Raadgevingen van een ouwe rot.
Beste vriend,
Ik kan niet nalaten in deze brief nog even terug te komen op mijn vorige, omdat juist dit voorjaar zo duidelijk demonstreert, met welke omstandigheden we bij ons Nederlands klimaat rekening hebben te houden.
De tweede helft van Maart was buitengewoon zacht, ik zou bijna zeggen warm en alleen rekening houdend met deze weersomstandigheden zou er geen enkel bezwaar zijn de bijen te voeren. Ik heb je dit echter in mijn vorig schrijven nadrukkelijk afgeraden, omdat de bijen dan hun broednest zo zeer zouden uitbreiden, dat ze het in koude nachten niet voldoende zouden kunnen bezetten. Dat deze koude nachten ook nog in April kunnen komen, is dit jaar wel gebleken. Ik heb hier voor me liggen een lijstje van een meteorologisch waarnemingsstation van de minimum en maximum temperaturen van de tweede helft van Maart en de eerste helft van April. Daar dit zulk een duidelijke taal spreekt, neem ik het hier over.

Let hierbij op de hoge maximum of dagtemperaturen op 20-23 Maart en op de opeenvolging van nachtvorsten gedurende de gehele eerste helft van April. De dagtemperaturen lijken op dit lijstje in April nog niet zo laag, omdat het de maximumtemperaturen zijn, die, doordat de zon reeds zoveel kracht heeft, gedurende korte tijd deze hoogte kunnen bereiken. Meestal echter is het na dergelijke koude nachten de gehele morgen nog zo koud, dat de bijen niet buiten kunnen komen, terwijl het ook na de middag reeds vrij vroeg weer kouder wordt. Dus nogmaals, wanneer je imkers hoort spreken over voeren in Maart, denkt dan aan April 1936 en begin niet met voeren voordat het April is en dan nog alleen bij goed weer.
Wanneer de Aprilmaand zo koud is als dit jaar, kunnen we ons moeilijk voorstellen, dat de bijen in Mei hun hoogtepunt, namelijk de zwermtijd, naderen.
In het zwermen moeten we een wijze van voortplanten van onze bijen zien, waardoor het aantal volken groter wordt. Nu zijn er in verband met het zwermen verschillende theorieën opgesteld om de oorzaken ervan op te sporen en te verklaren. Ik zal me hier echter op het ogenblik om deze theorieën niet bekommeren, doch wil er alleen op wijzen, dat ze in zoverre overeenkomen, dat ze vaststellen, dat een volk zal gaan zwermen, wanneer het zich zozeer heeft uitgebreid, dat er gebrek aan ruimte komt. Dit feit lijkt ons natuurlijk zeer verklaarbaar en omgekeerd trekken we dus de conclusie, wanneer een volk maar voldoende ruimte heeft om zich uit te breiden, zal het niet zwermen. Deze conclusie is echter slechts gedeeltelijk waar, want we zien soms bij korven, die slechts gedeeltelijk met werk (raten) en bijen gevuld zijn, toch zwermen, dus ondanks voldoende ruimte om zich verder uit te breiden. Hetzelfde zien we ook bij kasten. Wanneer we een volk, dat een broedkamer geheel bezet, meer ruimte geven door er een broedkamer met lege raten bovenop te plaatsen, is het mogelijk, dat het volk deze broedkamer in gebruik neemt, even groot is echter de mogelijkheid, dat het zich van deze broedkamer niets aantrekt, zich eenvoudig klaar maakt om te zwermen en dit te zijner tijd ook doet, zonder in de tweede broedkamer te werken. Een bijenvolk bereikt dus blijkbaar een zekere eindtoestand, waaruit geen andere uitweg is, dan zwermen.
Merkwaardig is het, dat korf- en kastimkers in het belang van hun bedrijf volkomen tegengestelde houdingen tegenover het zwermen moeten aannemen. De korfimker moet zijn aantal volken groter maken om in het najaar na de heidedracht te kunnen oogsten, hij moet dus zwermen aannemen en in nieuwe korven onderbrengen.
De kastimker moet trachten in de zomer zijn volken zo sterk mogelijk te houden en ze dus niet door het afnemen van zwermen verzwakken, hij moet dus de zwermdrift zoveel mogelijk onderdrukken. Zoals we hierboven hebben gezien, is dit niet op te lossen door de volken eenvoudig maar meer ruimte te geven. Een methode van zwermverhindering, die vrij veel wordt toegepast, en die soms ook wel goede resultaten geven kan, is de zogenaamde omhangmethode. De behandeling der volken is dan als volgt
Zodra de broedbak, waarin het volk is overwinterd, geheel bezet is en dus 8 à 9 ramen met broed gevuld zijn, wordt een tweede broedbak erbij gegegeven. We nemen daartoe de gevulde broedbak van de bodemplank om deze te vervangen door de nieuwe, die gevuld is met uitgebouwde ramen of wanneer deze niet aanwezig zijn, met ramen met kunstraat. Daarna zoeken we de koningin en plaatsen deze met het broedraam, waarop ze zich bevindt, in het midden van de nieuwe broedbak. Hiertoe nemen we er een raam met kunstraat uit en hangen dit in de volle broedbak op de plaats van het uitgenomen raam. Op de nieuwe broedbak komt nu een koninginnerooster, waarna we de volle broedbak er weer bovenop plaatsen. Dikwijls komt het voor, dat de bijen in de bovenste bak zich moerloos gaan voelen en daarom redcellen aanzetten, die na 9 dagen moeten worden verwijderd. Je ziet dus, het doel, namelijk het geven van ruimte aan het volk, wordt hier bereikt door een tweede broedbak. terwijl we door een koninginnerooster de koningin verhinderen weer in het oude broednest terug te keren en de bijen daardoor als het ware dwingen een nieuw broednest te vormen en de toegevoegde ruimte in gebruik te nemen.
Na verloop van drie weken is het broed in de bovenste bak uitgelopen, terwijl de onderste weer geheel met broed gevuld kan zijn. Is er tevens dracht geweest, dan kunnen de ramen van de bovenste broedbak door de bijen geheel of gedeeltelijk met honing volgedragen zijn, zodat deze kunnen worden geslingerd. Het omhangen kan dan weer op dezelfde wijze worden herhaald. De koningin in de leeggeslingerde bak beneden en daar bovenop ervan gescheiden door een rooster het oude broednest.
In theorie sluit de omhangmethode als een bus. In de praktijk echter valt het nogal eens tegen. Wanneer namelijk na het voor de eerste maal omhangen slecht, dus koud en nat weer volgt, voegen zich te weinig bijen bij de koningin, daar hun aanwezigheid in de bovenste broedbak vereist wordt om het zich hier bevindende broed warm te houden. Daardoor wordt beneden slechts een klein broednest gevormd, zodat we na, afloop van drie weken, wanneer het broed boven is uitgelopen, inplaats van 9 ramen broed er slechts 4 of 5 hebben.
Om dit euvel te voorkomen, wordt de omhangmethode dikwijls gewijzigd toegepast, dan wordt namelijk de lege broedbak aanvankelijk eenvoudig zonder rooster onder het oorspronkelijke broednest geplaatst. Meestal zal het . volk dan ook in deze broedkamer gaan werken en de koningin er eitjes in leggen. Is dit geschied, dan komt er een rooster tussen de beide broedkamers, waarbij we dan zorgen, dat de koningin in de onderste broedkamer komt. Doordat zich in deze broedkamer dan reeds broed bevindt, blijven er natuurlijk meer bijen beneden, terwijl de definitieve afsluiting door de rooster op een later tijdstip valt, zodat er dan reeds minder kans op koud weer is.
Waar we met het omhangen het zwermen geheel pogen te onderdrukken, wil ik je in tegenstelling hiermede nog een methode geven, waarbij we tot op zekere hoogte toegeven aan de zwermdrift van het volk. Je laat het volk zich dan zo sterk mogelijk ontwikkelen in een broedkamer. Zodra deze geheel gevuld is, zal het volk normalerwijze koninginnecellen aanzetten en zodra één dezer gesloten is of bij gunstig weer ook eerder gaan zwermen. Wanneer we aannemen, dat de koningin geknipt is, zullen de bijen op de kast terugvliegen, terwijl we de koningin kunnen doden of met weinig bijen in een klein kastje kunnen onderbrengen om later eventueel als reservekoningin te gebruiken. Was de koningin niet geknipt, dan zal de zwerm natuurlijk aanvliegen en moeten we deze scheppen en tot 's avonds op een koele plaats bewaren. Dan wordt de koningin eruit gezocht en de bijen worden aan het volk teruggegeven.
Waneer we het volk nu met rust zouden laten, zou het na 8 of 10 dagen, soms ook wat vroeger of later, een nazwerm geven. Dat een nazwerm komt kun je de avond van te voren reeds horen, daar dan de reeds uitgelopen jonge koningin tuut. Je moet dus, zodra de oude koningin uit het volk is (zie boven) elke avond gaan luisteren of je dit tuten of roepen hoort en dan niet afwachten tot de volgende dag de nazwerm komt, doch alle zich in het volk bevindende koninginnecellen verwijderen, waartoe je raam voor raam moet nazien na eerst de bijen eraf te hebben gestoten. Meestal blijken bij dit doppen verwijderen meerdere koninginnen rijp te zijn, die je gerust in het volk kunt laten lopen. Deze koninginnen vechten het namelijk onder elkaar wel uit, wie de sterkste is.
Door op deze wijze te werken krijg je een jonge koningin in het volk, terwijl je niet bang behoeft te zijn, dat je een zwerm zal wegvliegen, wanneer je overdag geen gelegenheid hebt om bij je bijen te zijn.
Voor een streek met zomer- en heidedracht moet de voorzwerm komen omstreeks 1 Juni. Waarom dit zo is, schrijf ik je wel eens in een volgende brief.
Op aldus behandelde volken moet je ongeveer 10 Juni de honingkamer plaatsen.
Tenslotte wil ik er nog op wijzen, dat vooral in de tweede helft van Mei moet worden gevoerd. Dit lijkt vreemd, omdat er dan veel bloemen bloeien. Toch is er voor onze bijen zo goed als niets te halen, terwijl het juist de beste tijd is voor broedaanzet. Veel imkers kennen deze tijd aan de bloei van de meidoorn.
Met beste imkersgroeten,
WILLEM VAN DEN IEMENHOF.