Over drachtverbetering, over teeltkeus en over het gevaar van vreemde import.


Natuurlijk is voor drachtverbetering alles te zeggen. Waar niet is, kan niet gehaald worden, waar veel is, kan veel gehaald worden. Dit is een waarheid als een koe, dit staat als een paal boven water. Waar een iep staat of een beuk of een berk, zou even goed een wilg kunnen staan of een linde of een acacia. Ook dit kan niet betwijfeld worden. En hoe zou de drachtgelegenheid niet verbeteren als de eersten eens opgeruimd en door de laatsten vervangen werden. De honing zou stromen in Nederland - weer en wind dienende!

De wilg is in het vroege voorjaar van onschatbare waarde. De mannelijke exemplaren leveren overvloedig stuifmeel en bovendien nog zoveel nectar, dat zwakke volken zelfs zich snel herstellen. Men zorge er echter voor de goede varieteit te kiezen, wanneer men tot aanplant wil overgaan. De Salix Caprea en de Salix Lucida, van beide natuurlijk de masculinae, worden in de litteratuur ten zeerste aanbevolen. De bloeitijd duurt vanaf eind Februari tot in April. Ze groeit bij voorkeur langs de slootkant, in elk geval op vochtige bodem.

De acacia is tevreden met elke bodem, ook schrale zandgrond, maar niet zozeer met ons klimaat. Men kieze een beschutte plek, die vrij ligt in de zon. Ze bloeit in Juni en honigt overvloedig, vooral bij warm, vochtig weer. De bloeitijd duurt niet lang, maar naast de gewone Robinia pseudacacia wordt een tweede soort in de handel gebracht, de Robinia pseudacacia Semperflorens, die twee keer achter elkaar bloeit, maar hoge eisen stelt aan de bodem.

De linde is, naast de klaver, de boom, waarmee onze honingoogst staat of valt. De lindedracht is slechts van beperkte duur, ongeveer veertien dagen in de eerste helft van Juli. Maar naast de linde, die hier inheems is, de Tilia vulgaris, worden tegenwoordig met succes twee nieuwe soorten aangeplant, een vroegbloeiende linde, de Tilia platiphyllos in een laatbloeiende varieteit, de Tilia Argentea, waardoor de duur van de lindebloei naar twee kanten telkens met veertien dagen wordt verlengd.

Het zou een Eldorado worden voor de bijenteelt in Nederland, wanneer deze bomen overal op ruime schaal werden aangeplant. En dan zijn er naast deze nog zoveel andere, esdoorn en Kastanje, minder belangrijke, maar heesters te kust en te keur, tal van landbouwgewassen niet te vergeten.

Maar ondertussen, het gebeurt niet.
Dat komt, omdat het niet van ons afhangt. Dat komt, omdat wij er niet over gaan, er niet over te zeggen hebben. Zeker, wanneer we over een eigen terreintje beschikken, dan kunnen we daar een linde planten of een acacia. We kunnen het echter evengoed laten. Wat geeft een enkel boompje, wanneer het gaat om uitbreiding van de bijenweide! Bovendien, "boompje groot is, plantertje dood is". Het gaat hier om een groot belang en dat is met zo'n kleinigheid niet of nauwelijks gediend. Dan doet men verstandiger met zijn bijen te gaan zittin, waar reeds voldoende dracht is, nog beter, met z'n bijen de dracht achterna reizen, wat echter niet voor iedereen mogelijk is. Dan moet het bijenhouden reeds een bedrijf geworden zijn.

Het zijn niet de imkers, die over de aanplant gaan, maar het zijn anderen, in wier gedachten de bij helemaal geen plaats inneemt, die daar niets voor voelen, heel andere belangen hebben die strijden met het belang van den imker. Het is ontmoedigend het te zeggen, maar wie zich er al eens moeite voor gegeven heeft, weet er van mee te praten. Het is een onbegonnen werk hen tot andere gedachten te brengen.
Daar is in de steden een directeur, of hoe zijn titel ook wezen mag, die gaat over de parken of plantsoenen. Hij kan de iep niet missen, die nergens naar vraagt en het overal doet, zelfs tussen de keien, nog onder het asfalt. De bruine beuk, die het met z'n kleurige bladerdos zo prachtig doet, staat bij hem in hoge eer. Gelukkig kan hij niet buiten de kastanje. Maar dan heeft hij nog zijn eiken en platanen en al dat altijd groenblijvende struikgewas, dat echter allemaal met mekaar voor de bijenweide al heel weinig te betekenen heeft.
Buiten de steden, op het land, is het de houtvester, die gaat over de parken en de bossen, die horen bij de grote landgoederen, en die door dezelfde beginselen geleid wordt, van nut en van welstand, maar bovendien nog commercieel te werk moet gaan, die zorgen moet, dat er tenminste een overschotje is. Hij heeft de iep niet nodig, maar plant hem toch graag. Hij zweert bij beuken en berken en vooral dennen, die maar bonestaken behoeven te worden, om al verkoopbaar te zijn - waar de grond wat beter is, bij sparren, die het niet verder hoeven te brengen, dan tot kerstboompjes. Gij begrijpt, wat er van hem voor de bijenweide te verwachten is.
Dan is het daar buiten nog de boer. Hij heeft over het algemeen geen gevoel voor landschappelijk schoon en rekent daar ook niet mee bij aanplant. Komt het toch te voorschijn, dan is het zijns ondanks. Hij plant peppels en knotwilgen. Hij heeft zijn hart verpand aan de iep, wanneer hij wat luwte wil rondom zijn woning. Een bruine beuk en een boogaard zijn al iets heel bijzonders. Zijn betekenis voor de bijenweide ligt echter op ander terrein. Hij kan prachtig honinggevende gewassen verbouwen, maar hij doet het natuurlijk alleen, als hij er voordeel in ziet. Een dwaas is hij, die het anders verwacht.

Het is duidelijk, dat we weinig van alle propaganda voor uitbreiding van de bijenweide te verwachten hebben. We moeten de zaken nuchter inzien, de zaken nemen, zoals ze zijn in dat betekent tevreden zijn met wat we hebben in blij zijn, wanneer de natuur ons te hulp komt zoals nu met de iepenziekte of de regering, die nu ook steun zal verlenen aan de koolzaadverbouw.
Maar waartoe drachtverbetering?
Toch stellig alleen om oogstvermeerdering
Maar oogstvermeerdering kan ook verkregen worden op een andere manier en die de imker zelf in handen heeft.
Hij kan teeltkeus toepassen.

Is het niet al te dwaas, wat we veel imkers zien doen? Ze gaan niet verder dan tot het begrip zwerm. Zodra ze maar een zwerm zien, zijn ze hun oordeel kwijt. Zo fascineert hem het verschijnsel. Het enig onderscheid dat ze weten te maken is, of de zwerm groot of dat hij klein is. Het heet een prachtzwerm, als hij maar heel groot is - alsof de kwaliteit er niet op aankomt, die per slot van rekening in de koningin gelegen is, in haar afstamming. Men moet weten uit welk volk een zwerm vandaan komt.
Waar ze maar een zwerm zien hangen, zijn ze er bij om hem dadelijk te scheppen, één en al blijde verwachting, een verwachting, die maar al te vaak beschaamd wordt. Het kan zijn, dat de zwerm zich ontwikkelt tot een volk, dat goed van kwaliteit is, dat zeer voorzichtig broed aanzet, rekening houdt met de veranderende weersomstandigheden, spaarzaam met zijn voorraad omgaat, honing oplegt, dat het een honingvolk wordt. Maar de kans is groot, dat het een volk wordt, dat alle voer in broed omzet, dat het een zwermvolk, een echte zwermduivel wordt. Een zwerm, die daar zo maar langs de weg hangt, komt licht uit een zwermvolk vandaan, dat het eigendom is van een imker, die zijn volken niet controleerde, die er geen oog op hield, er geen ook op houden kon. - Zo zwermden ze. Wees daar voorzichtig mee.

Meen nu niet, dat ik alle zwermen, waarvan men de afkomst niet kent, zou willen laten hangen. Niet dat ik die zwermen achterna loop, waar ze maar gesignaleerd worden - daar heb ik mijn armen en benen te lief voor - maar waar ze binnen mijn bereik komen, daar schep ik ze. Wie zou dat kunnen laten! Het voorvorige jaar kwam er een zwerm bij mij aanvliegen. Ik had dat nog nooit gehad. Dat was echt een fascinerend verschijnsel. Heel anders, dan wanneer een zwerm afvliegt. Dan is het een en al onrust, dit was een en al rust. Het was een tegenstelling als tussen een luchtschip en een vliegtuig. Rustig kwam de zwerm aanzweven en bleef zoemend hangen boven mijn tuin. Ik dacht, dat speurders al vooruit geweest waren en dat ze zo een lege kast zouden binnentrekken. Maar neen, ze gingen eerst nog hangen aan een boom. Natuurlijk schepte ik ze. - Maar zo'n zwermduivel heb ik nog nooit gehad. Ik gaf ze een ruime woning, een Zanderkast, maar desondanks was de zwermdrift niet te beteugelen. Zogenaamde prachtzwermen heb ik er van gehad. Broed in overvloed, tot aan het einde van de heidedracht, maar geen spat honing. Ik had ze direct moeten ommoeren. Dit was verstandiger geweest. Dan had ik honing gehad.

Want de koningin, daar komt het op aan. Op haar stam. En dan hoeft het nog niet eens zo erg met haar te zijn, dat ze een volk kweekt, dat het zwermen om zo te zeggen in het bloed zit. Het kan zijn, dat een volk niet zo zwermlustig is, maar toch weinig ijverig in het voorraad maken, in het honingopleggen. Met zwermlustig of zwermtraag is nog lang niet alles gezegd. En hij mág goed in zijn volk zitten, moet zelfs goed in zijn volk zitten, maar het broed moet aangepast zijn aan de omstandigheden, d.w.z. aan weer en drachttijd. Hij moet op voorraad maken uit zijn - waar dan bijkomt, dat hij niet zwermlustig mag zijn.
Een goede koningin, een koningin uit zo'n volk, is van uitnemend belang, vooral voor den beginnenden imker. Zovelen, die met bijenhouden beginnen, treffen het slecht. Ze besteden niet graag veel. Er moet al zoveel bij. Ze missen goede voorlichting. Ze komen terecht aan een verkeerd adres. Imkers die pas beginnen goed terecht helpen, dat moest voor elk afdelingsbestuur een vanzelfsprekende taak zijn. Velen keren de imkerij de rug toe, omdat ze niet goed te paard gezet werden. Het zou zaak zijn een instituut in het leven te roepen, vanwege de Vereniging, waar ze altijd goed terecht kunnen, waar ze zeker zijn goed materiaal te ontvangen, goede koninginnen, die liefst een jaar oud en op hun deugdelijkheid gecontroleerd zijn.
Niet allen zijn zo gelukkig als twee van onze pas beginnende imkers. Het was een echtpaar. Ze namen elk een volk. Er stonden dus twee volken naast elkaar, die natuurlijk druk met elkander vergeleken werden. Het waren beide goede volken. Zo op het eerste gezicht was er geen onderscheid te zien. Het ene was een gewone bruine, ik zal maar zeggen Hollandse bij, al liet de zuiverheid wel wat te wensen over. Het andere had een Krainer koningin, die van de stand van Dr. Schotman uit Maasoord afkomstig was. Het volgend voorjaar bracht echter het verschil aan het licht. Terwijl het eerste al vroeg omgehangen moest worden, had het tweede aan één broedkamer genoeg, later met een honingkamer. En terwijl het eerste nauwelijks een overschot opleverde, gaf het laatste dadelijk in Mei een honingkamer vol van de heerlijkste bloesemhoning, in Juli nog eens een volle honingkamer lindehoning en in September nog eens een voorraad heidehoning. Deze jonge collega's wisten dadelijk, wat een goede koningin waard was.

Het is nog niet zo heel lang geleden, dat een van onze oudere collega's op een afdelingsvergadering de vraag inleidde: "Hoe krijg ik in het voorjaar vroeg sterke volken?" natuurlijk met de bedoeling van de Meidracht zijn deel te krijgen. Hij bleek een heel serieus imker te zijn, die alles wist van goed inwinteren, goed overwinteren en goed uitwinteren en het in de praktijk bracht ook, maar desondanks bleven zijn honingkamers in de Meimaand leeg. Hem werd toen de raad gegeven het eens te proberen met speculatief voeren of met het tweevolk systeem. Maar het is na het bovenverhaalde duidelijk, dat de vraag niet goed gesteld was. Het komt niet aan op sterke volken. Het is zelfs heel verkeerd vroeg in het voorjaar sterke volken te hebben. Sterke volken in het voorjaar zijn broedaanzetters. Dat worden zwermduivels. Maar ook de raad had anders moeten luiden. Het Krainer volk was niet speculatief gevoerd en het was ook niet verenigd. Het was maar een enkel volk, dat goed verzorgd was en goed in zijn voer zat, maar dat aan zichzelf overgelaten was. Het had echter blijkbaar een koningin, die goed van kwaliteit was. De vraag had moeten luiden "Hoe kom ik in het voorjaar aan goede volken" en het antwoord "dat een goed volk hetzelfde wil zeggen als een goede koningin en dat een goede koningin je door het toeval, zoals onze jonge collega's, in de schoot geworpen kan worden, maar anders gekweekt, opzettelijk gekweekt, moet worden, dat teeltkeus toegepast moet worden".

Nu hoeft men hierbij niet dadelijk te denken aan koninginneteelt, aan kunstmatige koninginneteelt Koninginneteelt is om te beginnen een dure geschiedenis. We hebben enige tijd geleden een berekening daarvan gehad in dit maandblad, opgemaakt door den heer Frankenhuis. Zelf heb ik daar ook ervaring van. Ik had een partijtje korven gekocht op de Tilburgse markt, om met de zwermen, die ze leveren zouden, mijn stand uit te breiden. Het waren prachtvolken, die de nodige zwermen ook prompt leverden, maar die met mekaar niets waard waren. Tenminste voor mijn doel, honingwinnen. Ze moesten omgemoerd worden. Het heeft mij zes volken gekost om het toch niet grote getal van 30 koninginnen te krijgen, die natuurlijk nog geselecteerd moesten worden. Ik kan me dan ook niet voorstellen, dat iemand van koninginneteelt ooit rijk geworden is. Tenminste als hij eerlijk was en alleen koninginnen leverde, die op hun deugdelijkheid naar behoren gecontroleerd waren.

Koninginneteelt, kunstmatige koninginneteelt, is echter niet alleen een dure geschiedenis, maar bovendien ook een heel secuur en tijdrovend werk. Daar hoort veel ervaring toe en dat niet alleen. Slechts weinigen beschikken over de handigheid en het geduld, dat nodig is om daarin succes te hebben. Het is voor den imker in het klein, en daartoe reken ik hen, die van 6 tot 25 volken bezitten, in het algemeen voor hen, die de imkerij slechts als bijbedrijf beoefenen, beter niet aan kunstmatige koninginneteelt te doen. Men kan selectie echter ook toepassen op eenvoudiger manier. Men zorgt er alleen maar voor, dat men zwermen alleen maar aanneemt van een goed volk. Men verhindert de minder goede volken te zwermen. Zwakke volken worden natuurlijk dadelijk opgeruimd. Men zorgt er verder voor, dat de goede volken overvloedig gelegenheid krijgen om darrenbroed aan te zetten. Daarentegen verhindert men daarin de minder goede volken. Waar het reeds aangezet is, snijdt men het weg en vult de open ruimte met uitgebouwde werkbijenraat. Dit is een vorm van selectie, die iedereen kan toepassen zonder dat het hem veel extra tijd kost, zonder dat het hem veel geld kost en zonder dat er bijzondere capaciteiten voor nodig zijn.

Meen nu niet, dat gij met één keer kunt volstaan om duurzaam goede koninginnen te hebben. Men moet er mee doorgaan, jaar in, jaar uit, altijd doorkwekend van dezelfde stam, zonder ooit het gevoel te hebben, dat men er is. Iemand, en hij was niet de eerste de beste in ons bijenwereldje, vertelde mij eens in een gesprek over teeltkeus, dat hij van een heel goed volk alle zwermen genomen en opgezet had. Eén werd er weer prima, een ander ook heel goed, maar de overige drie werden klungels - en daarmee meende hij de waarde, of liever de onwaarde van teeltkeus bewezen te hebben. Hij stelde het zich al te gemakkelijk voor. Hij vergat, dat een goede koningin geen constante is, dat ze de kiemen in zich draagt ook van minder goede, ook van slechte, misschien als men pas met teeltkeus begint van hele slechte. Dat kan nog enige jaren duren, maar hoe langer men voortteelt, hoe constanter de soort wordt. Selectie is niet het werk van één keer, van één jaar, maar van jaren. Men moet er mee doorgaan, ook als men meent zijn doel bereikt te hebben. Wie er mee ophoudt zal heel gauw terugval kunnen constateren.

Maar waarom zou men er mee ophouden? Wie er eerst mee begon zal het niet kunnen laten. Het is interessant werk, interessanter dan het uitzoeken van deze of die bedrijfsmethode, waar zo menigeen zich het hoofd mee breekt; interessanter ook, dan het praten met den directeur van park en plantsoenen, of met den houtvester of ook maar met den boer om ze er toe te brengen, dat ze honinggevende bomen planten of honinggevende gewassen verbouwen ---- wat eigenlijk ook niet nodig is. Zo slecht staat onze bijenweide er nog niet voor. De grootste drawback is bij ons het weer en daar hebben zij toch geen zeggen over. Het komt er alleen maar op aan, dat men goede volken heeft, goed aangepast aan ons klimaat, om de bijenweide, die er is, naar behoren uit te buiten.
En het is helemaal niet moeilijk goede volken te krijgen, wanneer men maar selectie toepast. Het is alleen maar nodig, dat gij goed weet, wat, onder een goed volk moet worden verstaan. Laat u nooit er toe verlokken voort te telen van een volk, dat een topprestatie leverde. Het Krainer volk, dat ik tot voorbeeld stelde, had aan één broedkamer genoeg met één honingkamer, maar die raakte dan ook vol. Dit gebeurde twee keer, eerst in Mei, daarna nog eens in Juli, met een Junimaand daartussen, die bij ons nauwelijks dracht geeft en zonder dat het er door van streek raakte. Het was een evenwichtig volk, dat blijkbaar zijn hersens, ik bedoel zijn instinct gebruikte. Het, liet zich niet in de war brengen door overvloedige dracht. Het hield rekening met de wisselende weersomstandigheden. Het ging spaarzaam met zijn voorraden om. Zo'n volk kiest men uit, of zulke volken, al naar men zwermen nodig heeft.

Neem ook nooit een volk van gemengd ras. Daar zitten natuurlijk grote mogelijkheden in, maar ook grote gevaren, in elk geval grote moeilijkheden. Het betekent in de grond het kweken van een nieuwe soort. Maar dat mag niet zo maar lukraak geschieden. Dan moet men goed weten wat men doet. Dit is het werk van den kweker, van den man van het vak. Hij begint, waar wij ophouden. Hij zorgt er eerst voor, dat hij door, ik zal maar zeggen, onze "Selectie binnen de soort" een fokzuivere stam verkregen heeft, om te zien of hij door verbinding met een andere stam, die op een andere eigenschap zuiver gefokt is, een nieuwe soort kan kweken, die beide eigenschappen in zich verenigt. Men noemt dit "combinatieteelt". Het is op deze manier, door kruising van de Italiaanse met de Cyprische bij, dat de Amerikaanse goudbij verkregen is.
Neem liever een raszuivere bij en liefst een van het eigen inheemse ras. Niet, dat ik van de uitheemse een woord kwaads zou willen zeggen, maar ik kan me niet voorstellen, dat ze onze dracht even goed zo weten uit te buiten, wat meer zegt, even gehard zou zijn tegen ons klimaat en onze weersomstandigheden als onze inlandse bij. Het geval met die Krainer schijnt dat tegen te spreken, maar het was dan ook een Krainer, geen Italiaanse en geen Amerikaan, alias Italo-Cyprioot. Maar daar gaat het hier niet om. Het gaat om het bezwaar van de gemengde bij met al haar gevarieerde, moeilijk te controleren, altijd weer in nieuwe, onverwachte combinatie verschijnende eigenschappen. En daarom is het, dat ik die hele vreemde import niet mag lijden, omdat ze ons eigen bijenras in de grond bedorven heeft, ongecontroleerde, oncontroleerbare bastaarden gekweekt heeft, zodat het haast niet mogelijk is nog raszuivere bijen te vinden - die we toch nodig hebben, als we selectie met succes willen toepassen.

En neem u in acht voor uw buurman. Tien tegen een, dat hij voor uw plannen niets voelt en tevreden is met zijn straatterriërs van bijen of dat hij zijn hart verpand heeft aan een vreemde koningin, die even gevaarlijk, ja de bron van alle kwaad is. Ga maar niet met hem praten om hem voor uw plannen te winnen. Gij zult zien, dat er nog minder met hem te praten is, dan met dien directeur van park en plantsoen of met dien houtvester, of dien boer, Gij zult zelf uw maatregelen moeten nemen. Gij sluit uw jonge koninginnen, die nog bevrucht moeten worden, af achter koninginnerooster en daarmee ook de darren. Gij neemt dit rooster weg, als de darrenvlucht is afgelopen. Dit is omstreeks vier uur in de namiddag. Dan hebt gij geen last meer van de barren van uw buurman en gij kunt voor 90 procent van reinbevruchting verzekerd zijn.
De resultaten van uw zorgzame arbeid zullen niet uitblijven. Er moet met onze inheemse bijen nog veel te bereiken zijn - juist, omdat we nog nooit selectie hebben toegepast. We kunnen nog veel inhalen. We hebben onze tijd alleen maar verzuimd. Gij zult een stand kweken van zuivere bijen, wat meer zegt, van honing-bijen. Gij hoeft dan met uw buurman niet meer te gaan praten. Uw resultaten zullen hem overtuigd hebben.
HAARLEM. Dr. M. BRUIJEL.