Klaar voor de Noordooster?


Met de aanleg van de Noordooster zal de meest mogelijke spoed betracht worden.
(De Minister in de Eerste Kamer).

Het droogleggen van de Wieringermeerpolder heeft onze imkers volkomen verrast in dien zin, dat zij zich enorme honingrijkdommen hebben laten ontglippen.
Wij durven geen schatting maken, doch er moeten honderdduizenden Kilo's kostelijke honing door gebrek aan bijenvolken in de Meer in de eerste jaren na de drooglegging verloren zijn gegaan en eerst, nadat onze medewerker dhr. Vergouwen hierop gewezen heeft, wordt er een geest vaardig onder de imkers en komen zij in drommen van Noord en Zuid, van Oost en West naar "de Meer", teneinde in die honingovervloed te delen.
Wellicht zullen in de komende jaren de oogsten wat minder zijn, omdat veel grasland wordt gescheurd en de koolzaadverbouw wat wordt ingekrompen, doch er is nog geenszins reden weg te blijven.

Trouwens men behoeft zich niet ongerust te maken, dat onze imkers zich nu de kans laten ontsnappen. Zijn wij wel ingelicht, dan hebben zich imkers met een totaal van 2600 volken bij de Directie van "de Meer" aangemeld en hebben bovendien bij particuliere boeren imkers een plaatsje gevonden.
Wij verheugen ons over dit bewijs van goed vertrouwen in de berichten, welke ons uit "de Meer" bereikten en wij hopen, dat onze trekkers met volle honingvaten zullen terugkeren.





Met één slag zijn thans alle suggesties, dat ons klimaat niet deugt voor de imkerij, verstomd; het tegendeel zou dan ook een ietwat zonderlinge indruk maken met de feiten voor ogen, dat de oogsten per volk boven het gemiddelde liggen van die van onze Amerikaanse collega's.

Voor het verlies van honing in "de Meer" behoeven we ons dan ook niet meer ongerust te maken; de imkers ruiken wild en wie verwondert er zich over, dat ze op de nectarbronnen afstuiven als vliegen op de stroop?

Ons land telt uiterst bekwame imkers, zoals het uiterst bekwame landbouwers, veetelers en tuinders telt.
We behoeven er ons niet over te verwonderen; het is vanzelfsprekend, dat een agrarisch land als het onze bekwame vaklui voortbrengt. Alleen de kans om het te tonen is in de laatste tijd wel wat verloren gegaan, nu onze honingoogsten tengevolge van de enorme invoer van het buitenlands product, niet meer lonend zijn te plaatsen en de imkerij als zodanig ineen dreigde te storten.

Onze imkers, die vroeger er niet tegen opzagen om met boerenwagen en per zeilschip uren en uren ver te trekken om een nieuw drachtgebied op te zoeken, blijven thans veelal thuis, omdat zij geen risico nemen, niet kunnen nemen, dank zij de moeilijke omstandigheden waarin zij verkeren.
Zo is de trek naar de boomgaarden verminderd en die naar de koolzaadvelden heeft niet meer die belangstelling van vroeger.
Maar de trek naar "de Meer" kan lijden. Een poosje goed weer en de honingkamers zijn gevuld en de kosten goed gemaakt, al blijft de moeilijkheid van het lonend kwiteren van de honing nog bestaan.

Hoewel de heide niet altijd "raak" is, blijft er steeds nog een enorme belangstelling voor het reizen naar dit drachtgebied bestaan. Immers de kans om het goed verkoopbare product "heideraathoning" te winnen, blijft steeds bestaan en men neemt gaarne het risico van een vergeefse heidereis.
De heide-imkers zelf, die gewoonlijk slechts op één oogst kunnen rekenen en die oogst liefst ineens aan opkopers van de hand doen, omdat zij dan niets te maken hebben met al die soesa van potjes vullen, klanten aflopen, etiketten plakken enz., maar bovendien hun gehele oogst direct verkopen tegen contante betaling en daardoor - al is het totaalbedrag dan ook niet zo groot - een of ander werktuig in hun bedrijf kunnen aanschaffen, een noodzakelijke herstelling aan hun woning of andere gebouwen kunnen uitvoeren, of misschien het zo lang verbeide Zondagse pak of voor moeder de vrouw een nieuw kleed kunnen aanschaffen, imkeren in hoofdzaak nog in korven.
Maar nu worden de omstandigheden voor tal van heideimkers anders, beter, en het zal gewenst zijn, dat zij zich bij die veranderde omstandigheden reeds vroegtijdig gaan aanpassen, opdat niet weer - zoals bij het droogleggen van de Wieringermeerpolder - een stroom van heerlijke honing verloren gaat.

Wij hebben hier het oog op het droogleggen van de "Noordooster". Deze polder zal wellicht binnen een jaar of 5 droogvallen en het is dán zaak, dat onze imkers uit Drente en Overijsel en ook van de Veluwe paraat zijn.
Maar dan is het noodzakelijk, dat men zich thans reeds daarvoor gereed maakt en zijn korfbedrijf langzamerhand omzet in een kastbedrijf.
Korfimkeren is een geheel ander soort bedrijf, dan kastimkeren. Bekwame kastimkers zijn vaak stumpers in het korfbedrijf, terwijl de handen van den korfimker helemaal verkeerd staan voor het kastbedrijf. Het zou dan ook geen daad van wijs beleid zijn als men ineens het roer ging wenden en van zijn korfbedrijf overstapte in het kastbedrijf. Welk een teleurstellingen zouden zich dán voordoen!! Welk een schade zou men zich dán berokkenen! Maar als men geleidelijk zijn korfbedrijf gaat inkrimpen en de korven gaandeweg vervangt door kasten, dan komt men als het ware spelenderwijs op de hoogte en men kan niet zulke grote ongelukken maken.
En voor de "Noordooster" is het noodzakelijk, dat men het kastbedrijf uitoefent. Met korven begint men daar niets.

Nu moet men niet zeggen, het is nog lang voor het zover is en komen die tijden dan komen die plagen, neen en nogmaals neen! Nu, nog dit jaar, dient men met de omvorming van zijn bedrijf een begin te maken, want men dient over een jaar of 5 het kastbedrijf onder de knie te hebben, zoals men thans het korfbedrijf onder de knie heeft. En dat kost tijd. Zomin het korfbedrijf in een enkel jaar te deren is, zomin is dat ook mogelijk bij het kast-bedrijf.
Voor deze keer stellen wij dan ook de vraag: "Klaar voor de Noordooster?"

JOH. A. JOUSTRA.