Bijenteelt voor fruitkwekers.


In mijn vorig artikel over bespuiting met giftige stoffen in de boomgaard besprak ik, wat betreft de bespuitingen met loodarsenaat, alleen die, welke ná de bloei worden uitgevoerd en wees er op, dat die geen schade aan onze bijenstand zullen veroorzaken, als zij deskundig worden uitgevoerd.

Enige dagen nadat het artikel "ter perse" was gezonden, las ik in de Telegraaf een artikel van Dr. Kluyver uit Wageningen getiteld: "Bijen lopen gevaar in een bespoten boomgaard". De schrijver kwam echter tot de conclusie, dat "boomgaarden dus zonder enig gevaar voor de bijenstand met arsenicumhoudende middelen kunnen worden bespoten, mits dit niet gebeurt tijdens de bloei". Uit verschillende proefnemingen was hem ook gebleken, dat zwavelverbindingen (Calif. pap) en koperzouten (Bord. pap) voor bijen weinig schadelijk zijn.

In sommige streken wordt ook wel vóór de bloei met loodarsenaat gespoten en wel daar, waar veel schade wordt veroorzaakt door de ringelrups en (of) de rups van de wintervlinder en de ooftmot (spinselmot). In Gelderland noemt men de laatste ook wel trekmade. In de bedrijven, waar regelmatig met loodarsenaat na de bloei wordt gespoten, zal men van genoemde lastige vernielers van knoppen en bladeren in het voorjaar geen last hebben, in ieder geval zal men er daar geen noemenswaardige schade van ondervinden. Ir. v. d. Kroft, de Rijkstuinbouwconsulent van Limburg, adviseerde enige weken geleden in een artikel in de Veldbode om ook met l.a. vóór de bloei te spuiten. Limburg is wat droger en warmer dan het midden en westen van ons land, waardoor men daar meer last van rupsen op de vruchtbomen schijnt te hebben. Enige jaren geleden was de schade in de niet bespoten boomgaarden daar aanzienlijk. Is men, bij sterke aantasting, genoodzaakt om vóór de bloei met l.a. te spuiten, dan kan er schade voor de bijen ontstaan, als het gebeurt als de bloesems al bijna open zijn. Het l.a. kan dan komen op de buitenkant der kroonblaadjes, waaraan de bijen zich vasthouden bij het bezoeken der bloemen. Zo komt het aan de pootjes en geraakt dan tussen het stuifmeel, dat naar de woning wordt gevoerd, waar o.a. het broed kan worden vergiftigd. Valt er echter, kort voor de bloei, regen, dan zal veel van het vergift worden weggespoeld.
De wintervlinder kan men beter bestrijden met lijmbanden en (of) carbolineum (de laatste vernietigt de eitjes). Voor de twee andere helpen deze middelen jammer genoeg echter niet, omdat van de ringelrups de eitjes en van de ooftmot de rupsen zo goed beschermd zijn. Ziet men ze 's winters, b.v. bij het snoeien, dan worden ze natuurlijk weggeknipt en verbrand.

Ten slotte wil ik nog even aanhalen, wat "de Veldbode" van 28 Jan. over vergiftigingsgevaar schreef: "De kans op achteruitgang van de bijenstand door de bespuitingen wordt wel erg overdreven. De ondervinding hier te lande heeft geleerd, dat goede ziektebestrijding en een flinke bijenstand kunnen samengaan, als maar met verstand wordt gewerkt en geen bloeiende bomen met vergift worden geraakt".

Als dat nummer uitkomt, zullen de eerste bloesems onzer fruitbomen al spoedig voor de dag komen, misschien staan sommige krozen reeds in bloei, doch de grote bloesemweelde moet nog komen. Reeds weken geleden konden wij zien, dat de meeste bomen weer flink bezet zijn met vruchtknoppen, beloften inhoudend van een rijke bloei. Voor onze nijvere bijen is in de fruitstreken dus weer enorm veel nuttige arbeid te verrichten. Zij zijn daar onmisbaar, daarvan zij wij, imkers en fruitkwekers-imkers, reeds lang ten volle overtuigd. Maar wij moeten ook die kwekers, die van de onmisbaarheid nog niet of onvoldoende zijn doordrongen, daarvan proberen te overtuigen. Steeds maar weer moet op dat aambeeld worden gehamerd. De Veldbode van 28 Jan. schreef over dit onderwerp: "In een jaar als 1937 met veel regen tijdens de bloei, als dus de bijen in korte tijd veel werk moeten doen, is dikwijls de opbrengst evenredig gebleken aan het aantal bijenvolken".

Dit blad wees er ook op, dat in Amerika, waar de ooftcultuur nog altijd op het hoogste peil staat, wel veel aandacht aan de bijen wordt geschonken (en ze kosten daar nog wel ongeveer 10 maal zoveel aan huur als in ons land). Voor onze toestanden achtte het blad het ook de beste oplossing, dat de fruitteler zelf bijen gaat houden en zo nodig en mogelijk tijdens de bloei zijn stand nog aanvult met volken uit de heidestreken.

In het februari-nummer van "de Fruitteelt" komt een kaartje voor van Nederland, waarop met stippen is aangegeven, waar fruitteelt in ons land wordt uitgeoefend. Elk stipje stelt 100 h.a. voor. In de Noordelijke provinciën en in de heidestreken komt geen stipje voor. Maar zeer dicht bijeen staan de stippen in Zuid Limburg en de Betuwe. Daar immers vinden we de duizenden h.a. boomgaard! Nu zou het heel interessant en heel leerzaam zijn ook eens een kaartje van Nederland te maken, waarop met stippen was aangegeven, waar bijenvolken gehouden worden (voor elke 500 volken een stip). Legde men dan de beide kaartjes naast elkaar, dan zou het geweldige tekort aan bijenvolken in de fruitstreken nog duidelijker aan het licht treden. Waar men op de "fruitkaart" de stippen bij tientallen telt, zou men op de bijenkaart grote witte vlakken zien.

Het is daarom van zo grote betekenis zowel voor kweker als imker, dat er voorjaarsbijenmarkten in de fruitstreken in het leven zijn geroepen. De vroegste daarvan is, meen ik, wel de Tielse. Tiel ligt, als bijenmarktplaats, zeer gunstig en kan daarom van grote betekenis worden. Deze plaats ligt temidden van duizenden h.a. fruit en niet ver van de Veluwe en Noordbrabant, van oudsher de grote leveranciers van bijenvolken. Waar kunnen kopers (de fruitkwekers) en verkopers (de imkers) elkaar beter ontmoeten dan op deze markt, die gehouden wordt in de tijd, dat juist de bijenvolken in de boomgaarden moeten worden geplaatst. Dat deze markt zal slagen, daaraan valt niet te twijfelen. Van de zijde der fruitkwekers wordt de vraag naar bijen steeds groter. Duidelijk is op cursussen en lezingen in de fruitstreken de groeiende belangstelling te constateren. Meer en meer gaan de kwekers der goed onderhouden fruitbedrijven inzien, dat de bestuiving zo intensief mogelijk moet zijn, dat de lagere fruitprijzen jaarlijks een optimale oogst eisen, en dat dit alleen te bereiken is met het plaatsen van een voldoende aantal bijenvolken in de bloeitijd in de boomgaard.

Imkers, zorgt, dat er vele honderden bijenvolken op de 3e Tielse bijenmarkt worden aangevoerd. Het lijkt ook mij zeer waarschijnlijk, dat er dit jaar goede zaken kunnen worden gedaan.

A., J. H. R.