INGEZONDEN.
Antwoord aan den Heer S. van Houten te Groningen.
Naar aanleiding van de beschrijving over de glasbedekking der bijen bij Dr. de Boer, 't volgende:
Toen ik in 't voorjaar van 1902 (dus 34 jaar geleden) 't plan had opgevat bijen te gaan houden, nam ik eerst eens 'n kijkje bij wijlen den Heer Kelting te Santpoort. Wat mij al dadelijk tegenstond, was het propolisgepik tegen 't bedekkingskleedje, dat hier en daar al begon stuk te gaan.
Zodra ik de bestelde zwerm ontving en in de gereedstaande kast (W.B.C.) plaatste, kwam ik op de gedachte het beddentijkje te vervangen door 'n glasplaat, die ik zodanig in een kozijntje had bevestigd, dat ze ongeveer 8 millimeter boven de bovenlatjes der raampjes kwam te liggen, waardoor de bijen nog juist gemakkelijk over alle raten konden heenlopen.
De eerste jaren had ik in de winter nog al eens last van roerzieke volken. Bij onderzoek van 'n gestorven kolonie kwam ik tot de ontdekking, dat er zich raten in de broedkamer bevonden, die niet alleen onverzegeld waren, doch dat elk celletje daarvan méér dan vol was, zoals men 'n glas of kopje ook méér dan vol kan schenken.
Het lag nu voor de hand, dat de suikerstroop de door 't volk gevormde damp had opgenomen, daar hij door de bijna volmaakte afsluiting der glasplaat niet ontwijken kon en door de warmte van de bijentros misschien wel in gisting geraakt was.
De verandering die ik daarna heb aangebracht, bleek verbetering te zijn.
Ik begon met de vervanging der zeer breekbare glasplaat door 5 à 7 glasrepen, die ik met 'n tussenruimte van ongeveer 3 millimeter naast elkaar plaatste, waardoor de uitwaseming van 't volk geregeld kon geschieden. De daarover liggende dekkleedjes zorgen er wel voor, dat de woning niet tochtig wordt. Natuurlijk vullen de bijen op de lange duur die reten weer met propolis, doch 't is een kleine moeite er even 'n mes door te halen. Hoe kouder 't wordt, des te langer duurt 't voordat zij er in slagen zich luchtdicht op te sluiten en wanneer zij de wintertros gevormd hebben blijven de reten wel vrij (waar zij niet meer komen).
Als 2de verandering heb ik de suikerstroopsamenstelling van 1 gewichtsdeel water op 1 gew.d. suiker gebracht op 3 gew.d. suiker ± 2 1/4 gew.d. water, waardoor ze niet meer zo dun is.
Deze verhouding bevalt mij beter.
Kozijntjes als gemaakt voor mijn 1ste kast heb ik nooit meer gemaakt. Bij de later gemaakte kasten nam ik alleen de 4 zijden zowel voor broed- als honingkamer ongeveer 8 millimeter hoger, zonder natuurlijk de draaglijsten voor de raampjes daarin te laten delen; die moesten op de oude hoogte blijven.
Daar ik in de beginjaren nog met de hele glasplaten werkte, die eerlijk gezegd niet lang heel bleven, doordat op sommige raampjes raat werd gebouwd tot tégen de glasplaat, waardoor ze er niet zo gemakkelijk afgenomen konden worden, gaf de verandering van plaat in reep niet alleen 'n voordeel voor 'n gewaarborgde gezondheid voor 't daaronder gehuisveste gezelschap, doch ook voor mijn beurs, daar men bij z'n huisschilder ze voor 'n bang gezicht (zoals men hier wel eens zegt) of voor niets kan bekomen.
Op 3 dingen moet ik echter nog wijzen
Ten eerste dat men de repen moet nemen van dubbeldik glas; enkel is te slap en te breekbaar.
Ten tweede moeten ze in dezelfde richting geplaatst worden als de raten en
Ten derde neem de glasrepen niet te breed, doch ook niet te smal. Voor 't opvoeren tegen de winter wordt 1 der middelste repen vervangen door 'n smal plankje van gelijke afmeting waarin gat voor voergelegenheid.
Ik heb mezelf al wijs gemaakt, dat 't drukke verkeer van de bijen over de bovenkant der raten de wasmot belet zich van de zaagspleet meester te maken, daar ik er nooit meer last van heb. Dit ter overpeinzing!
Ten slotte wil ik nog even mededelen, dat mijn kasten onbedekt in de buitenlucht staan.
WORMERVEER. HERMAN H. SMIT Fz.