Eerherstel voor de belasterde mezen.
In het Januari-nummer van ons "Groentje" komt een schrijven voor van den heer N. Verweyden, bosbaas te Renkum, over de mezen als vijanden van de bij. Aan de vijver in zijn tuin werden talloze bijen door deze vogels weggepikt, en toen er daar niet meer te vinden waren, trokken de meedogenloze moordenaars naar de bijenstand. Wat daar gebeurde, vertelt de schrijver niet, maar de argeloze lezer zal zijn hart zeker vastgehouden hebben bij de gedachte aan het bloedbad, dat hier aangericht werd.
Ter kalmering van de opgewekte verontwaardiging moge hier mijn ervaring van de vorige zomer volgen.
Mijn tuin is ongeveer 2000 M2 groot en bestaat voor de helft uit bos. In dat bos bevindt zich mijn bijenstand (8 à 10 kasten), en op een afstand van hoogstens 30 M. hiervan verwijderd zorgen een zestal nestkastjes, dat er elk jaar minstens 50, misschien wel 80 jonge mezen geboren worden, meest koolmezen. Gedurende de 12 jaren, dat ik bijen houd, heb ik nog nooit een mees op bijenmoord betrapt, zelfs niet daarvan verdacht. In het bijenpark zag ik ze zelden. Het vorige jaar evenwel was dat anders, en had ik volop gelegenheid deze zeer nuttige dieren te bespieden. In de zwermtijd gebruik ik de laatste jaren de koninginneval, die 's morgens tot 12 uur of half één gesloten blijft en dan mijn aanhoudende tegenwoordigheid in het bijenpark niet nodig maakt, maar 's middags tot 4 uur openstaat, om de darren gelegenheid te geven uit te vliegen. Dan ben ik met mooi weer dus present en neem plaats op een gemakkelijke stoel, verborgen tussen het groen. Zie ik, dat een kast wil zwermen, dan is de schuif van de val een kwart minuut later neergelaten en de koningin kan niet ontsnappen.
Zodoende kan ik de gehele maand Juni des middags gedurende uren aaneen alles opmerken, wat er op de bijenstand gebeurt.
Voor het eerst viel mij nu het vorige jaar op het geregelde, tamelijk drukke bezoek van de mezen, die hier kwamen, niet om levende bijen te zoeken, doch slechts dode, zodat er 's avonds in het hele bijenpark geen enkel bijenlijk op de grond te vinden was. Moest ik vroeger de bezem nog al eens gebruiken, om in de zwermtijd de grond vóór de kast schoon te vegen, nu was dat helemaal niet nodig. Op de vliegplank wagen de mezen zich niet, want zij zijn als de dood zo bang voor een vliegende bij; zij blijven op een respectabele afstand van het vlieggat, en als nu het toeval wil, dat een dode bij wat te dicht bij het vlieggat op de grond ligt, dan is het vermakelijk te zien, hoe het vogeltje als een echte kwajongen zich een ogenblikje onder de vlucht waagt, om zijn prooi te pakken en dan heel snel retireert. Op de drinkplank, waar soms een paar honderd bijen tegelijk water komen halen, zie je de mezen evenmin, omdat daar altijd bijen af- en aanvliegen. Zelfs de invaliden, die op de grond rondkruipen, laten ze meestal met rust.
Met dit relaas hoop ik de moordpartij aan de stille vijverrand te Renkum voldoende te hebben verklaard: drinkende bij = dode bij.
HEILOO, 20 April 1936. S. DE JONG.
Naschrift Red. We hebben geen reden de waarnemingen van bosbaas Verweyden in twijfel te trekken, evenmin als die van dhr. de Jong. Beiden kunnen dus gelijk hebben. De slotconclusie van dhr. de Jong is mij echter niet recht duidelijk. RED.