Een praatje over Madeira en zijn bijen


Het bloed kruipt nu eenmaal waar het niet gaan kan en zo speurde ons verdienstelijk lid dhr. J.G.A. Wilhelmus te Apeldoorn - thans observer officer bij de non interventiecommissie - tijdens zijn verblijf op Madeira, naarstiglijk naar bijen.
Wat hij vond en wat hem overkwam beschrijft hij hier in dit artikel. Zijn schrijven ging vergezeld van een monster van die "doerakken" (ze waren gelukkig dood).
Wij hopen, dat dit niet het enigste artikel van zijn hand mag zijn en hij ons nogmaals zal vergasten op enige pennevruchten. Dhr. Wilhelmus onze beste wensen bij zijn ongetwijfeld interessante, doch moeilijke taak.


Ilha da Madeira", het houteiland, m.a.w. het met bos overdekte eiland, ligt op 35°N.B. en 16°W.L. op ongeveer 670 kilometer van de Afrikaanse kust.
Van het bos, dat de Portugese ontdekkers zagen, toen zij voor het eerst landden, in de eerste helft van de vijftiende eeuw, is niet veel meer over. Het gehele eiland is in cultuur gebracht. Het behoort met zijn ± 220.000 bewoners tot de dichtst bevolkte gebieden van de wereld. Het klimaat is sub-tropisch, winter is er, volgens onze maatstaf, op Madeira niet; de temperatuur schommelt tussen 55°F. en 80°F., daalt, hoogst zelden, in de winter tot 50°F.
Inplaats van hout- of boseiland zou men het nu beter bloemeneiland kunnen noemen. De bloemenschat, welke hier te zien is, overtreft mijn stoutste verwachtingen. Zowel de meest tropische als onze Noordelijke gewassen groeien hier. Vlak bij Funchal, de hoofdstad, aan de Z.O. kust, wandelt men tussen palmen, suikerriet, bananenbomen, papaja's enz. door, terwijl ik op 800 m. hoogte appel- en perebomen zag in tuinen, waar o.a. ook eiken- en beukenbomen enz. groeiden. De appel- en perebomen zagen er slecht onderhouden uit. Het hoofdgewas is evenwel de druif, Madeira wijn! Overal ziet men hier druivenwingerds; het land is er mede overdekt.
Lopende in het stadspark, met zijn duizenden bloemen, zocht ik ijverig naar bijen. Ik vond alleen de ook bij ons, in de zomer, veel geziene wilde bij en zag sporadisch een hommel. Na veel navraag en speuren wees men mij te Levada, een gehucht op een paar honderd meter hoogte boven Funchal, een bijenstand van twaalf kasten aan, welke aan een geestelijke behoorden. Vol vreugde besloot ik deze kasten eens nader te bekijken en naderde kalm en voorzichtig de kasten aan de achterzijde. In een ogenblik verzamelde zich, op veilige afstand, een bende armoedige Portugese dorpelingen, waarvan sommigen lachten en anderen mij onverstaanbare woorden toeriepen. Plotseling begreep ik deze belangstelling, want op een paar meter afstand van de kasten werd ik door tientallen bijen aangevallen, die mij venijnig staken. Het bleken, op het gezicht, de gewone zwarte bijen te zijn, die ook in Nederland algemeen zijn. In karakter leken ze meer op horzels, wespen en dergelijk tuig. Het was eenvoudig onmogelijk deze insecten staande achter de kast te bekijken. De kasten stonden open en bloot op ijzeren staven, een paar voet vrij van de grond. De ijzeren poten, waarop de zaak rustte, waren voorzien van bakjes, die zo nu en dan met petroleum gevuld worden om het opklimmen van de mieren tegen te gaan. Een bijenstal is hier, blijkbaar, niet nodig. Sommige kasten, alle zonder zinken dak, zagen er vrij gammel uit en hoe dat nu gaat als het regent begrijp ik niet. Deze zijde van het eiland is echter de droge kant; het is nu half Mei en de laatste regen was in begin Januari gevallen. Iedere dag is hier volop zonneschijn.
Thans besloot ik den priester, eigenaar van de bijen, op te sporen. Dit gelukte mij de volgende dag door middel van een jonge man, die behalve Portugees wat Engels verstond. De priester bleek een voorkomend man. De moeilijkheid zat hem weer in de taal. Hij sprak vlot Portugees en ik vlot Hollands, doch daar hadden we niet veel aan. Mijn eerste pogingen waren in het Engels, doch dat ging niet. Toen maar Frans. In deze taal konden we elkaar tenminste vertellen dat wij allebei, ongeveer 35 jaar geleden, Frans geleerd hadden, doch er ons niet al te best in konden uitdrukken; verstaan ging nog wel. Eerst liet de padre mij zijn honing zien en proeven en vertelde er bij dat het de beste honing ter wereld was. De honing smaakte buitengewoon goed en was zeer geurig. De kleur en dikte (vloeibaarheid) hielden het midden tussen onze klaveren heidehoning. Tussen haakjes: klaver heb ik hier helemaal niet gezien, grasvelden zijn er aan deze zijde van het eiland niet, vermoedelijk is het te droog. De watervoorziening heeft plaats door een zeer kunstig en ingewikkeld irrigatiesysteem in goten, waterleidingen, van uit de bergen. Elke grondbezitter heeft iedere 14 dagen, gedurende enkele uren, het recht het water uit zijn gootje, waar het, gedurende enkele uren, wordt toegelaten, in zijn tuin te scheppen. De waarde van een stuk grond wordt hier hoofdzakelijk bepaald door de hoeveelheid water, waarop de bezitter recht heeft. Waar de bijen, gedurende de tijd dat het water niet stroomt, hun behoefte aan deze vloeistof bevredigen is mij een raadsel. Evenals bij ons hebben ze in deze tijd (Mei) veel broed te verzorgen. Ik dacht zo: is onze zorg om de bijen, in ons waterrijk landje, van water te voorzien, zoals in onze bijenlectuur wordt voorgeschreven, niet ietwat overdreven?
Eindelijk zouden wij dan naar de bijen gaan, die veiligheidshalve op respectabele afstand van des Padre's huis stonden. Hij nam een bundel kledingstukken onder de arm en wij marcheerden af. In de buurt van de bijen gekomen kreeg ik een kiel met mouwen, waaraan dikke handschoenen vastzaten, over mijn hoofd. Ik wilde mijn handen vrijhouden, omdat ik, met die bokshandschoenen aan, niets kon uitrichten. Juist zou Padre Jorge een deksel van een kast aflichten, toen hij bemerkte dat mijn handen bloot waren. Ogenblikkelijk legde hij het deksel weder op de kist en beduidde mij, met een verschrikt gezicht, onmiddellijk mijn armen in de mouwen en mijn handen in de handschoenen te steken. Daarna werd het deksel afgelicht en vervolgens de dekplank, welke het, bij ons gebruikelijke, dekkleedje vervangt. Het was een klein volk, dat pas uit Portugal geïmporteerd was; het was bezig de kunstraat uit te bouwen. Voorzichtig vatte de Padre een raampje aan en tilde het uit het broednest. Wat er toen gebeurde zal ik nooit vergeten. Ik kreeg de indruk dat we een paar horzelnesten en een stuk of drie wespennesten tegelijk opengescheurd hadden. Horen en zien verging mij. Niettegenstaande mijn pantsering werd ik, omdat ik geen hoed op had, aan alle kanten in mijn hoofd gestoken. Ook de Padre kreeg het te kwaad en legde haastig de dekplank er weer op, waarna wij beiden op de vlucht sloegen. De gids, die in doodsangst op 10 meter afstand om een hoek gestaan had, holde in een handgalopje, armzwaaiend, de berg af.
Toen de rust zo'n beetje wedergekeerd was, merkte ik op, dat het bijenhouden hier mij een aardige, onderhoudende, bezigheid leek, een tikje opwindend, vindt U niet? Ja, dat vond Padre Jorge ook. Ik dacht als ik dergelijke bijen had, zwavelde ik ze af, kocht een aquarium en ging visjes kweken.
Padre Jorge legde mij uit dat de bijen op Madeira allemaal zó waren. Hij zag dat wel graag; het was een bewijs dat ze veel honing wonnen. Ik antwoordde dat het volk, dat ik juist gezien had, nog maar weinig gehaald had. Een kast er naast, 3 broedkamers op elkaar, raathoning wordt hier niet gewonnen, was tamelijk zwaar en ik vroeg hem wat er gebeurd zou zijn, als wij die geopend hadden. Dan hadden de mensen in de omtrek eerst gewaarschuwd moeten worden, opdat zij zich uit de voeten konden maken en de ramen en deuren van de omliggende hulzen gesloten moeten worden. Ik vroeg hem hoe hij te werk ging als hij eens een koningin uit het volk wilde nemen met die dikke handschoenen aan. Hij antwoordde, dat dat zeer moeilijk, lees onmogelijk, was. Ik vertelde hem dat we dat in Holland, kalmweg, zo maar met de blote hand deden. Ik kon aan zijn gezicht zien dat hij dacht: je kan mij nog veel meer vertellen.
Een goed volk wint per jaar, volgens hem, en hij bleek de autoriteit op bijengebied hier te zijn, 10 tot 30 kilogram, een heel enkele maal 40 kilo, honing. Dat is dus niet meer dan een goed volk bij ons in onze korte zomer wint. De kasten zijn enkelwandig, 10-raams, iets kleiner dan de Simplexkast. Als ze de honing gaan oogsten gebruiken ze een beroker tot het volk zowat bewusteloos is, waarna het feest aanvangt, zie sluiting van ramen en deuren, hierboven beschreven.
Zwermen deden zijn volken weinig, aan zwermverhindering deden ze niet, zover ik uit zijn woorden kon opmaken. Hoe zouden ze ook, gezien de „zachtmoedige" inborst van deze monsters. Ik geloof echter, dat de geachte Padre er geen flauwe notie van had of zijn volken zwermden of niet. Ik verdenk er hem sterk van dat hij alleen zijn kasten een enkele maal opent om er honing uit te halen.
Bijenziekten komen hier voor. Ik bezocht een man wiens bijen allen aan een ziekte ten gronde waren gegaan, volgens zijn verhaal.
Padre Jorge vertelde mij verder, dat er honderd van deze bijenvolken in Portugal besteld waren door hem en dat hij deze wilde distribueren om de bijenteelt te bevorderen op Madeira. Ik twijfel er aan of de toekomstige eigenaars erg opgetogen zullen zijn met hun bezit, als ze eenmaal kennis gemaakt hebben met die lieve diertjes. Ik denk dat de woestheid van deze bijen de reden is, dat er zo weinig bijen op Madeira gehouden worden. Wij kunnen best tevreden zijn met onze bijtjes in Holland en behoeven heus geen bijen uit Madeira in te voeren om de onze te verbeteren.
J.G.A. WILHELMUS.