Stand der wetenschap, over het leven der bijen, in het midden der 18e eeuw.


Overgenomen uit: Algemeen huishoudelijk-, natuur-, zedekundig- en kunstwoordenboek door M. Noelchomel, tweede druk, geheel verbeterd en meer als de helft vermeerderd door J. A. Chalmot. - Te Leiden bij Joh. Le Mair en te Leeuwarden bij J. A. de Chalmot. MDCCLXXVIII.

De werkbijen werden "muilezels" genoemd en de mannelijke bijen "brommels". Wijfjes of moerbijen werden gemeenlijk aangeduid met de naam van "koningin". Net als nu. Op zijn hoogst waren er van deze, tot in de herfst, drie in één korf.
De "muilezels" hadden borsteltjes aan de achterpoten, om was te vergaren en waren noch van het vrouwelijk noch van het mannelijk geslacht.
De "snuit" was het wonderbaarlijkste instrument, dat ooit gemaakt is. Kan er op één dag meer honing mee vergaren dan honderd scheikundigen in honderd jaar kunnen maken.
Propolis kwam van de knoppen der bomen, of een afscheidingsproduct uit het lichaam. (De hedendaagse wetenschap staat nog op hetzelfde standpunt).
Een mooie observatiekorf van glas, bovenop gesierd met een uitgesneden koningskroon, (als zinnebeeld der Koninklijke waardigheid?) luistert dit artikel op.
Was komt van stuifmeel. Meestal van gele kleur. Wordt in het lichaam verwerkt tot was. De larven werden gevoed met uitsluitend honing. (Erg diep was de wetenschap in die tijd nog niet doorgedrongen in het leven van dit insect).
De leeftijd van de "muilezels" of werkbijen was niet bekend en berustte alleen op de gegevens van: Virgilius, Plinius en Cardanus, welke spreken van zeven, tien en twaalf jaar. (Een werkbij wordt in de zomer hoogstens zes weken oud).
Korven waren beter van roggestro dan van hout. Voor de vlieggaten had men plankjes, z.g. wandelplaatsen bij mooi weer. (Zeker zo iets als de Pier te Scheveningen).
De prijs van de honing was omstreeks 1750 vier stuivers per pond, was gold vijftien stuivers.
Als verzachtingsmiddel voor bijensteken wordt aangegeven: urine, azijn, koeiendrek, boomolie, koud water, lemmet van een mes of geldstuk, gehakte of gestampte peterselie. (Een erg hygiënische behandeling).
In 1750 werden op 2 Mei, bij de blauwe sluis, te Zevenbergen gelegen, twee paarden welke voor een slede (wat was het toen nog laat winter) gespannen waren, dood gestoken. Ook in 1762 werd in Engeland een man en paard dood gestoken.
Om het roven der bijen tegen te gaan werd aanbevolen: fijn gemalen wortel van wit nieskruid vermengd met honing. Hiervan zouden de bijen dood gaan.
De schrijver wijst er vooral op om zwakke volken en zwakke zwermen te verenigen tot één sterk volk. Alleen sterke volken kunnen veel honing produceren. (Net als nu).
Ook spreekt hij van "Juffer- of Maagdehoning", welke verkregen werd door uitlekken. Honing werd ook al vervalst en wel met zeer fijn meel. Om hem witter te doen schijnen. Was kreeg men mooier en zuiverder door toevoeging van kristallen van wijnsteen.
Voor noodvoedering en bij gebrek aan honing werd aanbevolen een aftreksel van: pruimen, vijgen, rozijnen, met witte suiker.
Om de broedaanzet in het vroege voorjaar te bevorderen moest men de volken beroken met wierook, mastise, barnsteen of andere welriekende dingen.
Buikloop (roer) ontstaat door het bevliegen van de peperboom, wolfsmelk. Als middel om deze te genezen werd aangegeven: een halve muskaat, fijn gestoten, en bevergeil (?) ter grootte van een erwt, vermengd met twee lepels honing. Om de andere dag een lepel vol. Ook zoude zeer goed zijn: fijn gestoten galnoten met droge rode rozen, vermengd met honing.
De bijenpest was toen ook al bekend. Als middel ter genezing wordt aangeraden om het volk uit de korf te jagen en in een nieuwe korf doen.
Aan vrouwen hebben de bijen, volgens den schrijver, een hardgrondigen hekel. Wanneer men die bij zich heeft, of de reuk ervan, wordt men gestoken. (Wanneer dit nog zo was, waar zouden wij, imkers, dan met onze vrouwen en jonge dochters heen? Denkelijk gebruikte het vrouwvolk van toen ook al voor de bijen kwalijk riekende geurtjes, waardoor ze bij de bijen in een "kwade reuk" stonden. Net als nu).
Om vroeg in het voorjaar zwermen te hebben moest men de uitgangen van de korven insmeren met schapenmelk.

Ook kon men met de bijen "konsten" vertonen, zoals uit het volgende blijkt en door de schrijver woordelijk is overgenomen uit een maandelijks werkje, uitkomende in Londen, en in dat van de maand Augustus 1766 staat het volgende:
"Monsr. Wildman van Plymouth, die zichzelf berucht gemaakt heeft door de Westelijke delen van Engeland, wegens zijn gezagvoering over de bijen, in de stad gekomen zijnde, gaf kennis aan Dr. Tempelman, Secretaris van de Sociëteit, die er is tot aanmoediging der konsten, Weetenschappen enz., dat hij hem deezen middag bezoeken zoude in zijn bijengewaad. Omtrent te vijf uuren kwam Mr. Wildman aan, door de stadt gebracht zijnde in een draagkoetsje. Hij had zijn hoofd en aangezicht bijkans bedekt met bijen, en een zeer deftige baard van bijen hing aan zijn kin." (Ook thans ziet men af en toe, in de fotopers, de man met de bijenbaard afgebeeld.) "De dames en heeren waren weldra overtuigd, dat zij niet bevreesd behoefden te zijn voor de bijen en derhalve gingen zij onbeschroomd naar Wildman toe en spraken met hem zeer gemeenzaam. Na een aanmerkelijken tijd aldus gestaan te hebben, gelaste hij de bijen zich te begeeven in den korf, die voor haar gebracht was, aan welke orders zij op "staanden voet" en met de grootste schielijkheid, "gehoorzaamden"."

In de maand October van hetzelfde jaar maakte hij nog een zeldzamer vertoning op de lustplaats van Lord Spencer, te Wimbledon in Surry, ten aanzien van dien Heer en Hoogen Adel.
"Zijn eerst verrichting was met eene zwerm bijen, hangende aan zijn hoed, die hij in de handt hield, en de korf, waaruit de bijen kwamen, in zijne andere handt. Dit was om de Graaf en de Gravin te overtuigen, dat hij honing en was uit de korf kon nemen, zonder de bijen te vernielen. Toen in de kamer terug gekeerd zijnde, kwam hij er wederom uit, met de bijen aan zijn kin hangende, als een zeer deftige baard. Na denzelfden dus aan het gezelschap vertoond te hebben, bragt hij ze buiten in de graslaan, tegenover het raam van zijne Lordschap, alwaar onmiddellijk een tafel gezet wierd, gedekt met een tafellaken. Hij zette de korf op de tafel en deed er de bijen weder inkruipen. Toen deed hij ze er weder uitkomen en in de lucht zwermen, staande de Heeren en Dames in het midden der bijen, zonder dat iemand er door gestoken werd. Hij deed ze altemaal op de tafel komen en nam ze op, bij handen vol, daar hij mede op en neer speelde, alsof het erwten waren doende haar, op zijn woord van bevel, in de korf kruipen. Omtrent te vijf uure des namiddags, deed hij nieuwe konsten met de drie zwermen tegelijk, de eene aan zijn hoofd, de andere aan zijn borst en de derde aan zijn arm. Dus ging hij naar binnen bij zijne Lordschap, die te zwak was om de eerste proeven te kunnen zien, wordende de korven door een van de knegts gedragen. Hij ging weder in de kamer, en kwam er uit met bijen over zijn hoofd, aangezicht en oogen. Dus werd hij, blind, voor zijn Lordschaps raam gebracht. Toen verzocht hij om een paard, het welke met een dekkleed gebracht werd. Hij steeg er op, met de bijen over zijn hoofd en aangezicht, behalve de oogen; aan zijn borst en armen hangende, met een zweep in zijn rechterhand. Het paard werd, door den stalknegt, eenige maalen, voor het raam van zijne Lordschap heen en weder geleid; vervolgens nam hij den toom in zijne hand, en reed rondom het huis, daarna er afgestegen, deed hij de bijen op een tafel kruipen, en beval haar weder in de korf te gaan; hetwelk ze aanstonds deeden. Dit alleen gaf groot genoegen aan den Graaf, de Graavin en alle de aanweezende personen".

Tot zover dit verhaal. Misschien is dit iets voor onze variété-artisten, welke ook al niet meer weten wat of ze het verwende publiek moeten presenteren.

RIJSWIJK (Z.H.) S. FRANKENHUIS.