Verbetering van de bijenweide.


(Inleiding Imkersdag Ede '37 door de Rijksbijenteeltconsulent L. v. Giersbergen)


Geen onderwerp zal in de toekomst aan de Nederlandse bijenteelt zoveel zorg baren als het vraagstuk "bijenweide"; want dit is de levenszenuw van deze teelt. en daarom zal de verbetering en instandhouding van deze weide een der grote toekomstzorgen zijn.
De grote en uitgebreide cultuurwijzigingen in vele richtingen hebben de bestaande weiden gewijzigd, meestentijds geheel vernietigd.
De verbouw van koolzaad, mosterd, boekweit is óf sterk verminderd óf geheel verdwenen. De onkruidbestrijding, hoe goed op zichzelf, ontneemt aan de bijenteelt op vele plaatsen hare weide. En sinds de onkruidbestrijding met chemische middelen ter hand is genomen, nu blijft niets over, en dreigt zelfs zo'n bijenweide uit te sterven.
Het vroegtijdig maaien van het gras voor het hooien, en van de lucerne, geven deze planten aan de bijen niets meer.
Verder verdwijnt de witte klaver in de weiden door sterkere stikstofbemestingen. Deze lage plant wordt door het gras overgroeid en komt niet meer tot bloei.
Dan de ontginningen. De heidevelden krimpen zodanig in, dat het reizen met de bijen naar geschikte heidevelden een probleem geworden is. Waar nog heide van betekenis is, daar stroomt de laatste jaren alles heen.
Kortom, de bijenweide van Nederland gaat achteruit, gaat snel achteruit. En al mogen zo nu en dan door inpolderingen of ontginningen eens kleine complexen met goede bijenplanten bebouwd worden, dan is dit voor slechts korte tijd; maar de grote lijn is vermindering en sterke vermindering van het aantal planten, waarop de bijen honing en stuifmeel kunnen verzamelen en dus achteruitgang van de "bijenweide".

Onder een bijenweide verstaan we alle planten die door de honingbijen bevlogen worden, of zoals ook wel eens gezegd wordt, de gezamenlijke groep van planten, die aan de bijen honing en stuifmeel leveren.
Toch mag deze omschrijving wel enige aanvulling en ik zou willen zeggen "alle planten die de bijen honing en stuifmeel geven, en in massa of flinke hoeveelheden voorkomen, en bloeien in een tijd, dat ze door de bijen ten volle benut kunnen worden".
Als wij de lange lijsten zien van planten, waarop de honingbijen honing en stuifmeel kunnen zamelen tussen Februari en October, dan zou men geneigd zijn te zeggen, dat het met die achteruitgang van de bijenweide nog wel gaat; want men treft lijsten aan die een 400-tal planten vermelden.
Laten we die opsomming van deze planten eens nagaan en dan zullen wij tot de slotsom komen, dat op die lijsten veel planten voorkomen, waarop de bijen wel eens aangetroffen zijn; maar die bezocht werden omdat er niets beters, of niets anders was. Het is van algemene bekendheid, dat bijen in drachtloze tijden, bij gunstig weer, veel planten afzoeken naar voedsel, en worden ze dan op een schermbloem of distel aangetroffen, dan worden deze planten in de lijst van bijenplanten opgenomen. En langs deze weg zijn zeker het windroosje (Anemone nemorosa L), de voorjaarsvroegeling (Draba verna L) en veel andere op deze lijst verzeild geraakt.
Op deze lijsten komen ook tal van planten voor, die, als men daarop de bijen aantreft, een bewijs zijn, dat er in die streek en in die tijd niet veel bizonders te halen is.

Werkelijke drachtplanten van betekenis, die lijst is niet zo groot, en overschrijdt het dozijn nauwelijks. Een goede bijenweide vormt de
1 wilg, als er veel van zijn, en in veel soorten. 2 fruit. 3 paardebloem, kool- en raapzaad, zaadkool en mosterd, 4 acacia, 5 korenbloemen, 6 frambozen en bramen, 7 klavers, witte, lucerne, bastaard en honing, 8 linden, alle soorten, 9 boekweit, vuilboom, 10 herfstleeuwentand, 11 hei; serradelle, spurrie, 12 zulte en zeeaster.
Nu is enige voorzichtigheid met het vermelden van bijenplanten wel geboden, want in streken, waar veel asperges verbouwd worden, kan een bijenweide van betekenis ontstaan, evenals in streken, waar veel augurken verbouwd worden. Evenzo is dit het geval soms met verbouw van wikken, boterzaad, soms uienzaad. Ook bij wilde planten ziet men soms grote afwijkingen. Zo is de dotterbloem op de ene plaats veel van betekenis, op de andere niet.

Omdat men nu pogingen in het werk gaat stellen om de bijenweide in een streek aan te vullen, te verlengen, uit te breiden of wat ook, dan moet men vooraf een juist inzicht hebben van hetgeen reeds in zo'n streek aanwezig is. En dan kan pas bepaald worden of er leemten aangevuld moeten worden, of er drachtloze tijden zijn van lange of korte duur.
Om met enig succes de bestaande bijenweide te verbeteren, dan behoort men dus:
1e. de bestaande bijenweide goed te kennen, d e soorten, aantallen, oppervlakten, bloeitijden, h oningafscheiding, afstand tot de bijenstanden enz.
2e. grondige kennis van de planten, die gebruikt zullen worden tot aanvulling, verlenging of tot uitbreiding van de dracht.
3e de grondsoorten en de plaatsen, die beplant zullen worden, afstand van de woningen, enz.
De verbetering van de bijenweide zal derhalve in elke streek verschillend moeten zijn, naar gelang van de aanwezige drachtplanten, grondsoort of (en) grondsoorten, die er voorkomen, beschikbare oppervlakten, woningsoort, bedrijfswijzen en afstand tot de bijenvolken.
Men zal niet op alle plaatsen maar wilgen uit kunnen poten of heggerank (Bryonia) uitzaaien, en er zal op menige factor gelet moeten worden.

De verbetering van de bijenweide door de landbouw, daarvan is niets te verwachten; want er zal wel geen landbouwer aangetroffen worden, die om der wille van honing of stuifmeel voor de bijen, gewassen zal verbouwen. Zelfs niet eens zijn lucerne hard zal laten worden voor dat doel, of zijn gewas laten verstikken onder de herik, als hij tijd heeft, en de middelen om dit te verhoeden. Van deze zijde is niets te verwachten.

Dan het planten van enige bomen, die aan de bijen na enige jaren wat geven. Bomen zijn duur, vragen een ruime standplaats, en als men die planten moet bij mensen, die geen bijen hebben, dan is het toeval, als het wordt toegestaan.
Verder het uitzaaien van perkjes met Phacelia, Alyssum Bentkami, reseda enz. Daarvan zou ik willen zeggen "wie het kleine niet eert is het grote niet weerd"; maar stenen aan de dijk zetten doet het niet.
Als in een dorp 10 mensen elk een perk met bovengenoemde planten zaaien, en binnen een afstand van 3 k.m. woont één bijenhouder met één volk, dan zal dit wel van betekenis zijn. Doch als er 10 imkers wonen met elk 3 volken, dan zal het van heel weinig betekenis zijn, ofschoon het nuttig effect even groot is; maar op de 30 volken zal de invloed niet zijn op te merken.

Alleen massa-cultuur kan baat brengen en nu is het zeer moeilijk om met enige juistheid aan te geven, hoe dit geschieden moet. Daarvoor is de bodemgesteldheid van ons land te verschillend, de beschikbare terreinen zijn niet bekend.
Maar Gemeentebesturen, Provinciale Staten, Rijkswaterstaat en instellingen, die beplantingen uitvoeren kunnen zeer veel bijdragen tot de verbetering van de bijenweide in de toekomst, omdat zij met grote hoeveelheden werken.
Dan komt de vraag: wat dient aangeplant te worden, en dat is reeds gezegd, dat dit van enige belangrijke factoren afhangt, n.l. wat er reeds is en of de leemte groot of klein is. En toch zijn er in de Nederlandse bijenteelt uitspraken, die voor hele streken opgaan, wat deze leemten betreft. B.v. als de meidoorn bloeit moeten de bijen gevoederd worden. En nu kan de aanplant van bepaalde esdoorns in de meeste jaren hierin een gunstige wijziging brengen, vooral nu door de iepenziekte vele wegen van nieuwe bomen moeten worden voorzien.

Onder het motto "vele kleintjes maken een grote" en als ieder wat doet, moet het veel of weinig nut afwerpen, dan zou ik het volgende in overweging willen geven.
De zuidelijke organisaties hebben succes gehad met aan alle burgemeesters hunne aandacht op dit probleem te vestigen, en ze een lijst van geschikte laanbomen te verschaffen, alsmede van struiken en andere gewassen.
Zo zal het ook zeker zijn nut hebben de aandacht van de Rijkswaterstaat, Prov. Staten, de Commissie belast met het adviseren van de wegbeplantingen op dit probleem te vestigen.
Verder vanwege de organisaties op het gebied van bijenteelt het verstrekken van zaden en planten van. gewassen, die gunstig zijn voor honing- en stuifmeelleverantie.
Het instellen van commissies, die in een beperkt gebied nagaan wat er op dit gebied gedaan moet en kan worden.
Het is een vraagstuk, dat gerust direct ter hand genomen kan worden; want er is veel voorbereidende arbeid nodig, en de tijd dringt, omdat geen vraagstuk in de toekomst zoveel zorg zal baren, als een behoorlijke bijenweide, en vooral in de fruitstreken.

L. VAN GIERSBERGEN.