"Liefhebberij" winsten en verliezen


Een fiscaal bijenpraatje door Mr. J.H. van Doorne, belastingconsulent en amateur-ymker te Soest.

De meeste mensen beoefenen, ter nivellering van de vermoeienissen en beslommeringen van hun dagelijkse arbeid, liefhebberijen. De een zoekt verpozing aan de waterkant in het verschalken van brasem of snoek, een ander doet aan de jacht, aan water- of andere sport, een derde weer geniet van het in orde houden van moestuin of bloemenhof, een vierde is verzot op zijn bijen. Doorgaans hebben dergelijke liefhebberijen niets met iemands inkomsten te maken. Immers ze komen niet in aanmerking als "bron van inkomen". Er is echter een ander artikel in de wet op de inkomstenbelasting, waaronder een eventuele "liefhebberij-winst" wel zou te brengen zijn, namelijk artikel 18, dat belast de zuivere opbrengst van "op zichzelf staande werkzaamheden". De Hooge Raad trekt hierbij de grens zeer ruim. Bijna geen enkele "werkzaamheid", waarmede men een geldelijk voordeel behaalt, valt daarbuiten. Zo bijvoorbeeld werd de winst belast welke een apotheker gemaakt had met de verkoop van de helft van een huis, dat hij als geheel had gekocht, de ene helft had laten verbouwen tot apotheek en de andere had verkocht. De Hooge Raad was van oordeel, dat de "werkzaamheden" aan die verbouwing en die verkoop verbonden zodanig waren geweest, dat het daarmede behaalde voordeel onder genoemd artikel 18 te brengen was.

Ook aan liefhebberijen zijn vaak heel wat werkzaamheden verbonden. Neem bijvoorbeeld de amateur-ijmker! Als "bron van inkomsten" is zijn ijmkerij niet aan te merken; voor hem is in deze geen sprake van "bedrijf". Maar de vele werkzaamheden verbonden aan het houden van een tien- of vijftiental kasten en korven zijn niet gering. En gezien de ruime interpretatie welke de Hooge Raad aan artikel 18 geeft, heeft schrijver dezes dan ook steeds gemeend, dat eventuele winst behaald met de ijmkerij, als "opbrengst van op zichzelf staande werkzaamheden" diende te worden aangegeven. Het blijkt echter dat men ook als belastingconsulent "plus royalist que le roi" kan zijn. Want blijkens een onlangs verschenen arrest van de Hooge Raad blijven "liefhebberij-winsten en -verliezen" buiten beschouwing bij de vaststelling van iemands inkomen.

Het onderhavige geval betrof een dokter, die er een melkkoetje op nahield. Niet in figuurlijken zin - men beweert dat wel eens van h.h. artsen, al gelooft schrijver dezes daar niemendal van - maar een heuse melkkoe op vier poten, met horens, uier, en wat verder tot de anatomische samenstelling van het genus "koebeest" behoort. Die dokter "hield" dus een koe. Niet als gezelschapsdier waarmede hij ging wandelen, of als bezienswaardigheid, maar heel gewoon zoals een koebeest pleegt gehouden te worden: op een boerderijtje. Daarop werkte ook een knecht, die zijn zorgen aan dat dier besteedde.
De exploitatie nu van dat boerderijtje - er was nog wat ontgonnen land bij ook, en de dokter was een groot liefhebber van het boerenleven - had verlies opgeleverd. En dat wilde hij in mindering brengen van zijn inkomen. Maar ving bot bij den inspecteur, die van oordeel was, dat hij zich die uitgaven "uit liefhebberij" getroostte, en daarvan trok de fiscus zich niets aan. Hier was geen sprake van een "bedrijfsverlies".
Ook de Raad van Beroep, tot wien de dokter zich gewend had, vond de koe-idylle te romantisch om daaraan het nuchtere karakter van bedrijfsexploitatie te koppelen. "Oogmerk om winst te behalen" was volgens de Raad niet aanwezig, en daarom werd het bestaan van een bedrijf, een bron van inkomen, niet geaccepteerd.
Bij de Hooge Raad verging het onzen amateur-veehouder al niet veel beter. "Het drijven van een boerderijtje zonder dat daarmede "in beginsel geldelijk voordeel wordt beoogd" is geen bron van inkomen, dus ook verliezen blijven buiten aanmerking. Aldus ons hoogste rechtscollege.
De Hooge Raad zegt dus niet dat eventuele winst belast had moeten worden als "opbrengst van op zichzelf staande werkzaamheden", en evenmin dat het geleden verlies krachtens datzelfde artikel 18 in mindering had behoren gebracht te worden. Waar de zaak op neerkomt is: betreft het hier een "liefhebberij" of niet? Zo ja, dan blijven winsten of verliezen buiten beschouwing.

Nu wordt met liefhebberijen gewoonlijk geen winst beoogd. Al spreekt het aan de andere kant vanzelf, dat men graag voordeel ziet en er liefst geen geld op toelegt. Een liefhebberij die geld kost, pleegt men, vooral in deze tijden, heel gauw te laten varen. Maar het verschil tussen "liefhebberij" en "bedrijf of beroep" is buitengewoon moeilijk! Waarom zal een kweker, die sinds jaren als nevenbedrijf de ijmkerij beoefent, eventuele winst wel als inkomen moeten aangeven, en een rentenier, die als "liefhebberij" een zelfde aantal kasten en korven heeft, niet? Waar ligt de grens tussen "liefhebberij" en "bedrijf"? In het aantal? In de zorgen en werkzaamheden? Ze zijn voor beide gelijk! Mij dunkt, laat de fiscus dat maar uitzoeken! De Hooge Raad heeft thans de weg aangewezen: wie niet uitsluitend zijn inkomen vindt in de ijmkerij, maar deze naast zijn eigenlijk bedrijf of beroep beoefent, doet dit als "liefhebberij" waarbij het geldelijk voordeel geen doel is. Zodat, al zou hij deze zomer ook met 25 kasten naar het bijen-dorado, de Wieringermeer, gaan en daar de, haast spreekwoordelijke, honderd pond honing per kast winnen, zodat hij dit jaar zo'n vijfentwintighonderd pondjes van dat kostelijk gewin zou kunnen slijten, hij make zich geen zorgen ten aanzien van den fiscus. Het is enkel maar "liefhebberij" voor hem, en al zou de honing ook een gulden het pond opbrengen, de fiscus zal er koud van blijven! Zulks naar leer van "de Hooge Raad zelvers".