Het testament van een imker ten behoeve van zijn tien-jarig dochtertje.
Je vader wil je iets achterlaten,
Opdat als je eenmaal groter bent
En ik niet meer met jou kan praten,
Nog dikwijls aan je vader denkt.
Veel beter zul je dán begrijpen
Waarom ik met jou menig uur
Sprak over 't leven van de bijen,
Over de wond'ren der natuur.
Ik wilde jou een bron aanboren
Waaruit te putten waar genot,
Waarbij je vrede en troost zult vinden
Zelfs bij een moeilijk levenslot.
Zoek niet bij mensen, beste Mea,
Troost in droeve ure; onthoud van mij,
Let wel, de meesten vallen tegen,
Moeder Natuur maakt weder blij.
Ben je soms later somber, treurig,
Kind, ga dán naar je bijenstal,
Stort daar je leed uit in de stilte
Vreugd in je ontwaakt, waar smart ze stal.
Zie je dán de zonnekinderen,
Bijtjes in tuin, in bos, in veld,
Het zij je of dán nog je vader
Veel van de bijtjes jou vertelt.
Laat bijen je tot voorbeeld strekken
Van netheid, orde, noeste vlijt,
Van plichtsbetrachting, hoor, voortdurend
Luidt toch haar antwoord: Beydt uw tijd!
De uren bij de stal met bijen
Zijn, geloof mij, altijd goed besteed,
Een school is hij voor geest en harte,
De béste stellig die ik weet.
Een ieder kan er gaan ter lering,
Geen onderscheid is er van stand,
Daar zit de werkman en de koning,
Zowel het groot als klein verstand.
De taal der bijen is wel de oudste,
Want aleer toch de mens bestond.
Werd ze gesproken én alomme
Door 'n volk, dat niet zijn weerga vond,
't Bijenvolk; wond're taal der bijen
Voor wie ook duidelijk te verstaan;
Ga dikwijls bij je bijtjes luist'ren
Je keert geleerder er vandaan.
Veel kan je van die diertjes leren
Nu reeds, en als je groter bent,
Want altijd hebben ze iets te zeggen,
Wanneer je maar volle aandacht schenkt.
Voor man en vrouw, voor jongen, meisje,
Voor 't practisch leven bovenal,
Geeft 't bijenvolk veel wijze lessen
Vanuit de zelfs meest schaamle stal.
Het schaart rond zich tal van geleerden
Van elke nationaliteit,
De oudste van de hogescholen
De bijen-universiteit!
Hoe oud, steeds doet zij van zich horen,
Want telkens nieuw is 't bijenjaar,
Nieuwe problemen, nieuwe raads'len
Volgen verrassend op elkaar.
Het doet den imker medeleven
Met de natuur, met bloem en plant,
Ontsluiert hem wat was verborgen,
Verscherpt diens blik, scherpt het verstand.
Dát maakt het omgaan met de bijen
Juist zo aantrekk'lijk; voor hart en geest
Biedt het onovertroffen voedsel,
Ik ben ze er dankbaar voor geweest.
De omgang met de mensen, Mea,
Brengt niet altijd het hoogste goed,
Hij maakt vaak geest en harte armer,
Steelt vrede en vreugde uit 't gemoed!
Kan zelfs één mens je veel ontleren,
De dieren brengen wijsheid aan;
Gelukkig wie ze kan begrijpen,
Hun taal volkomen kan verstaan!
Hij vaart er wel bij in dit leven,
Dat toch niet anders is dan schijn;
Ga dikwijls met je bijtjes praten
Mea, je zult gelukkig zijn.
Verzorg ze steeds, zoals een moeder
Vol liefde zorgt voor elk haar kind,
Haar dank ervoor zul je ondervinden
Wanneer je kostb're honing wint.
Naast 't geest'lijk voedsel geven bijen
Dus nog een stoffelijke blijk
Van dankbaarheid voor al de moeite;
De mens is vaak niet haar gelijk!
Geen ondank zul je van haar oogsten
Want valt de honingoogst niet mee -
Wat niet de schuld is van de bijen,
Niet altijd is het weer gedwee
Of remmen andere factoren
Het binnenhalen van de buit - .
Bij alle misoogst, oogst je zeker
Een schat van kennis, kleine guit!
J.H.E. v. BRERO. SANTPOORT.