Het plaatsen van bijenvolken op de heide.
Ieder jaar komen tal van vragen binnen om eens mede te delen, waar men het best met zijn bijen naar toe kan gaan om de meeste kans te hebben heidehoning te winnen en elk jaar moet ik volstaan met die plaatsen te noemen, welke als gunstig voor de heideoogst bekend staan.
Het gevolg hiervan is, dat sommigen zeer teleurgesteld worden, want een heideveld dat b.v. in 1935 goed "honingde", kan het in 1936 geheel laten zitten, terwijl het niet tot de onmogelijkheden behoort, dat een veld, dat gewoonlijk als "slecht" staat aangegeven, eens een enkele keer volop honing geeft.
Er zijn tal van factoren, welke tot een al of niet goed honingen in een bepaald jaar van invloed zijn, doch zeker is het, dat, indien de plant zich niet behoorlijk heeft kunnen ontwikkelen, de kans op een behoorlijk gewin zo goed als uitgesloten is.
In de omgeving van de Holterberg tracht men door het plaatsen van regenmeters te weten te komen of de regenval ook grote invloed heeft.
De heide is een heestertje, dat veel water behoeft vooral in de groeitijd; oude imkers zeiden ons immers reeds, dat de bijenwagen door de modder moet rijden, m.a.w. de grond moet kletsnat zijn. Veenheide geeft, daarom dan ook gewoonlijk de meeste kans.
Het weer gedurende de bloei is eveneens van grote invloed op het heidegewin en zo kan het voorkomen, dat bij een overigens hoopgevende heide de honingkamers leeg blijven. Zelfs komt het voor, dat hoewel het zonnetje lekker warm schijnt en de heide lange bloeiende scheuten heeft, het gewin op zich laat wachten. Wellicht zit dan de wind in de verkeerde hoek of spelen andere factoren ons parten.
Uit een en ander blijkt wel duidelijk, dat het onmogelijk is, om met enige kans op zekerheid voorspellingen te doen.
Wie naar de heide wenst te trekken, zoeke zelf een plaatsje uit, of vraagt inlichtingen aan een ter plaatse wonend imker. Zijn de voorlopige berichten gunstig, dan moet tóch een heidereis geriskeerd worden; ook hier geldt het, dat het kalf nog niet zeker is in de koe.
Kunnen we van de heideverwachtingen dus weinig positiefs zeggen en er in geen geval op bouwen, een andere kwestie is de toestand van de bijenvolken. Heidevolken moeten bijzonder uitmunten in volkssterkte en overigens geheel voor dit speciale doel zijn aangepast.
Het liefst gaat men met volken met jonge moer naar de heide en zulks niet het oog op het niet denkbeeldige heidezwermen.
Gaat men met oude moeren naar de heide, dan verdient het aanbeveling in ieder geval de vleugels te knippen. Mocht dan een zwerm afkomen, dan zijn de bijen voor het volk niet verloren. Ook heeft men vaak baat bij het opsluiten van de moer gedurende een dag of 14 in een moerkooitje. Dit moerkooitje legt men op de ramen van de honingkamer. Plm. 14 dagen later inspecteert men de broedkamer op eventuele moercellen, deze worden afgebroken en de moer weer vrijgelaten. De kans op zwermen is dan zo goed als uitgesloten, terwijl, door gemis aan op te kweken broed bij behoorlijke dracht heel wat meer bijen hieraan kunnen deelnemen.
Ook dient men te zorgen, dat de volken, welke naar de heide zullen gaan, de broedkamer geheel met broed gevuld hebben; zij zullen dan spoediger de honing in de honingkamers opbergen.
Beschikt men niet over voldoende broedramen, dan kan men bij Simplexkasten de broedruimte verkleinen door een zgn. "blok", waardoor de broedruimte tot op 7 raampjes wordt ingekort.
De ervaring leerde verder, dat vooral op de heide koninginneroosters liever moeten worden weggelaten. Men komt toch stellig wel eens naar zijn volken kijken en mocht het blijken, dat de moer in de honingruimte gekomen is en daar broed heeft, dan kan men altijd nog het moerrooster leggen na de moer weer naar beneden te hebben gebracht. Het voordeel is nu, dat de bijen stellig in de honingkamer blijven werken, althans als er dracht is.
Men kan ook zijn kast uitrusten met b.v. 8 raampjes met broed en rechts en links een raam hangen met een streepje voorbouw. Bij enige dracht zullen de bijen het raampje volbouwen en met honing vullen. Zo kan men zelfs bij een matige heidedracht toch nog raathoning winnen. Als men dan in horizontale richting in het midden van een raampje een latje aanbrengt en aan elk latje een stukje voorbouw bevestigt, dan wordt die kans nog groter.
Wij kunnen dus op de heidebloei geen invloed uitoefenen, doch wél onze volken zo goed mogelijk voor de heide geschikt maken. Wij geven dus de raad: ga nimmer met zwakke volken op reis, zelfs niet met matig sterke. Ga liever met vijf sterke, dan met tien matige volken de heidereis aanvaarden. Mocht ge tóch willen gaan, dan weet ge al bij voorbaat, dat het al bizonder goed moet honingen om nog overproductie te krijgen.
JOH. A. JOUSTRA.