De bevestiging van draad en raat.
Voor hen, die mij om inlichtingen vroegen om dit goed te doen, doch bij hun verzoek vergaten een postzegeltje in te sluiten voor het antwoord, volgen hieronder enige aanwijzingen.
-1. In de zijlatten worden precies in het midden zes gaatjes geboord, zó dat de bovenste gaatjes l en 2 maar 1 ½ cm. van de bovenlat verwijderd zijn en zij ten opzichte van elkaar een afstand hebben van 6 ½ c.m. (Wil men heel secuur zijn, dan neme men deze afstanden 6 ¹/³ cm.)
-2. Op dezelfde hoogte van deze gaatjes slaat men in de diktezijde der zijlatten kleine, fijne nageltjes (z.g.n. tapezierstifte) half in.
-3. Men knipt van de draadrol een eind draad van voldoende lengte voor drie bespanningen (ongeveer 1,70 m.), draait een der einden 3 a 4 maal om het nageltje no. l en slaat dit geheel in het hout.
-4. Het andere einde van de draad wordt gevoerd door de gaatjes l en 2, goed sterk aangetrokken en in aangetrokken toestand gewonden om nageltje no. 2 (één maal er om heen winden is voldoende en zelfs beter dan meerdere malen) en van hier ook dadelijk om nageltje no. 4 (éénmaal om). Terwijl de linkerhand de draad aangetrokken houdt, slaat men deze nagels 2 en 4 geheel in het hout. Nu kan men de draad loslaten en controleert men de spanning van draad 1 - 2, die een tamelijk hoge toon moet doen horen, als men er aan tikt.
-5. Is dit het geval, dan voert men de draad verder door de gaatjes 4 en 3, trekt hem weer goed aan en windt hem eenmaal om nagel no. 3 en eenmaal om nagel no. 5, slaat de nageltjes 3 en 5 geheel in en controleert de spanning van draad 4—3.
-6. Tenslotte voert men de draad door de gaatjes 5 en 6 en windt hem driemaal om nageltje no. 6, dat men daarna inslaat. Wij moeten nog enige kleinigheden opmerken: De trek van draad 5 - 6 kan slechts goed geschieden, als bij 6 een eind draad van voldoende lengte overblijft, weshalve de lengte van 1,70 m. is aangegeven, d.i. een lengte overeenkomende met een draad, gehouden tussen beide uitgestrekte armen van een persoon van normale grootte.
Men moet steeds zó hard trekken, dat de draad een hoge toon laat horen. Hoort men een lage toon, wat kan gebeuren, als men bij het inslaan der nagels de draad voor een ogenblik los gevierd heeft, dan moeten de nageltjes met een zakmesje weer uit het hout gewipt, de draad los gewonden en opnieuw gespannen worden. Reeds vlug leert men hoe hard men trekken moet om alle drie draden ongeveer dezelfde spanning te geven, als men zijn aandacht bepaald houdt aan de trekkracht, die men uitoefent en de toon, die de draad geeft.
Een waardevol hulpmiddel voor het boren van de gaatjes, dat het tijdrovende afmeten en tevens onnauwkeurigheden voorkomt, is de z.g. gaaljesmaat, die men zich maakt van plaatijzer (zink), waarvan de zijkanten rechthoekig worden omgebogen. De raamzijlatten schuiven juist passend in de gaatjesmaat en aangezien deze precies in het midden op de gewenste afstanden voorzien is van gaatjes, heeft men slechts hierdoor de priem te steken om de gaatjes in de zijlatten te krijgen.
De kunstraat wordt op de draden gelegd, zó, dat zij op de onderlat en tegen een der zijlatten rust. De bovenkant van de raat ligt dan juist even voorbij de bovenste draad en is ongeveer l c.m, (of minder) van de bovenlat verwijderd. Deze kleine afstand wordt door de bijen bij het uitbouwen van de kunstraat al dadelijk overbrugd en men krijgt zijn ramen geheel volgebouwd met mooi fijn werk, dat geen kans heeft von uitzakken. Over het niet aansluiten van de kunstraat aan de tweede zijlat make men zich geen bezwaren. Het is zelfs heel nuttig, dat de raat hier een opening heeft, om gelegenheid te geven aan de moer vlug van de ene zijde der raat naar de andere zijde te komen.
Bij het inleggen van de kunstraat op de draden lette men er op, dat de koppen van de nageltjes onder liggen. Daarna keert men het raam om, zodat èn de draden èn de koppen nu boven komen. In deze stand wordt het raam om de smeltplank gelegd. Ik vestig hierop in het bijzonder de aandacht, omdat dit in sommige leerboeken juist verkeerd is aangegeven.
Het wielspoortje en de spiritusvlam hebben bij nét-werkende imkers allang afgedaan. Voor minder geld dan de kosten van deze verouderde, slordige zaken, make men zich zelf een electr. draadwarmer. Een stekker met dubbel snoer, nog een eind snoer, 4 contactstaafjes, een gewoon drinkglas, waarop een triplex dekseltje past, waarin twee gaatjes geboord zijn en men is klaar. Een mespunt keukenzout in het glas water leidt de electr. stroom door het water, maar deze ondervindt daarbij toch nog zoveel weerstand om het doorsmelten van de draden te voorkomen. Men houdt een contactpunt op de kop van nagel no. l, het andere contactpunt op de kop van nagel no. 6, wachl 2 a 3 seconden, totdat men ziet, dat de draden door hun lineaire uitzetting voldoende weggezakt zijn in de kunstraat en verbreekt dan het contact.
Tenslotte kan de kunstraat aan de onderlat gehecht worden met wat gesmolten was, maar nodig is dit niet.
TH. A. M. GOUT.
bewerker:
Zie de waarschuwing voor deze werkwijze van het insmelten van kunstraat
waarschuwing II