Bestrijding van den bijenwolf.


Ook blijkens de mededelingen van Dr. Winkel in het jongste Verslag der Rijksseruminrichting is de gezondheidstoestand onzer bijen goed te noemen. De gevreesde mijtziekte, die elders zoveel kwaad heeft aangericht en zich ook ten onzent in Zeeland vertoonde, is mede door de niet genoeg te waarderen arbeid van den heer Hoolhorst bedwongen. Nosema werd slechts bij een betrekkelijk gering aantal volken waargenomen en daar, waar de door Dr. Winkel aanbevolen maatregelen werden toegepast, had dit het gewenste resultaat. Onze Nederlandse bij, zo mag dankbaar worden erkend, toont dus over het geheel een goed weerstandsvermogen tegen ziektekiemen te bezitten. Reden te meer om de ernstige waarschuwing van Dr. Winkel tegen het invoeren van vreemde rassen niet in de wind te slaan en zich niet te laten verleiden door het zoet gefluit van de vogelaar, die 50 pond honing per volk belooft en raathoning zelfs dan, als de heide niet of slechts weinig honigt!

Dreigt ons van deze zijde geen gevaar, zo is er dit wel door den bijenwolf, die zich met verrassende snelheid vanuit Z. Limburg tot in Drente heeft verspreid. Volgens de mededelingen in de November aflevering van den heer Beekhuis van Till, wiens nauwkeurig onderzoek en proeven de levenswijze van dit gevaarlijk insekt hebben blootgelegd en die zich daardoor ook ten aanzien van onze imkers bizonder verdienstelijk heeft gemaakt, zijn er in eenzelfde zomer twee generaties, legt elk vrouwelijk exemplaar tot 40 eieren en brengt zij bij elk ei 4 tot 6 bijen, rooft dus gemiddeld 200 bijen, hetgeen bij een getal van rond 20.000 wijfjes een verlies vormt van 4000.000 bijen, zegge en schrijve vier millioen! Gelukkig gaat door allerlei omstandigheden een meer of minder aantal ten gronde. Men leze er het genoemde interessante artikel maar eens op na. Ook zal het aantal wijfjes gewoonlijk wel geringer zijn. Dus zal ook het aantal bijen dat verloren ging naar rato minder zijn. Toch blijkt hieruit zonneklaar, dat vooral in hete, droge zomers, en daarom onder voor de ontwikkeling zeer gunstige weersgesteldheid, de schade zeer aanzienlijk kan zijn en zal het zeker geen betoog behoeven om den lezer te overtuigen, dat hier werkelijk gesproken moet worden van een groot en ernstig gevaar, dat onze bijenvolken bedreigt, een gevaar, waarmede gerekend moet worden in streken waar de bijenwolf niet (of nog niet) voorkomt, in zoverre van daar gereisd wordt naar de heide.

Met nadruk dringt zich dus de vraag naar voren hoe deze vijand kan worden bestreden. In de December aflevering heeft de reeds vermelde onderzoeker Beekhuis van Till bericht over biologische bestrijding door schimmels. Bijen worden met deze schimmels besmet en besmetten op haar beurt de door haar bezochte bloemen en vandaar gaat de besmetting over via de mannetjes, die enkel van stuifmeel leven, of ook wel direkt op de vrouwelijke bijenwolf. Deze proeven zullen echter eerst dikwijls moeten worden herhaald en daarbij onder meer onderzocht of de bijen er geen schade van ondervinden en ook de van besmette bloemen gewonnen honing geen schadelijke bestanddelen bevat, zal men op deze wijze in het groot succes kunnen boeken. Ik meen dus te mogen zeggen met volle waardering voor deze proeven, dat wij hier nog maar te doen hebben met toekomstmuziek.
De bijenwolf zal zeker hierop niet wachten maar zich gestadig blijven uitbreiden. Moeten wij dit nu machteloos aanzien en kunnen wij niet reeds dadelijk, zij het op minder afdoende wijze, dezen vijand onzer ijverige arbeidsters te lijf gaan?

Ik meen dat dit wel het geval is en wel als volgt
1. In de eerste plaats moet een onderzoek worden ingesteld naar de plaatsen waar de nesten zich bevinden. Hiervoor is de hulp van een deskundige nodig. Ook twijfel ik er niet aan of de heer B. v. T. zal bereid zijn aan ieder, die hem dit zou vragen, zijn bijenwolfkolonie te tonen en de kenmerkende aardhoopjes aan de nestingangen te laten zien. Het vinden wordt vergemakkelijkt doordat de nesten veelal dicht bij elkaar liggen, soms wel 300 op 1 M2. (B. v. T.)
Als deze nestplaatsen zijn vastgesteld worden zij b.v. door stokken met lappen of anderszins aangewezen.
2. Voordat de bijenwolf te voorschijn komt, dus vóór half Mei of in elk geval vóór Juni worden, als het enige tijd droog geweest is, de zandwallen, waarin zich de nesten bevinden, afgegraven tot op 85 c.M., omdat de maximale diepte der nesten volgens B. v. T. 80 c.M. is. Het afgegraven zand wordt op hopen gestort.
3. Nu komt, wanneer gerekend mag worden dat het zand dezer hopen terdege droog geworden is een tweede ploeg. Deze brengt mede een gaasraam waarvan de openingen zijn 2 bij 2 m.M., zodat er geen larf of pop door kan vallen. Dit raam zou ik willen voorzien van opstaande randen om het zand tegen te houden. Verder aan de twee langszijden van dunne metalen staven. Het raam wordt geplaatst op een onderstel bestaande uit een as met twee wielen, waarop aan weerszijden een lijst is aangebracht met daarin een gleuf, waarin de genoemde staaf past en naar voren en achteren kan glijden. Deze lijsten worden door dwarslijsten stevig aan elkander verbonden. Het raam kan men in horizontale stand brengen door het voor en achter op een paar balkjes te doen leunen. Het zand van de hopen wordt er nu op uitgestrooid en het raam, naar gelang nodig is, door het naar voren en naar achteren te trekken heen en weer geschud, zodat het zand door de gaatjes op de grond valt. De larven en poppen blijven dan over en kunnen in een emmer worden gedaan om straks te worden verbrand.
Het onderstel gaf ik slechts schetsmatig aan en kan, zoals vanzelf spreekt, gewijzigd worden naar de eisen der praktijk of ook door geheel iets anders vervangen, als men het maar zo inricht, dat het gaasraam kan werken als een zeef.

Voor dit werk zou men met succes de hulp kunnen inroepen van jeugdige werklozen, dit zich hiervoor bereid verklaren en slechts een kleine vergoeding behoeven te ontvangen, aangezien dit zeker geen direct productieve arbeid is. Ook een afdeling die schraal bij kas is, behoeft het dus om de kosten niet te laten. Natuurlijk zal toezicht nodig zijn, maar ik twijfel er niet aan of de leden der afdeling, die beseffen wat er voor hen op het spel staat, zullen om beurten zich hiervoor wel beschikbaar stellen.
Op deze wijze zal, naar ik overtuigd ben, de schade door dit insekt veroorzaakt, in elk geval aanzienlijk verminderd worden.

Dr. Thiem, die in het December-no. van die Bienenzeitung f. Th. u. P. beschrijft hoe het gelukt is in het Wertadal de bijenwolf uit te roeien, deelt ook mede, dat in een streek, waar men 20.000 stuks had gevangen en gedood (men denke niet gering van wat hiervoor vereist wordt aan tijd, oplettendheid, vlugheid enz.) de schade aanmerkelijk geringer was geworden.
Met welke middelen het daar gelukt was den bijenwolf te niet te doen? Dit was door het aanbrengen over de nestingangen van een dikke laag steenkolenas of ook van een tot 10 d.M. dikke laag zwarte leemrijke aarde, waarin graszaad werd gezaaid. De bijenwolf toch kan zo min door de ene als door de andere laag heendringen en moet dus in de nestingang van honger omkomen. Dit helpt radikaal maar brengt niet weinig kosten mede. Dr. Thiem noemt een bedrag liefst van 30.000 M. of f 18.000.-. Daaraan valt bij ons niet te denken. De bestrijding, die ik boven aangaf, mag niet zo radikaal zijn, zij is des te goedkoper en kan goed toegepast en zo nodig enige jaren aaneen herhaald, naar ik mij voorstel, in elk geval van groot nut zijn. Zij die haar willen toepassen zullen mij genoegen doen met mij van het bereikte resultaat in kennis te stellen.

IJMUIDEN. A. VAN DER FLIER.