PRACTISCHE ERVARINGEN.

Reeds voor de 22ste maal loopt het bijenjaar voor mij weer gaandeweg ten einde, en toch heb ik dit seizoen weer verschillende ervaringen opgedaan, die me interessant genoeg lijken, om er 'n plaatsje voor te vragen in het Groentje. Misschien valt er voor den lezer en voor mij uit het hoor en wederhoor weer iets te leren.

1e. Ondanks het langdurige koude voorjaar had ik van mijn twee volken de zwermen zo vroeg als nooit te voren, nl. 26 en 28 Mei. Ik schrijf dit toe aan het feit, dat ik in de herfst niet de hele suikervoorraad opvoerde, doch elk volk 4 Kilo suiker gaf, met behoud van de honing, die het in de 5 a 6 ramen, waarin broed zat, had. Eind Maart gaf ik ze toen elk nog ± 3 ½ Kilo in grote voorraden tegelijk. Eind April constateerde ik grote broedafzetting. Er ligt voor mij een reden in, deze suikervoedering in 2 keer in de herfst en eind Maart — ook deze winterperiode toe te passen om te zien, hoe dat bevalt. De ieder jaar gepubliceerde berichtjes omtrent het betrekkelijk geringe voedsel-gebruik gedurende de wintermaanden stellen me wel gerust omtrent de proef.

2e. Kast A zwermt 26 Mei. 30 Mei roept een jonge moer. Ik stoot alle ramen af, snijd de doppen weg en wacht rustig enige weken om dan de kast te controleren op aanwezigheid van eitjes. Maar 13 dagen na de zwermerij op 26 Mei zwermt A weer af. Heel lang, als besluiteloos, blijft de zwerm in de lucht en zet zich dan — na ± 20 min. — zeer onrustig. Ik stoot ze af — maar de zwerm loopt de kieps weer uit en gaat terug naar de kast. A zwermt 10 Juni weer, komt niet tot zitten en vliegt weer terug. Ik vroeg me af, of de koningin soms ten bruiloftsvlucht kon zijn en stelde die vraag ook aan den Heer Minderhoud. Deze veronderstelde, dat de koningin niet in de lucht of in de zwerm aanwezig was, doch hij schreef het abnormale zwermen toe aan het onnatuurlijke ingrijpen door het wegsnijden van de moerdoppen.

Hij schreef: "De massa, die na het afnemen der doppen overblijft, is geen eigenlijk volk, maar wat ik wel eens genoemd heb een schijnkolonie, een massa bijen, die zich aan ons als een eenheid voordoen, maar waarin in werkelijkheid verschillende kolonies, meer of minder gemengd, aanwezig zijn. Daarom geef ik er de voorkeur aan in zo'n geval de nazwerm te laten afkomen, de doppen weg te nemen en 's avonds de zwerm terug te geven. In dit geval domineert de nazwerm en komt er geen zwerm meer".

3e. Het volk van A heeft geen goede eigenschappen, waarom ik op 30 Mei een raam met drie doppen van deze kast overbracht in kast B, die 28 Mei afzwermde. Toen me l dag later bleek, dat dit raam met de 3 doppen zonder bezwaar was geaccepteerd, sneed ik de eigen doppen van B alle weg. Ik verwachtte dus een jonge koningin uit een dezer 3 doppen. Tot 8 Juni vergeefs gewacht; gecontroleerd —en wat zag ik? 1 Dop van terzijde opengereten ; l verzegeld met het deksel naar binnen gebogen, dus hol en leeg ; de 3e dop werd door bijen omhuld en bevatte een dode, niet voldragen koningin. Wat kan daar de oorzaak van zijn geweest? Geen aanwezigheid van een moer : ik hing n.l. dadelijk een raam met eitjes in en 3 dagen later waren er vele moerdoppen aangezet. Verder verliep een en ander normaal.

4e. Van de verschillende wijzen, waarop men zwermlust constateert is voor mij de duidelijkste : het gaan zitten op struiken en andere planten in de allernaaste omgeving. Als een tiental bijen dat doen, reken ik op 'n zwerm binnen een paar dagen. Eerlijk gezegd: de velerlei andere herkenningstekenen zijn mij steeds ontgaan.

5e. Op de bodem van een nestkastje, waarin een Koolmees huisde, aldus een bericht in een der laatste groentjes, vond men een 1½ cm dikke laag bijenvleugels. Dus. . . . ! Wacht even. In de nabijheid van mijn bijenstand had ik een kastje met een Koolmezenfamilie. Toen er jongen waren, vloog een der ouden, of beide, geregeld naar de bijenstal, zette zich op de grond en pikte steeds dode bijen weg. Ééns viel hij op een levende bij aan. Met voorzichtigheid en met enige schroom ging het vogeltje tot de aanval over, wipte, a.h.w. bang, enige keren op, won de strijd en ging er met zijn prooi vandoor.

Zijn neef, de pimpelmees, heeft de hele zomer naar geen bijen getaald, ofschoon zijn nest zich onmiddellijk vóór de bijenstand bevond. De Koolmees mag dus met recht de naam iemenmees dragen, doch 't is de vraag, of hij de bijenstand veel schade doet. En van het derde vogelpaar, dat „zich onder mijn hoede had gesteld" en dat ook geenszins in reuke van heiligheid staat bij de ijmkers, de zwaluwen, heb ik nimmer opgemerkt, dat ze door het drukke bijenverkeer boven de stand heenvlogen.

6e. Na deze 3 vogels moet ik enige woorden wijden aan ons aller vijand : de bijenwolf. Dit jaar voor 't eerst heb ik hier ter plaatse kennis met hem gemaakt. Een jong ijmker nam in 't voorjaar een sterk volk van me over en, omdat in dit geval jong tevens betekende nog onervaren, controleerde ik af en toe de toestand van zijn volk. Zeer tot mijn bevreemding ontwikkelde het volk zich maar matig: behoefte aan een honingkamer was er niet en behoudens de aanwezigheid van darren vertoonde zich geen enkel verschijnsel, dat op zwermplannen wees. Doch begin Augustus werd het raadsel vermoedelijk opgelost:

Op 15 meter afstand ongeveer van het volk ontdekten we de aanwezigheid van de bijenwolf, die met zijn prooi verdween in de gaten in oud hout en tussen straatkeien. Dezelfde dag hoorde ik van het verwoestend optreden van dit insect nabij Denekamp. We kunnen dus wel zeggen, dat Twente besmet is of zal worden. Wat kunnen we daar toch tegen doen? Zou 't inspuiten van zware, vernietigende gassen in de besmette grond iets kunnen zijn?

7e. Tot slot nog iets wat ik een dezer dagen voor 't eerst gezien heb : een bij met 2 balletjes stuifmeel, die beide een oranje kern hadden, met een rand van geel stuifmeel afgezet. Die twee-kleurigheid meende ik nog wel even te mogen vermelden.
HENGELO (O.),
medio Augustus. P. HANNEMA.

Naschrift Red. Mijn ervaring is, dat het meermalen voorkomt, dat een volk, hetwelk verhinderd wordt een nazwerm af te stoten bij de bruidsvlucht der koningin mede uitvliegt. Dit is mij al enige malen overkomen, zo óók dit jaar weer.
Behandeling van het volk ongeveer als genoemd onder 2e. Alle moerdoppen weggebroken toen de jonge moer kwaakte. Eén moer laten uitlopen, andere verwijderd.
Geen enkele moerdop was nog uitgelopen.

Enige dagen daarna — ik waande alles veilig — trof ik bij mijn thuiskomst een geschepte zwerm in een mij niet toebehorende kieps. Een buurtimker had die voor mij geschept. 't Was een matig zwermpje en ik beweerde al, dat die stellig was komen aanvliegen, zó zeker was ik er van, dat bij mij alles in orde was.

Jongste zoon (8 jaar) beweerde toch, dat een kast had gezwermd, doch kindergetuigenis is geen evangelie. Om zekerheid te hebben zocht ik de moer uit de zwerm en herkende de moer, die ik kort tevoren uit haar cel had verlost.

Ik deed haar in een moerkooitje en stak dit in mijn broekzak.
De bijen bedachten zich niet lang en vlogen op het bewuste volk toe. Nu wilde ik toch zekerheid hebben. Raam voor raam werd afgezocht, géén moer, géén uitgelopen moerdop (ondanks secure arbeid zou ik er een over het hoofd hebben kunnen zien).
Ik liet de moer, die echter geen bevruchtingsteken voerde, in het volk lopen en thans heeft zij een flink broednest. Ik ben er stellig van overtuigd, dat zij op haar bruidsvlucht een deel van het volk heeft meegekregen. Buurmanimker vertelde al, dat de zwerm onrustig zat. De mogelijkheid is niet uitgesloten, dat zij, wanneer zij niet geschept zou zijn weer naar de kast zou zijn toegevlogen.

Ik vraag me echter af, of het zoekraken van jonge moeren, meestal toegeschreven aan vervliegen of omkomen op de bruidsvlucht niet op deze wijze verklaard moet worden. RED

De proef is op deze wijze genomen:

2 Volken laten zwermen. Na het afkomen der zwerm de overige bijen met ramen verwijderd en op een andere plaats gezet. Andere ramen „uitgebouwde en nieuwe" in de kast gehangen en daarna de zwerm er in gedaan. De op een andere plaats gezette bijen zijn voor 't merendeel teruggekomen. De volgende dag uit die ramen alle koninginne-doppen verwijderd en toen deze als honingkamer op de kast gezet. Op deze manier waren alle bijen behouden van dit volk. Bij beide volken is deze proef goed gelukt.
2 ander volken niet laten zwermen:

Toen de broedkamer geheel bezet was, omgehangen. Daarna geregeld elke 14 dagen darrenbroed verwijderd. Bovendien zodra een honingraam voldoende was verzegeld deze weggenomen. Deze volken hebben niet gezwermd.
Het vorig jaar bij minder behandeling was 133 pond honing geoogst. Dit jaar na deze behandeling 175 pond honing.

Wij zijn er van overtuigd dat dit verre van een deskundige proef is, maar meenden toch dat het goed was deze mededeling aan u op te zenden.

Naschrift Red.
Hoofdzaak is, dat men resultaat heeft en dat was hier het geval!
De eerste bcdrijfswijze hebben wij ook meermalen toegepast. Het is echter wol nodig 8 dagen later nog eens op moerdoppen te controleren, terwijl gezorgd moet worden op een daarvoor geschikt ogenblik een nieuwe moer in te voeren.
De tweede bedrijfswijze is ook wel bekend, doch wij begrijpen niet goed dat er telkens darrenraat moest worden verwijderd ? Er werd zeker zonder kunstraat gewerkt ? Waarom ?
Het telkens honing aftappen werkt inderdaad zwerm verhinderend.
RED.