Ingezonden.
Groningen, 26 Febr. 1936.
Mijnheer de Redacteur,
Enige dagen geleden op bezoek zijnde bij Dr. de Boer te Haren vroeg deze mij of ik zijne bijen zien wilde. Deze vraag om midden in den winter bijen te gaan zien, verraste mij zeer; de groote verrassing kwam bij de bezichtiging. Dr. de Boer heeft zijne drie kasten staan in eene matig centraal verwarmde garage; de vlieggaten staan door gaten in de muur (spouwmuur), die ongeveer 20 c.M. dik is, met de buitenlucht in verbinding. De kasten zijn van boven gedekt door een glasplaat, die overal een bijdikte verwijderd is van de bovenlatten van de ramen, zoodat de bijen boven over de latten kunnen doorkruipen. De naden tusschen glasplaat en kastwanden zijn overal rondom met een mengsel van olie en was dichtgesmeerd, zoodat de eenige ventilatie door het vlieggat gaat. Over de glasplaat een doek, daarop het deksel van de kast.
Bij het bezien der bijen, bewegen deze nauwelijks door het licht van de electrische lamp, waarmee men overal tusschen de zijramen en langs de voedselvoorraad, waar geen bijen zitten, de bodem kan zien, worden ze maar zeer weinig verontrust. Men kan als 't ware iederen dag den toestand van het volk opnemen en is het aardig te zien, hoe de grootte van de bijenbol met de temperatuur buiten verandert, hetgeen bij buiten staande volken nog meer zal geschieden. Daar de simplexramen niet groot genoeg zijn voor de bolvorm van het bijenvolk, is deze bijenbol tegen de glasplaat afgeplat en kon Dr. de Boer steeds opmerken, dat het middengedeelte der bovenlatten altijd het minst dicht door bijen bezet is, zoodat aan de buitenkant van de bijenbol blijkbaar de meeste bijen zitten.
De kasten bevatten 15 ramen simplexformaat, alle naast elkaar en zijn zeer dicht bevolkt; de bijentrossen bezetten in de 3 kasten resp. 9, 10 en 11 ramen.
De ruimte, waarin de kasten staan, heeft tuimelramen, opdat de bijen, die bij de behandeling afvliegen, gemakkelijk weer naar buiten kunnen komen.
Bij de behandeling binnenin wordt alleen wat rook gebruikt, nooit sluier of handschoenen; de oogst bedroeg in 1935 van 3 kasten 170 pond.
Mochten andere imkers deze doorwintering onder glasbedekking ook reeds hebben ingericht en ik dus geen nieuws kom vertellen, dan spijt het mij, dat deze imkers niet bij herhaling deze methode hebben gepubliceerd, want deze houdt de ambitie voor het bijenhouden voortdurend, ook in den winter, gaande. Het zou mij spijten, dat deze methode waarschijnlijk alleen met veel succes toe te passen is, wanneer de bijen "binnen" staan.
Eerdaags wil ik bij een gunstige temperatuur bij eenige mijner volken de dekplaatjes vervangen door glasplaten. Weet ook een der lezers, hoe dit zal bevallen bij volken, die buiten staan, wat betreft de vochtaanslag tegen het glas? In een min of meer verwarmde omgeving verbruiken de volken, zooals bij Dr. de Boer, zeer weinig voedsel en produceeren zeer weinig waterdamp. De ramen en het glas zagen er dan ook alle droog en absoluut roervrij uit en blijken de bijen goed tegen een bijna dagelijks plaatshebbende bezichtiging bestand te zijn. Ook heb ik nergens iets van dichtbouwen met was of afsluiten met propolis gezien.
Mijnheer de Redacteur, U dankzeggend voor de plaatsing, met hoogachting en imkersgroet,
S. VAN HOUTEN.