Propagandawerk in Kennemerland.


In de tijd, toen vredesbewegingen helaas nog niet bestonden, en oorlog ten minste nog mannenmoed vereiste, waren Vlaanderen en Holland, broedervolken, aan het twisten, dom genoeg. Nu hebben we hier in Kennemerland aan het Manpad nog een gedenkteken van mannenmoed, die huis en hof en vrouw en kind verdedigde, en die overwon.

Mannenmoed van grotendeels eenvoudige luyden. Maar nu strijden wij imkers evenzeer met mannenmoed een zware strijd aan twee fronten. Nog hebben we niet getriomfeerd, doch jaar voor jaar houden wij in eenvoud en taaie volharding vol, ook in een strijd voor vrouw en kind. Want in deze zenuwafmattende tijd werken we onder de huismoeders voor het gebruik van inlandse honing, voedingsmiddel bij uitnemendheid. Dat is door de intense propaganda in onze afdeling de ene strijd. En de andere: Domheid, dwaze angst en traagheid hinderen de bijenteelt. Bijenhoude : opvoedend voor jonge mensen, afleiding na zware arbeid, een prachtbezigheid voor werklozen. En wat is zoeter dan eigengewonnen honing ?

Alle afdelingen onzer Vereniging voeren mee dezelfde strijd; hun verslagen in het tijdschrift getuigen ervan. Die berichten waardeer ik, vooral na persoonlijke kennismaking met twee vooraanstaande persoonlijkheden van elders.

De eerste van hen was de jonge oude Tukker uit Ossendrecht; ik hoorde zijn warme causerie in onze afdeling. Hij sprak zo mooi en toch zo amicaal, dat ik zelfs „de heer" vóór zijn naam vergeet. Na hem kwam de opgewekte, jolige heer Joustra in vijf avonden zijn cursus geven, leerrijk, overvloeiend van vakkennis. Evenwel, al laat ik alle bovenbedoelde berichten in hun waarde, we hebben ons hier in Haarlem zo manhaftig geweerd, dat we zeker niet de minste onder de zusterafdelingen zijn. Voorop als aanvoerder en strijder ging de voorzitter, Dr. Bruyel. Vleierij is mijn vak niet; mijn strooppot is ledig. Recht is echter recht. Onder leiding van dezen voorzitter is propagandistisch, practisch, theoretisch en toch gezellig gewerkt. Propaganda in school en maatschappij, practijk in korf en kast, theorie op cursussen en Dr. Br.'s eigen voordrachten; gezelligheid op de vergaderingen. Bibliothecaris Faber hielp hem. Hij is dankbaar, maar niet voldaan; de goed voorziene bibliotheek moet meer gebruikt worden, de buitenlandse tijdschriften moeten in ruimer kring gelezen worden. Secretaris Boot zendt namens het Bestuur beredeneerde, uitgebreide convocaties rond, met wenken over de bijenteelt, met samenvatting van vergaderings- en verenigingsnieuws voor thuisblijvers, die niet konden komen.

Want willen komen doet de grote meerderheid der leden; ik zei het reeds, de bijeenkomsten zijn leerrijk en gezellig. Een lijstje van overige ijverige bestuursleden heeft geen nut, daar hun namen buitenaf toch niet gekend worden. Ook zonder namen te noemen kan ondergetekende als lid van hun werkkracht getuigen. Op een aantal excursies bleek die. Al kon ik zelf niet meegaan, ik hoor er niets dan goeds van. Weten echter mensen, die nooit achter de groene tafel zaten, wat voorbereiding, initiatief, organisatie is?

Waar ik in andere richting wel eens met die bijltjes hakte, voel ik, hoeveel het hele bestuur deed. Natuurlijk is ook onder de leden hard gearbeid, en zijn enigen naar voren getreden. Ik noem den heer Been, die het onderwerp behandelde : „Hoe verkrijgt men in het voorjaar zo vroeg mogelijk sterke volken''? Daarnaast Dr. Schutte, die een reeks fraaie lichtbeelden liet zien. De heer Faber toonde in een Mellonakorf prachtige raathoning. De heer Jutr. Bastiaanse gaf een fijne cursus voor jongelui. Veel, veel te weinig jongeren kwamen; gelukkig waren er ook ouderen aanwezig, die jong wilden blijven. Een groot aantal leden brachten op elke vergadering mooie bouquetten honingbloemen mee, en versierden zo meteen ons lokaal. Mocht ik nu het werk of de namen van enige leden vergeten, het zij mij vergeven. Op de stand is door allen gewerkt, laat ik blijven zeggen gestreden.

Te lang mag mijn verslag bovendien niet zijn; anders weigert de Redacteur mij, en we zouden graag een plaatsje in het "Groentje" hebben, al komt door treurige familieomstandigheden mijn schrijven zeer laat. Ik leg dus mijn pen neer, maar evenmin als wie ook van ons Kennemers de strijdbijl. Die zwaaien we. En als tegenwerking of laksheid niet gauw oppassen, hebben we elk enige duizenden bijenangels ter beschikking: daar zijn ze bang voor.

HAARLEM, 29 Mei 1936. J. M. DIEPENHORST.