De Bijenwolf.
(Onderstaand stuk werd ons door dhr. F. J. de Bruin te Huizen ter plaatsing aangeboden, waarvoor onze dank. Red.)
Huizen en de Wolfskamer.
Werkelijke wolf en de oorsprong van de naam.
De bijenwolf en haar bestrijding.
Wanneer accijns op Z.-Amer. honing?
In antwoord op Uw schrijven van 2 dezer heb ik de eer U te berichten, dat reeds in begin 1400 de Wolfskamer onder die naam bekend was.
De naam is waarschijnlijk afkomstig van het voorkomen in die of nog vroeger tijd van wolven in het Gooi, daar mij bekend is, dat in deze omgeving wel op wolven jacht werd gemaakt. Zo meen ik mij te herinneren, dat zelfs in wat later tijd te Loenen grote netten werden bewaard, welke bij de wolvenjacht werden gebezigd.
Met het voorkomen van de bijenwolf heeft deze naam naar mijn overtuiging niets gemeen.
De Voorzitter van het Bestuur van Stad en Lande van Gooiland,
E. LUDEN.
Alhoewel het bovenstaande ons in hoge mate interessant moet voorkomen en ons ten zeerste met verbazing moet vervullen, dat omstreeks 1400 nog wolven in het Gooi voorkwamen en rondom ons dorp zwierven, zodat er jacht op gemaakt moest worden, toch moet het ons enigszins met teleurstelling vervullen, dat door dit bericht onze gegevens en vermoedens omtrent de bijenwolf (Philanthus Triangulum) en haar voorkomen in vorige eeuwen in Holland ontnomen worden.
Wat wij overhouden is een vertelling van een oude visser uit Huizen omstreeks 1922 gedaan, die beweerde, dat de Wolfskamer aan de bijenwolf haar naam ontleende en menig keer tegenwoordig was geweest bij het uitgraven van deze wespensoort door imkers, welke zich als fanatieke verdelgers deden gelden, omstreeks 1895. Wat wij overhouden aan verdere gegevens, berust op eigen waarneming in Juli 1924, 's avonds om ± 7 uur. Nog eenmaal in 1928 en verder natuurlijk in 1934 en 1935, nu welhaast elke imker haar als een geduchte bijenvijand en -rover heeft leren kennen.
Alhoewel het dus slechts twee absoluut vaststaande feiten van voorkoming zijn, n.l. omstreeks 1895 en in 1924, kunnen wij daaruit toch afleiden, dat de bijenwolf, alhoewel zo goed als onbekend, toch steeds aanwezig moet zijn geweest doch alleen de laatste 3 jaren zich als een ernstige belager van de honingbij heeft doen gelden, door grote, zich in N.O. richting voorwaarts trekkende kolonies.
Merkwaardig is daarbij, dat, waar het ene jaar de bijenwolf werd bestreden, 't volgend jaar daar de Philanthus Triangulum niet nestelt. De trek is geweest via Limburg, de Veluwe, 't Gooi en in 1936 zal vermoedelijk het insect in grotere getale aanwezig zijn dan tot dusverre, om in 1937 de trek over de zee aan te vangen? als zij ooit daar de gelegenheid toe krijgen, want in Huizen zijn sterke bestrijders! Ik weet een fabrieksarbeider, G.V., die in zijn vrije tijd nog kans ziet 10 bijenvolken te verzorgen, die ver over de 1000 Philanthussen opgroef en doodde in de Wolfskamerterreinen.
Mijn aandeel is waarschijnlijk beneden dit, doch heb meer, mede op verzoek van den Rijksbijenteeltconsulent, den Weled. Heer L. van Giersbergen te Wageningen, proeven genomen in verschillende richtingen en op welke wijze de Philanthus het beste, 't gemakkelijkst en 't goedkoopst bestreden kan worden. Hiervan wil ik u het een en ander vertellen en tenslotte slechts 3 methodes propageren:
1e methode: contactbestrijdingsmiddelen, spuiten met vruchtboomcarbolineum tegen vliegende en zittende exemplaren. Resultaat: veel vloeistof verspuiten, weinig succes, dus te duur.
2e methode: gassen, als cyaan en zwaveldamp, dringen niet voldoende in de bodem door in de gangen van 4- 40 cm. diep, vliegende exemplaren worden getroffen. Resultaat: gering.
3e methode: maagbestrijdingsmiddelen als nicotine, loodarsenaat ter bespuiting tegen de worm in appels en peren, niet toe te passen. Philanthus neemt geen vloeistof op in natuurstaat. Resultaat uitgesloten. Zelfs dode bijen in reukloze vloeistof gedrenkt, worden niet aanvaard.
4e methode: schimmels. Bijen en bloemen besmetten met schimmel Beauveria en Absidia. Bijen, bloemen zijn besmet, de Philanthus een bloem bezoekend of een bij rovend, wordt besmet en de door haar gelegde eieren en de larve beschimmelen.
Deze methode is niet door mij toegepast en ik zal er niet licht toe overgaan ook. Persoonlijk heb ik door schimmelbesmetting zulke verschrikkelijke gevolgen in de natuur gezien (die mij duizenden guldens kostte) dat ik van deze plaats waarschuw tegen deze methode, tenzij proeven in laboratoria met zekerheid uitwijzen, dat Beauveria niet op de bij gedijt en ook na een lange winterzit geen mycelium of conidien afsnoerende massa op de afgestorven bijen wordt gevormd, opdat wij niet op een gegeven tijd uitroepen: wij zijn Philanthus Triangulum kwijt, doch helaas het middel was erger dan de kwaal! Sporen van de grondschimmel Absidia verstuiven in nestkolonies is m.i. ongevaarlijk.
5e methode: het wegvangen met een netje, voor vlindersvangen in gebruik. Deze methode is mogelijk en weinig kostbaar, de gevangen exemplaren moeten worden gedood, wat 't beste geschiedt door ze in een flesje brandspiritus te deponeren.
6e methode: opgraven van de wallen waar de Philanthus Triangulum zich genesteld heeft; deze zullen wel steeds aan de Zuidzijde, Zuid-Westzijde, van zandgraverijen of zand- of leemkuilen gevonden worden. Ook hier opgespitte larven, poppen of volwassen insecten in een fles spiritus (met wijde hals) deponeren, waarna het insect onmiddellijk onschadelijk gemaakt is en hierin naar believen jaren bewaard kan worden. Het uitgraven kost veel tijd en inspanning.
7e methode: Jacht maken op bijenwolf met vuurwapen en luchtdrukgeweer. Dit is de methode, welke ik vond als het gemakkelijkste, het snelste en waarschijnlijk het goedkoopste. Het schot van een jachtgeweer (10 cent) is natuurlijk in geen verhouding ten opzichte van een insect ter grootte van een wesp. De 9 m.m. buks met hagelpatroon is ook nog te veel schotwaarde (2 1/2 cent). De 6 m.m. bukspatroon met hagel of kogel à 1 cent is bruikbaar, doch 't kan nog niet minder toe, n.l. met windbukspatronen à 10 cent per 100. Proeven in 1935 genomen, gaven 80 à 90% treffers, zelfs het opspattende zand van een kogeltje, dat 2 à 3 cm. naast het insect ingeslagen is, is voldoende om het vleugellam te slaan en het kan opgenomen en in een flesje spiritus gedeponeerd worden.
Deze methode lijkt mij de aangewezen weg, zij is het minst vermoeiend. het snelste en voor 10-15 cent per 100, dus zeer goedkoop.
Het uitgraven toch kost enorm veel tijd en inspanning. Voor grote kolonies, welker nesten ver uiteen verspreid liggen, is het zelfs ondoenlijk en op vele terreinen mag men niet graven. Er op uitgaan alleen of tezamen met een windbuks en een flesje spiritus en in een paar uur zijn een 100-tal rovers onschadelijk gemaakt voor onze bijenstand.
Hiermede wil ik dus besluiten: in Juli en Augustus opgelet, en of met een vlindernet, of met de schop, of met de windbuks en een fles spiritus, Philanthus Triangulum attaqueren en haar de verdere verovering van ons land niet toestaan en het gewonnen terrein doen verliezen. De wapens ter hand genomen tegen deze vijand.
Ik zou onvolledig zijn voorzover in dat beknopte stukje volledigheid mogelijk is, nog niet enkele opmerkingen te maken en wel deze: Voor hen, die de bijenwolf nog niet zagen, de grootte van Philanthus Triangulum verschilt weinig van de gewone wesp (Vespa Sylvestris), heeft echter geler achterlijf met bruine ringen en een gele, platte kop. Zij is geen rover of roofster, die onze volken in zijn geheel aanvalt, doch zij haalt de nuttigste gedeelten van het volk weg, n.l. de honinghaalsters, tijdens het honingpuren, en dunt de gelederen, zodat juist de extra hoeveelheid honing, welke een bijenvolk kan produceren, niet wordt verkregen en de rentabiliteit van bijenhouden ten zeerste vermindert.
De rentabiliteit van de imkerij is toch al niet bijzonder groot, mede door het onbegrijpelijke feit, dat op suiker, welke uit ons eigen Indië komt, een accijns van ± 26 cent per K.G. wordt geheven en honing uit Zuid-Amerika vrijwel accijnsvrij kan worden ingevoerd, daar die voor 25 cent per K.G. verkocht kan worden. Het moet dan ook verwondering wekken, dat niet een zelfde accijns op beide is gelegd, wat enige millioenen zou opbrengen en de Nederlandse Imkerwereld van buitenlandse concurrentie zou verlossen.
Hierdoor zou het mogelijk zijn, dat het mooiste bedrijf op land- en tuinbouwgebied weer een rendabel en lonend bedrijf wordt en de plaats verkrijgt, die het toekomt.
Dat wij in 1936 verlost mogen worden van de bijenwolf en van de buitenlandse accijnsvrije honing-invoer (5 ct. per K.G. Red.), opdat in de toekomstige Zuiderzeepolders renderende honingzemerijen kunnen verrijzen.
F. J. DE BRUIN.
Dit stuk werd verzonden: aan Z.E. den Minister van Landbouw ter overweging accijnsheffing op Z.-Amerikaanse honing; aan den Weled. Geb. Heer E. Luden in dank voor inlichtingen, welwillend verstrekt; aan den Weled. Heer L. van Giersbergen, Rijks Bijenteeltconsulent te Wageningen, in verband met over de bijenwolf gevoerde correspondentie; aan den Weled. Heer Joh. Joustra, secr. der Vereniging ter Bevordering der Bijenteelt in Nederland, ter beoordeling en publicatie; aan de redactie van het Handelsblad, Telegraaf en de Verenigde Gooise Bladen ter publicatie, terwijl overname door andere bladen wordt verzocht.
Inmiddels dank aan Drukkerij J. Bout, Waterstraat, Huizen.
Onderschrift.
Geachte Redacteur,
Het moet ons allen slechts verheugen, dat velen zich geroepen voelen al naar hun "gebekt-zijn" veel te praten en te schrijven over de bijenwolf. Ieder zal in een bepaalde kring belangstelling wekken en het zal diegene, die geheel in beslag genomen worden, om door zeer tijdrovende onderzoekingen enkele feiten werkelijk vast te stellen, ontheffen van dit onplezierige werk. Moet ik bovenstaand epistel van een onderschrift voorzien, dan bepaal ik mij tot enkele essentiele punten.
1. Het is mij niet recht duidelijk, waarom iemand, die zo dicht bij mij woont, niet de zo aangeboden samenwerking heeft gevraagd; of althans het genoemde vele opgegraven materiaal niet ter beschikking heeft gesteld, wat vele anderen uit ons land wel deden Immers voor proeven kan eigenlijk nooit genoeg materiaal gezonden worden.
2. Dat „Phil. geen vloeistof in natuurstaat opneemt" is niet juist. (Wij willen schr. ook in deze zin begrijpen). Zowel mn. als vr., hetzij vrij in de natuur, hetzij in gevangenschap, nemen ook water tot zich in welke vorm het ook geboden wordt; verder natuurlijk nectar. Maar ook honingwater wordt met graagte opgelikt, zelfs als dit vergiftigd is met arseenzurekali waaraan ev. óf muscustinctuur óf amylnitriet is toegevoegd. Niet als bestrijdingsmiddel toepassen.
3. Over de schimmel Beauveria. Wij behoeven er heus niet bang voor te zijn, en dergelijke verdere proeven zijn niet nodig, vooral geen laboratoriumproeven. Immers uit vrijwel alle dode insekten welke slechts kort buiten vochtig gelegen hebben is Beauveria te kweken, ook uit bijen uit korven en kasten, vooral als deze vochtig of bedompt staan. Juist niet na lange winterzit; ook in dat jaargetijde groeit de schimmel niet best, maar vooral in vochtige zomermaanden zitten dode bijen altijd vol en toch is nog nooit een Beauveriaziekte bij de bijen waargenomen. In mijn aantekeningen (Dec. en Nov. '35 Groentje) staat ook zeer duidelijk, hoe Beauveria meestal over de dode bijen de doodsoorzaak van Phil. kan worden.
4. Laat ieder de hem het best lijkende bestrijdingsmethode toepassen, maar het dan ook doen; zelfs zo'n 100-tal helpt al, vooral als onze 12000 imkers er zoveel per dag vingen, was Phil. spoedig weer een zeldzaam insekt in ons land, maar.., dan vooral de spiritus voor de bijenwolf gebruiken!!
F. W. BEEKHUIS VAN TILL.
Aanvulling 2.
Aantekeningen over de bijenwolf
Koudeproeven. De natuurlijke winterperiode. Vost van - 9°C. werd zonder enig letsel verdragen
1. normaal in nestholte;
2. opgegraven in los zand liggend;
3. op de grond uitgestrooid, proef mislukt, cocons later opgegeten door Bonte kraaien en Eksters;
4. in petrischaaltjes droog aan de winter blootgesteld.
Opgravingen. Het in de winter opgegraven materiaal (Laren-BlaricumBussum-Holl. Rading-den Dolder-Ommen) leidde tot volgende opmerkingen. Verhouding vr.-mn. ongeveer gelijk.
Een groot deel der cocons was beschimmeld, bij kultuur thuis bleken dit steeds weer de twee soorten en wel Beauveria 9 maal zoveel als Absidia. Deze zouden dus vrijwel overal voorkomen. Voor de praktijk zou hieruit te besluiten zijn, dat omgraven reeds een goed bestrijdingsmiddel zou zijn. Het beschuttende luchtlaagje van de nestholte wordt verstoord, de cocons komen niet grond in aanraking en zullen beschimmelen. Dit geldt dus voor humusachtige gronden, voor fabrieksterreinen of opgebrachte zandgronden zou dit niet voldoende zijn.
Nestplaatsen. In Nov. en Jan. werden nesten gevonden in vlakke grond van hard getrapt grasland (zgn. Driest). De gangen waren ongeveer 15 c.m. eerst gebogen, dan bijna horizontaal, soms iets stijgend, einde naar nest sterk dalend. Dus twee punten: a. wèl nesten in vlakke grond (ook bevestigd door berichten uit Kootwijk en Vught, waar nestgaten tussen plaveisel) en b. wèl nesten in met grasbegroeide grond.
Lijmstokjes en schietgeweren. Hiermede kan men zeker ook wel enkele Phil. vangen, als algemeen bestrijdingsmiddel aan te raden zou te ver gaan.
Vijanden. In Juni-Juli '36 kwam de parasietvlieg reeds in grote getale door het Gooi voor. Phil. helaas ook nog.
Als verdere vijanden werden gevonden een spin (een Nemesia-soort? althans fam. Atypidae) en een wespje (fam. Chrysididae).
Stuifmeelloosheid der ingedragen bijen. Vast staat, dat bijen niet afzonderlijk honing of stuifmeel halen. Daarom werden in een speciaal insektarium met Phil., bijen toegevoerd, welke of geheel met stfm. bestoven waren (Cirsium arvense) of reeds klompjes hadden (Cirsium en Epilobium) nadat zij met honing verzadigd waren. Geheel bestoven bijen worden wel als „likbijen" gebruikt, niet ingedragen.
De bijen worden door Phil. zelf van stuifmeel gereinigd.
De gep. bij met de middelpoten tegen zich aandrukkend hangt Phil. aan de achterpoten en poetst met de voorpoten de bij schoon van voren. Dan van houding veranderende wordt een loodrechte stand ingenomen, met de kop omhoog en met de achterpoten het achterlijf en speciaal de korfjes van de bij schoongekrabd. Bekijk daarvoor eens de stekels en haren aan de poten van Phil.
Het ei-leggen. Aan hen, die daartoe in staat zijn wordt, alleen ter wille van het feit, gevraagd te willen waarnemen
1. Of inderdaad altijd het Phil. ei op de beschreven wijze wordt gelegd. Dus, de micropyle eerst te voorschijn zou komen, daar dit in strijd zou zijn met de Wet der Orientatie van Paul Hallez, 1886 (zie Loi de l' orientation de l' embryon chez les Insectes. C. R. Acad. Sci Paris C 111 p. 606-608). Aangenomen, dat de micropyle tevens altijd aan het cephale einde van het ei ligt bij de insecten.
2. De Parthenogenese bij Philanthus.
F. W. BEEKHUIS VAN TILL.