Practische ervaringen.


Twee volken in één broedkamer.

Misschien is het niets bijzonders, maar ik had het nog nooit meegemaakt. Op 18 Juli ging ik uit.. Te voren had ik m'n volken nagezien. Bij één een paar grote stukken darrenbroed gekopt, bij alle gezorgd voor voldoende ruimte in de honingkamer, al zou wel niets meer gehaald worden. Bovendien alle koninginnen geknipt, behalve van één volk; dat had nog geen eitjes. Maar het had laat gezwermd (28 Juni; dat zou nog wel in orde komen, dacht ik.
Maar het kwam nièt in orde.
Op 3 Augustus had het bewuste volk op één raat bultig broed. Gelukkig had ik een reserve-volkje op 5 ramen. Ik besloot dat in de moerloze kast over te brengen. Beide volken, en ook dat, hetwelk het dichtst bij het reservevolkje stond, gaf ik dezelfde geur (anijsolie). Twee dagen later, tegen de avond, bracht ik het moerloze volk achter in de tuin, na het vlieggat te hebben afgesloten. Het reserve-volkje plaatste ik links in de lege kamer en dekte de bak af. Daarna veegde ik de bijen van het moerloze volk achter in de tuin af in een lege bak. Met 5 van de meest geschikte raten vulde ik de ruimte in de broedkamer aan. De bijen van het moerloze volk waren intussen aangevlogen; ze lagen voor de kast. En onmiddellijk, toen het begon te schemeren, opende ik het vlieggat. Alles ging naar wens. De vliegbijen van het reservevolkje vlogen, toen ze haar woning niet meer vonden, op de kast, waarnaast ze gewoond hadden, zoals ik verwacht had. Maar geen enkele werd afgestoken. Ook in de geopereerde kast was volmaakte vrede.
Na enkele dagen nam ik een kijkj : de koningin van het reserve-volkje was op haar oude terrein, links in de kast, weer begonnen met het leggen van eitjes.
Ik had nog een reserve-volkje, op drie ramen. Het was wat gebrekkig behuisd, maar het zat goed in het broed. Ik besloot dat ook maar bij het bewuste volk te voegen. Met de nodige voorzorgen plaatste ik de drie ramen naast de vijf, die ik de voorgaande week had ingehangen. Dat gebeurde op 11 Augustus. Er waren nu twee koninginnen; zij zouden zelf wel uitmaken, wie blijven zou.
Tot zover dus niets bijzonders.
Maar op 28 Augustus werd ik verrast met een zwerm(pje). Op de gewone wijze ging het hangen, vrij hoog in een boom. Hoe kon dat? 'k Had toch uitsluitend geknipte koninginnen. Maar de moer, die ik in het zwermpje vond, was niet geknipt. Toen de kast geopend. Daar vond ik op de middenste van de drie der laatst bijgevoegde raten 4 moercellen met maden van 10 à 11 dagen. Dat maakte het wel onwaarschijnlijk, dat al een jonge moer zou zijn uitgevlogen. Bij nadere beschouwing zag ze er ook niet naar uit, dat ze zo pas uit de dop gekropen was. Maar dan moest het de koningin zijn van het oorspronkelijke volk! Ze was onbevrucht gebleven. Het bultig broed was niet van een eierleggende werkbij, maar van haar. Bij het afvegen van het oude volk, achter in de tuin, moest ze met de bijen teruggevlogen zijn op de kast. Misschien had zij de dood van de koningin van het drie-raten-volkje op haar geweten. Daarna had dat volkje mèt de oorspronkelijke bewoonsters van de kast zich moerloos gevoeld, hoewel in de linkerhelft van de woning een volkje huisde met een koningin en volop broed. Het had zich dus gehaast redeellen aan te zetten; eitjes en jong broed waren op de drie raten voorhanden. Zo zal het wel gegaan zijn.
Maar daar gaat het niet om. Een feit is, dat gedurende ruim drie weken twee volken naast elkaar leefden in één broedruimte; één met een eierleggende en één met een onbevruchte koningin. De laatste ligt nog op de ramen; ze wordt gevoed.
Had ik maar een bevruchte moer, dan gaf ik die. Ze zou zeker worden aangenomen. Hoe zou het dan verder gegaan zijn?

HAARLEM. D. B.