Het winnen van raathoning in kasten.


III
Wat volk en woning betreft, moet gezorgd worden dat:

1. Het volk flink sterk is.
De honing, die door een volk wordt verzameld, wordt geborgen om het broed. Naarmate een volk meer of minder honing haalt, wordt de ruimte om het broed meer of minder met honing volgestopt. Bij goede dracht wordt geen celletje leeg gelaten en de gevulde cellen worden dikwijls nog iets verlengd, opdat er maar veel honing kort bij 't broed geborgen kan worden (spekruggen, honinggordels). Zijn er cellen leeg gekomen door 't uitlopen van 't broed, dan worden ook in die cellen, als de moer er niet vlug bij is geweest om direct na het schoonmaken van de cel er een eitje in te leggen, honing geborgen. Is vlak om 't broed geen plaats meer en houdt de dracht aan, dan moet de honing verder van het broednest geplaatst worden. We hebben gezien, dat de bijen de honing graag kort bij 't broed houden. Hieruit volgt, dat in een raathoningraam van een laag model, de bijen liever zullen gaan bouwen dan in hetzelfde raam dat een hoog model heeft.
Is het volk minder sterk, dan zal dit de te verzamelen honing gemakkelijk om 't broed (in de broedkamer) kunnen bergen en zal niet veel raathoning geoogst kunnen worden.

2. Het volk tegen de dracht op het hoogtepunt is, d.w.z., dat met 't begin van de dracht, die ons de raathoning zal moeten brengen de kast vol met bijen zit (liefst jonge) en dat er veel broed (liefst gesloten en uitlopend) aanwezig is.
Dit kunnen we bevorderen, door 6 à 7 weken vóór de dracht de koningin veel eieren te laten leggen. We moeten dan zorgen, dat er steeds veel lege cellen onder 't bereik der moer zijn. Is er om die tijd dracht, dan zullen deze cellen spoedig belegd zijn, is er geen dracht, dan moet speculatief gevoerd worden, d.i. iedere avond een klein beetje (een half bierglas vol) dunne suikeroplossing.
Jonge bijen gaan langer mee, terwijl de sterfte weer wel aangevuld wordt door 't uitlopend broed.

3. Behalve de raathoningraampjes, elke ruimte onder het bereik der bijen, dus ook alle raat, gevuld moet zijn, hetzij met broed (open of gesloten), stuifmeel, honing of anderszins. Is dit niet het geval, dan zal de eerst gewonnen honing in de broedkamer gedragen worden, hetwelk ten koste gaat van de raathoning die in de hiervoor bestemde ramen (honingkamerramen) welke in een aparte ruimte (de honingkamer) zijn aangebracht.

4. De plaats waar de raathoning gewonnen zal worden, zomogelijk warm is en een weinig afkoeling heeft.
De warmste plaats is ongetwijfeld vlak boven 't broednest. Waar de bijen van nature ook graag de honing boven 't broednest bergen, is dit wel de meest geschikte plaats voor de honingkamer. We kunnen de afkoeling tegen gaan, door de honingkamer goed af te dekken met isolerende stof, b.v. vilt, papier, stromat, stukken dekens of zakken enz.

5. De honingkamer niet te groot is.
We stellen ons dikwijls wel het gunstigste voor, n.l. dat de honingkamer helemaal vol komt en hoe groter de honingkamer, des te meer honing kan er in. Grote honingkamer en grote oogst lopen niet altijd parallel. De practijk leert, dat veelal de honingkamers te groot zijn. Een grote honingkamer betrekken de bijen niet zo graag (koud en groot afkoelend oppervlak). Is deze niet vol, dan zit in elk raam wat honing, terwijl er dan zelden een raam bij is, dat practisch geheel gevuld is. In een Simplex honingkamer gaat, als deze goed vol is, 30 tot 35 pnd. honing. Meestal is deze te groot en zal een honingkamer die ± 20 pnd. kan bevatten beter voldoen.
Om de lege ruimte onder 3 besproken en ook om de overtollige ruimte der honingkamer te vullen, wordt wel van klossen gebruik gemaakt. Deze kunnen massief zijn en hol en hebben het model van een veelvoud van een honingkamer- of broedkamerraam. Beter lijkt mij volk en woning zo in te richten, dat het gebruik dezer klossen niet nodig is.

6. Een klimraat in de honingkamer wordt aangebracht. Het best is hiervoor een uitgebouwde, nog niet bebroedde (maagdelijke) raat. Hierdoor hebben de bijen meer neiging in de honingkamer te gaan werken, dan dat alleen maar reepjes voorbouw voorhanden zijn. Een bebroedde raat betrekken de bijen nog liever, doch deze is bruin en kan niet voor raathoning dienen. Ook de naburige raten worden dan min of meer bruin uitgebouwd, doordat van de bebroedde raat wasdeeltjes worden afgebeten en voor de nieuwe raten gebruikt. Er zijn nog meer lokmiddeltjes, doch eenvoudigheidshalve zullen we die verzwijgen.

7. De voorbouw, dat zijn de reepjes kunstraat aan het bovenlatje, iets uitgebouwd zijn, voor de dracht begint. Dit kan, door dergelijke raampjes van een vorig jaar bewaard te hebben en ook, door ze 14 dagen vóór de dracht al aan te brengen en dan iets te voeren. Blijkt, dat in de honingkamer gebouwd wordt, dan mag niet meer met suiker, doch moet met honing gevoerd worden. De suikerramen in de broedkamer kunnen blijven zitten en als wintervoedsel dienst doen.

8. Een koninginnerooster zo weinig mogelijk wordt gebruikt. Het rooster oefent een remmende werking uit op het passeren der bijen. Hoe minder de stremming, des te sneller verkeer. De vrees, dat de koningin direct het broednest zal verlaten, om in de maagdelijke raat der honingkamer haar eieren kwijt te kunnen worden, is in de tijd van de heidedracht meestal denkbeeldig. Ook zijn er zelden lege cellen in de honingkamer voorradig. Als er gebouwd wordt is er dracht en dan wordt een cel al met nectar gevuld, vóór ze de volle lengte heeft. Bij aanhoudende sterke dracht is het daarom ook uitgesloten, dat de moer ook maar 1 eitje in de honingkamer zal leggen. Bij onregelmatige dracht komt het wel voor, dat er broed in de honingkamer komt als er geen rooster is gelegd. De hoeveelheid en kwaliteit raathoning is dan meestal zo gering, dat het broed niet veel schade doet.

9. Het raampje op de meest gunstigste plaats in de woning komt. In de meeste gevallen zal dit zijn in de honingkamer. Is het volk echter minder sterk en is het te voorzien, dat dit volk gedurende de heidedracht nooit de honingkamer zal bezetten, dan zal men, indien men toch raathoning van zo'n volk wil oogsten, de raathoningramen in de broedkamer kunnen hangen. Deze worden dan gehangen dáár, waar van nature de honing geborgen zou worden. Dat is bij koude bouw op de buitenste ramen en bij warme bouw op de achterste, d.w.z. die ramen, die 't verst van het vlieggat verwijderd zijn. Hier worden dan de broedkamerramen verwisseld met raathoningramen. Deze kunnen dezelfde grootte hebben als de broedkamerramen, doch kunnen ook kleiner zijn. Er kunnen b.v. honingkamerramen voor gebruikt worden en ook 2 of 4 kleine ramen, die in een broedkamerraam passen.

Daar het vaak voorkomt, dat, als een leeg raam tussen uitgebouwde ramen wordt gehangen, de laatste iets breder en dus de lege iets smaller uitgebouwd moeten worden en dit niet in 't belang is van 't gewicht en kwaliteit van de raathoning, kunnen bij een simplex 3 ramen weggenomen worden, om er 2 voor in de plaats te hangen. Bij koude bouw komen de 7 broedramen dan precies in 't midden, terwijl aan iedere kant 1 raathoningraam wordt geplaatst. Dit is een methode, waarbij zelfs bij slechte heidedracht de beste volken nog een weinig raathoning kunnen leveren.
Om precies te zeggen, waar de beste plaats in een bijenwoning is om raathoning te winnen, valt niet mee. Dit hangt o.a. af van de raammaat, koude of warme bouw, de maat der broedkamer enz. Een apart artikel met vele tekeningen zou dit misschien min of meer duidelijk kunnen maken.

10. De raampjes een goede vorm en de meest gunstige richting wordt gegeven. Een raampje mag in geen geval hoog en liefst ook niet te groot zijn. De bijen betrekken niet graag een hoog raam en het is zelden, dat zo'n raam geheel gevuld wordt. Een goede hoogtemaat is 10 à 12 c.m. Grote ramen worden eveneens zelden vol gebouwd en alleen volle ramen hebben volle waarde.

De richting der ramen is van groter belang, dan menigeen wel vermoedt.
Brengen we een zwerm in een grote broedkamer ener kast of in een wijde korf, dan kunnen we waarnemen, dat de zwerm kort bij 't vlieggat begint te bouwen om later ook het meer naar achteren gelegen gedeelte van de broedruimte te bezetten.
De beweging der bijen in een honingkamer, geplaatst op een broedkamer met lege ramen (simplex) is precies hetzelfde. De ratenbouw in de voorste helft is steeds verder dan in de achterste helft der honingkamer. Soms lijkt dit niet zo, omdat een klimraat gebruikt wordt. Zetten we de honingkamerramen in warmbouw, dan zullen we groter % volgebouwde ramen krijgen dan wanneer ze in koude bouw geplaatst waren.

Bovenstaande tekeningen kunnen dit verduidelijken. In beide honingkamers A en B zit evenveel honing en ook op dezelfde plaats, n.l. aan de zijde van het vlieggat. Bij A is niet één raam dat gevuld is, terwijl bij B 5 ramen gevuld zijn en maar 3 gedeeltelijk.
Hebben we de ramen in koude bouw staan (A), dan kan het gebeuren, dat in alle ramen wat honing zit en niet één raam geheel gevuld is. Dit is onmogelijk bij warme bouw (B).
Willen we de raathoning zo goed mogelijk laten verzegelen, dan moeten volgens sommige imkers de volken niet te haastig worden opgehaald van de heide. Wie heeft hieromtrent ondervinding?
Behalve de gewone manier is er nog een meer kunstmatige wijze van raathoning winnen. Bij gelegenheid hierover eens meer.

Hebben we eindelijk mooie raathoning geoogst, dan rest ons nog een zeer voorname taak, n.l. deze te verzilveren. Wie kan en wil ons hier een lesje in geven?

BABBERICH. G. MEIJER.


Een schitterende honingstand als voorbeeld voor andere tentoonstellingen.