De bijenluis en haar ontwikkeling.


Volgens de onderzoekingen van Dr. Leuenberger legt het wijfje van deze luis haar eieren tegen de open raatcellen. Komen de larven uit, dan kruipen zij in een cel, waarin jonge bijenlarven zijn en delen met hen het voedsel van deze larven. Bijna volwassen verhuizen zij naar de verzegelde cellen, graven in de deksel daarvan een kleine gang, waarin zij zich verbergen en verpoppen in een klein tonnetje. Onbekend is het nog of de vermeerdering door paring of door parthenogenesis geschiedt. Uitgelopen blijven zij zitten tot de koningin haar passeert, hechten zich daaraan vast en gaan naar de snuit der koningin; want haar voedsel is uitsluitend de voedselbrei welke door de werkbijen aan de koningin wordt toegereikt. Waarschijnlijk kan zij door prikkeling van de snuit der koningin een kleine teruggeving van de opgenomen voedselbrei teweeg brengen, zodat de luis dit kan opnemen. Bloed zuigt de luis niet, ook huidschilfers neemt zij niet op als deze er zijn, haar enige voedsel is de voedselbrei bestemd voor de koningin, daarom komen zij op werkbijen en darren niet voor. (Kom, kom, Red.) Vooral als er veel luizen op een koningin voorkomen (een enkele maal zijn er zelfs 100 geteld) lijdt zij daarvan met het gevolg, dat zij minder eieren gaat leggen. Wintert een koningin in bewoond door veel luizen, dan sterft zij in het voorjaar door uitputting. Nu begrijp ik waarom de bijenluis steeds op de koningin wordt gevonden, dat mij steeds als een raadsel toescheen. De koningin wandelt over alle raten en blijft een korte tijd onbewegelijk voor het leggen van een ei of voor de celinspectie, zit daar nu een jonge luis, dan heeft zij de gelegenheid om op de koningin te kruipen, vroeg of laat moet deze gelegenheid voorkomen.

Er zijn vreemde kostgangers onder de insecten, de paardenhorzel leeft als larve in de maagwand van paarden tot zij volwassen is, overgaat in een tonnetje, dat met de mest op de grond valt, verpopt in de grond overwintert en als vliegend insect in de zomer rondvliegt. De schapenhorzel leeft als larve in de holten van de voorhoofdsboezems en veroorzaakt dan de valse draaiziekte. De schapen kennen deze horzel. Als zij haar horen vliegen, dan steken zij hun neus in het gras om te voorkomen, dat zij geen ei afzetten in de neusopening enz.

Ik voeg hier aan toe een gedeelte van een lezing over de oude Egyptische geneeskunde door Dr. J.G. de Lint. De oudste geneeskunde bestond uit bezweringen, eerst later werden geneeskrachtige kruiden gebruikt. Nu is het merkwaardig, dat in de oudste recepten steeds ook honing voorkwam en nu in onze tijd honing in de geneeskunde weer meer op de voorgrond treedt als antisepticum en bij digestiestoornissen. Het laatste omdat honing dan nog het beste wordt opgenomen. Bij de geneeskunde is het ook wel eens een komen en gaan.

VAN RHIJN.