deze zijn nu als voedsterbijen van veel meer waarde dan de oude bijen, die ook reeds als haalbijen op de heide dienst gedaan hebben. Naarmate de larven ouder worden, wordt het voedersap gemengd met honig en stuifmeel. Ongeveer zes dagen nadat ze uit het eitje gekomen zijn, zijn ze als larf volwassen. De bijen sluiten nu de cel met een poreus wasdekseltje af terwijl de larf zelf de binnenzijde van de cel bekleedt met een spinsel. Hierdoor wordt ais het ware een cocon gevormd. In de volgende 12 dagen heeft de verandering van larf tot volkomen insect plaats.

Gedurende deze tijd noemen we haar pop of nimf. Uit de grote hoeveelheid reservevoedsel, die de larf gevormd heeft, ontwikkelen zich poten, sprieten vleugels enz. Als volwassen insect verlaat ze dan, geholpen door de in het volk aanwezige bijen haar cel om reeds dadelijk haar plaats in de bijenhuishouding in te nemen. Haar ontwikkeling heeft dus totaal 3 (ei) +6 (larf) + 12 (pop = 21 dagen geduurd.

De oude bijen maken bij gunstig weer uitvluchten en halen reeds stuifmeel op de vroegbloeiende voorjaarsplanten (hazelaar, sneeuwklokje en soms crocus) Bovendien halen ze water, waarvan ze voor de verzorging van het broed betrekkelijk veel nodig hebben. We kunnen ze hierbij helpen door in de nabijheid van de stand een drinkgelegenheid te maken, bestaande uit een ondiepe bak, waarin we wat strootjes of kiezelsteentjes leggen om verdrinken te voorkomen
EL-