Vragenrubriek


Vragen bestemd voor deze rubriek richte men tot den Heer A. Oonk te Warnsveld. Beantwoording kosteloos. Wenst men schriftelijk antwoord, dan sluite men een postzegel in. Alleen vragen, die ook voor anderen van nut kunnen zijn worden beantwoord.


Vraag 405. Ik heb o.a. een korf bevolkt met een jonge moer. Het is een zwak volk. Zou het voordeel kunnen hebben dit half Januari in een stookdruivenkas te plaatsen? De temperatuur in de kast is bij nacht ca. 45 gr. F. en bij dag ca. 65 gr. F. Zo ja, wat dan aan het volk te voeren? Ik merk op, dat de kas ook pas half Januari wordt verwarmd.
J. H. K. te G. (Z.-H.)
Antwoord: Of het plaatsen van korven met bijen in gesloten stookdruivenkassen voor de bevruchting nuttig is, daarover vindt men in de bijenboeken niets vermeld. De vraag is, of de bijen in de korf terugkomen, als zij uitvliegen, of dat zij de weg in zulk een beperkte ruimte niet terug kunnen vinden en misschien zich tegen de glasruiten doodvliegen. Zeer waarschijnlijk blijft het een gewaagde proef, waarbij men wel veel bijen verliest. Ik kan U dus niet inlichten of de proef zal slagen. Daar U schrijft, dat het een zwak volk is, zal het ook nog weinig kunnen presteren. In elk geval verliest U er niet veel mede, als U een proef wilt nemen. U moet dan wachten met het plaatsen in de kas, als U half Januari begint te stoken. U brengt het volk er dan 's avonds in, als het donker is. Heeft het weinig voer, dan kunt U het, als het in de kas staat, 's avonds af en toe wel wat lauw vloeibaar suikerwater geven. Heeft een onzer lezers soms ervaringen opgedaan met het plaatsen van bijenvolken in gesloten druiven- of perzikkassen? Zo ja, dan zou ik dit gaarne vernemen.

Vraag 406. Hier in de stad in een der plantsoenen komt een boom voor met name: "Crataegus carierrei Lavalla". Kunt U mij ook zeggen of deze tijdens zijn bloei honingt?
J. A. te G. (Z.-H.)
Antwoord: Crataegus behoort tot het plantengeslacht der Rosaceeën en wordt vaak met Mespilus wegens de grote overeenkomst verwisseld, komt met ruim 40 soorten op het noordelijk halfrond voor. Volgens Amerikaanse boomkundigen is dit aantal groter, o.a. beschreef prof. Sargent uit het Arnold-arboretum er ruim 500, doch deze crataegus, die ontstaan zijn, nadat het kappen der bossen de kruising der overgebleven heesters mogelijk maakte, staan in soortwaarde gelijk met onze honderden appel- of peerhybriden.
Crataegus (Mespilus) monogyna en crataegus (Mespilus) exyacantha, waarvoor de Nederlandse naam is de inheemse Meidoorn, ook hagedoorn of haagappelboom genoemd. Dit is een vrij algemeen in heggen en bossen voorkomende heester uit de familie der Rosaceeën. Zij hebben gedoornde takken, bloeien in Mei en worden tot ca. 4 m. hoog. Er zijn vele vormen met rose of donkerrode, enkele en gevulde bloemen, hetzij sierheester of bomen. Ook dienen als zodanig soorten van Amerikaanse oorsprong, b.v. Crataegus (Mespilus) coccinea tot 8 m. hoog met grote witte bloemtuilen en fraaie rode vruchten, zo groot als kersen. Verder Crataegus (Mespilus) crusgalli met leerachtige, glimmende bladeren en gekromde dorens.
In "American Honey plants" wordt over Crataegus o.a. het volgende vermeld: Er zijn verschillende soorten van Meidoorns, sommige komen voor in Europa en Azië, zowel als in Noord-Amerika. Scholl noemt de witte doorn (Crataegus spathalata), die in Texas in April bloeit als waardevol, zowel wat honing als pollen betreft. Er zijn ongeveer 25 soorten van deze bomen in de Verenigde Staten en alle mogen als waardevolle bronnen van honing worden vermeld, waar zij in voldoend hoeveelheid voorkomen. Over liet algemeen mogen zij worden beschouwd als gelijkwaardige van de vruchtbomen, wat kwaliteit en hoeveelheid aan nektar betreft. Er zijn vijf soorten in Ontario bekend, waar, zij als belangrijke honingplanten worden beschouwd.

Verder vroeg ik enige gegevens aan dhr. L. J. v. Rhijn, bibliothecaris te Wageningen, die mij de volgende inlichtingen verstrekte: "Gaarne deel ik U mede wat ik hieromtrent heb kunnen vinden. Crataegus carierrei is een nu veel gekweekte plant door Carierrei in 1883 voor het eerst gewonnen uit zaad afkomstig uit Mexico, die ook in het arboretum staat, welke echter iets dubbele bloemen heeft. Alle Crataegi bezitten nektariën in de kelk. Zij worden door de bijen bezocht, maar het moet warm weer zijn. Een prima bijenplant is het dus niet, maar bij gunstig weder geeft zij nektar. Sommigen beschouwen Crataegus Lavallei en Crataegus Carierrei beiden als dezelfde plant. Lavallei doet dit niet en schreef: in 1874 heeft de Crataegus Lavallei voor het eerst gebloeid en in 1867 voor het eerst in cultuur gebracht. Het moet nog nader onderzocht worden, of het twee afzonderlijke planten zijn; de uitslag volgt dus later. "Crataegus Carierrei Lavalla" komt mij niet juist voor; dat is de schuld van den kweker. De vraag waar het om gaat is dus bevestigend, zij geeft nektar. In de "Revue Horticole" van 1924 komt een afbeelding voor van de Crataegus Carierrei".

In de bloeikalender van Joustra's Bijenboek staat achter de Meidoorn vermeld, dat deze, zowel honing als stuifmeel in matige hoeveelheid geeft.


Vraag 407. Ik zie de moerroosters steeds op verschillende wijzen gebruiken. Bij het draadrooster van Herzog de draden in dezelfde lengterichting als de ramen, of dwars op de lengterichting dier ramen. Bij het zinkrooster de openingen eveneens in een van deze bovengenoemde richtingen. Welke richting is nu de beste evenwijdig of dwars?
J. v. d. B. te M. (Z.)
Antwoord: Ik zou het rooster in dezelfde lengterichting leggen als die der ramen, welke mij voor het doorkruipen der bijen gemakkelijker lijkt, dan dwars over de ramen. Ook geven talrijke imkers de voorkeur aan draadroosters, omdat deze uit ronde draden bestaan, die glad zijn, terwijl bij het platte zinkrooster in de openingen ruwere, dus scherpere kanten kunnen voorkomen.

Vraag 408. Als ik een draadrooster opleg, ontstaat tussen broed- en honingkamer langs de gehele omtrek een luchtspleet tussen beide kamers. Dit lijkt mij in 't voorjaar, als het op warmte aankomt, toch niet goed te zijn. Is het draadrooster niet beter zó te leggen, dat het tussen de houtwanden valt, zodat broed- en honingkamer weer hout op hout komen te staan? Of is de Duitse of Belgische wijze om de roosters in houten omlijsting te bezigen niet doeltreffender?
J. v.d. B. te M. (Z.)
Antwoord: Alvorens een rooster te leggen, worden eerst de raatresten boven van de broedramen afgekrast, zodat de ramen van boven weer geheel vlak zijn. Als men dan het draadrooster legt zullen broed- en honingkamer vrij goed op elkaar passen. Bij een zinken rooster, dat plat is, heeft men het voordeel, dat het euvel van niet precies passen tot een minimum beperkt blijft. Het is natuurlijk gewenst en vooral in 't voorjaar, dat er geen luchtspleten tussen broed- en honingkamer ontstaan, waardoor de warmte kan ontwijken. Het rooster past in de regel precies op de houtranden. Wil men het er tussen laten vallen, dan zal men het rooster iets moeten verkleinen. Dit is natuurlijk een sekuur werk, want men mag er niet te veel afnemen, anders zou de koningin gelegenheid krijgen van de broed- in de honingkamer over te lopen. Ik heb er geen ondervinding van, of het doeltreffender is de roosters in houten omlijsting te bezigen en had van dit gebruik nog niet gehoord.

A. OONK