Het rijksmerk op honig.
Zij, wien het wel en wee van het Rijksmerk op honig ter harte gaat, zullen niet zonder belangstelling hebben uitgezien naar het terzake opgesteld verslag omtrent de bevindingen en handelingen van het NEDERLANDSCH HONIG-CONTRÔLESTATION gedurende het jaar 1937. Men zal zich herinneren, dat de finantiëele resultaten van dit station over 1936 niet bijzonder gunstig konden worden genoemd, zoodat zelfs het reservefonds, destijds door de deelnemende bijenhoudersorganisaties bijeengebracht, - zij het voor een klein deel - moest worden aangesproken. Het aan te zuiveren tekort bedroeg f 345.51½. Ondanks deze "aderlating" bleef in het reservefonds bijna nog f 6000.- over. Sommige onzer leden zijn van meet af aan de overtuiging toegedaan geweest, dat het Rijksmerk niet voldoende levensvatbaarheid bezat. Zij achtten dan ook verdere steun onzerzijds door middel van het reservefonds in genen deele meer verantwoord. Het verdiende naar hun oordeel de voorkeur om het beschikbare geld op andere wijze ten nutte der bijenteelt te besteden, inplaats van het in den "bodemloozen put" van het Honig-Contrôlestation te zien verdwijnen. De Algemeene Vergadering heeft in die richting voorloopig niet willen meegaan. Besloten werd zelfs, om mogelijke nadeelige uitkomsten in het jaar 1937 eveneens percentsgewijs voor rekening van het reservefonds te nemen, terwijl voor 1938 en volgende jaren de quaestie opnieuw onder de oogen zou worden gezien.
Men zou het, gegeven die omstandigheden, kunnen betreuren, dat mijn overigens zeer kundige voorganger, door het publiceeren van een artikel in het Februarinummer van het maandschrift jaargang 193, ontijdig op de zaak is vooruit geloopen. Zonder aan diens goede bedoelingen te twijfelen, dient er te worden opgemerkt, dat het in dien tijd bepaald voorbarig was om van het verdwijnen van het Rijksmerk binnen afzienbaren tijd te spreken. Zooal niet voorgoed, waarborgden toch het reservefonds eenerzijds en de in 1936 ingevoerde verhooging van den prijs der merken anderzijds het voortbestaan van het Rijkshonigmerk nog voor verscheidene jaren. Hieraan doet niets af de omstandigheid, dat de Heer Ebbinge Wubbben tegelijkertijd een andere oplossing aan de hand heeft gedaan, door de instelling van een EIGEN MERK te bepleiten, aangezien de verwezenlijking dier gedachte allerminst gepaard zou gaan met de zekerheid, dat daarmede op effectievere wijze de afzet van Nederlandsche honig zou kunnen worden bevorderd. Integendeel! De reactie welke op bovengenoemd artikel is gevolgd, heeft dit op overtuigende wijze bewezen. De quaestie Rijksmerk - Eigen merk heeft vele pennen in beweging gebracht en er zou tusschen voor- en tegenstanders van den bestaanden toestand ongetwijfeld een uitgebreide discussie zijn ontstaan, indien helaas de onverbiddelijke dood niet aan het rijke en werkzame leven van den voorzitter onzer vereeniging al te vroegtijdig een einde had gemaakt. Het Hoofdbestuur was zeer terecht van meening, dat overwegingen van piëteit zich verzetten tegen opname van ingezonden stukken, welke, als antwoord op het artikel van den Heer E. W. voor diens overlijden, bij den redacteur waren binnen gekomen. Te betreuren valt het echter nog, dat het voorstel om tot een Eigen merk te geraken, niet overeenkomstig de bedoeling van den ontwerper door andere voorstanders nader is toegelicht kunnen worden. Zoolang dit niet is geschied, zal ik mij van een be- of veroordeeling van mijn voorgangers idee onthouden.
Het Hoofdbestuur heeft zich in een speciaal daartoe uitgeschreven vergadering met het Rijksmerk en de instandhouding van het Honig-contrôlestation bezig gehouden. Dit was in de eerste plaats noodig, omdat bij vele rijksmerkimkers de gedachte dreigde post te vatten, dat het Rijksmerk nog dit jaar zou verdwijnen. De gevolgen hiervan vielen dan ook, tot niet geringe schade van het Honig-contrôlestation, reeds te bespeuren; men betrok minder merken dan vroeger in den zelfden tijd het geval was geweest. Nu geloof ik niet, dat het verslag dier H.B. vergadering de onzekerheid, welke ten aanzien van het Rijksmerk was ontstaan, ook maar eenigszins heeft doen verminderen. Daarvoor bleek ook in den boezem van het H.B. teveel verschil van opinie aanwezig. Eigenlijke tegenstanders van het R.M. telt ons H.B. feitelijk niet; tenminste voor zoover mijn indruk juist kan worden geacht. De ingebrachte bezwaren betroffen hoofdzakelijk de onvoldoende contrôle, het geringe aantal aangeslotenen en de in feite dubbele betaling der merken door afdeeling Handel. Van eenige principieele bestrijding was echter geen sprake. Nog steeds blijft het H.B. aan de z.i. gezonde gedachte van het R.M. vast houden, wat niet wegneemt, dat in de regeling zelve wellicht verbeteringen waren aan te brengen. Een vast denkbeeld daarvan heeft men zich nog niet kunnen maken, daar iedere wijziging in de practijk waarschijnlijk nieuwe moeilijkheden met zich zou brengen. Dit geldt in de eerste plaats voor een eventueel andere vorm van contrôle. Voorstanders daarvan betreuren het, dat het Rijksmerk thans geen garantie biedt, dat de rijksmerkhonig, behalve van inlandschen oorsprong ook in alle gevallen in smaak en geur van de beste hoedanigheid is. Het is geen QUALITEITSMERK, pleegt men daarbij op te merken. Ik geloof, dat men zich bij deze gedachtengang te veel blind staart op het enkele potje honig van ondeugdelijke samenstelling, dat wel eens een keer door de concurrentie in buitenlandschen honig, als wapen in den strijd tegen het R.M., is gebruikt geworden. Zij, die zooals ik, zich de moeite getroost hebben, om eens persoonlijk het laboratorium van den Directeur van het Honig-contrôlestation te bezoeken, zullen, voor wat dit punt betreft, met een gerust hart zijn teruggekeerd. Het systeem van steekproeven, mits nauwgezet en regelmatig op iederen aangeslotene toegepast, verschaft, zooal niet alle, dan toch zeer groote waarborgen voor goede qualiteit. De onderzoekingen op monsters, welke in het afgeloopen jaar ten getale van 444 plaats vonden, gaven het resultaat te zien, dat in 22 gevallen de hoedanigheid van den onderzochten honig niet in alle opzichten aan de daarvoor gestelde eischen voldeed, alhoewel de geconstateerde afwijkingen van ondergeschikt belang waren en van directe vervalsching niet kon worden gesproken. Nu kan een enkele afwijking bij de behandeling van den honing licht ontstaan, zonder dat hierbij opzet in het spel behoeft te zijn. Ook in dit verband is het zoo nuttig dat het Honigcontrôlestation hierop geregeld toezicht houdt en daarbij tot voorlichting dient. In ieder geval kan een percentage van 5% niet onbevredigend genoemd worden, terwijl de preventieve werking van het R.M. er afdoende door bewezen wordt.
Het bezwaar van het te geringe aantal aangeslotenen kan ik vooralsnog niet van groote beteekenis achten. Wij moeten terdege in het oog houden, dat, hoewel het Honig-contrôlestation reeds in Juni 1930 in dienst werd gesteld, dit instituut, tengevolge van de daarvoor uiteraard beperkte propagandamogelijkheid, slechts zeer langzaam bij het groote publiek de noodige populariteit zal kunnen verwerven. Ons Maandschrift is, èn door zijn lezerskring èn door zijn bescheiden opzet, natuurlijk niet het aangewezen orgaan, om voor het R.M. de juiste reclame te maken. Uiteindelijk immers hangt het succes van dit merk niet af van de meerdere of mindere belangstelling der honigproducenten, doch veeleer van de mate waarmede de consument zijn interesse betoont. Deze laatste categorie bereiken wij door ons Maandschrift practisch niet. Men is dus feitelijk aangewezen op de groote dagbladen of de periodieke pers, waarin helaas slechts sporadisch berichten over de bijenteelt er daarmede verbandhoudende onderwerpen verschijnen. Doordat het kooperspubliek in meerderheid niet van het bestaan van het R.M. afweet, is er weinig vraag naar honig onder dat merk en zijn er als gevolg daarvan zeer vele handelaren in Nederlandschen honig, die hun belang bij aansluiting bij het Ned. Honig-contrôlestation niet willen inzien. Voor zoover de consument, uit overwegingen van nationalen aard, kennelijk de voorkeur geeft aan honig uit eigen land, wordt aan deze behoefte ruimschoots voldaan door de veelal misleidende etiketteering, waaronder het buitenlandsche product nota bene door Nederlandsche imkers op de markt wordt gebracht. Hoe wil men dan, indien men dit alles in aanmerking neemt, verwachten, dat het R.M. in luttele jaren tijds voldoenden vasten voet verkrijgt. In prijs kan de Nederlandsche honig nu eenmaal nimmer met den buitenlandschen concurreeren, al is zijn betere qualiteit in de meeste gevallen ontegenzeggelijk recht evenredig aan dit prijsverschil. Doch maak dit den menschen nu maar eens duidelijk, zonder de hulp van een uitgebreid en goed werkend reclamesysteem. In het laatste ligt de sleutel welke ons de poort tot een succesvolle toekomst van het R.M. kan openen. Het getuigt daarom van een niet geringe kortzichtigheid om, na weinige jaren van ervaring, zonder meer van een echec te gaan spreken en door het verwekken eener paniekstemming een in wezen door en door gezonde zaak ontijdig om hals te brengen. Niemand heeft mij ten aanzien van het Rijksmerk nog kunnen bijbrengen, dat deszelfs opzet doelloos, deszelfs technische regeling onjuist gefundeerd en deszelfs uitvoering gebrekkig zou zijn. In dit licht bezien, geloof ik dat de finantieele zijde voorloopig nog niet zooveel gewicht in de schaal mag leggen. Het Hoofdbestuur blijkt dit standpunt te deelen, gezien zijn besluit om aan de Algemeene Vergadering het voorstel te doen om ook voor 1938 de mogelijke tekorten van het Honig-contrôlestation, berekend naar de door de vereenigingsleden over die periode afgenomen rijksmerken, uit het reservefonds te doen aanvullen.
Op dit fonds is tot nog toe slechts in bescheiden mate een beroep gedaan, hoewel de aanvullingsbijdrage voor 1937 niet gering zal moeten zijn. Nu is er in dit jaar wel onder zeer ongunstige omstandigheden gewerkt. Behalve een slechte honingoogst en een ernstig geschokt vertrouwen in het voortbestaan van het R.M., kwam als derde nadeelige factor de intrekking van het Rijkssubsidie. Het is waarlijk niet goed te begrijpen, dat de Regeering, die door middel van het Departement van Arbeid, Handel en Nijverheid destijds de oprichting van het Ned. Honig-contrôlestation daadwerkelijk meende te moeten stimuleeren, plotseling iedere verdere geldelijke bijstand overbodig oordeelde, juist in een tijd, waarin abnormaal slechte honigjaren op zichzelf reeds een bedreiging voor het bestaan van dit station vormden. Bovengenoemde factoren zijn oorzaak geweest, dat het jaar 1937 een nadeelig saldo van f 1427.61 heeft opgeleverd. Dit bedrag is feitelijk nog eenigszins geflatteerd, omdat op de exploitatierekening geen post behoefde te worden uitgetrokken voor salaris van den Directeur. Dr. de Boer, die aan het R.M. zijn hart verpand heeft, verklaarde zich namelijk bereid om zijn werkzaamheden gratis te willen verrichten. Voorwaar een schitterend aanbod, doch de vraag rijst hierbij onwillekeurig of het juist is, dat de georganiseerde imkerswereld van Nederland, omvattende ± 20000 bijenhouders, met goed fatsoen zal mogen voortgaan met te profiteeren van de werkkracht en de energie van iemand, die reeds zoolang op overtuigende wijze de Nederlandsche Bijenhouderij onschatbare diensten heeft bewezen.
Voor 1938 heeft het Rijk wederom een bescheiden subsidie in uitzicht gesteld. Op f 500.- zal mogen worden gerekend. Bij een normaal honigjaar zal met behulp daarvan wellicht een sluitende rekening kunnen worden verkregen. Een billijke vergoeding voor den directeur zal er echter niet af kunnen. Als men dan bedenkt, dat een slechte honigoogst ook in het loopende jaar niet tot de onmogelijkheden behoort, wordt het zonder meer duidelijk, dat zonder verhooging van het Rijkssubsidie, de toekomst van het Honigcontrôlestation wel op een zeer wankelen finantieelen basis zal blijven rusten.
Nu heeft men de intrekking van het Rijkssubsidie wel eens verdedigd met de bewering, dat de organisaties voor de instandhouding van het R.M. zoo weinig eigen offers hebben gebracht. Van een vereeniging als de onze, die in vijf jaren tijds een bedrag van f 5000.- aan het reservefonds heeft toegevoegd, kan zooiets waarlijk niet met vrucht worden betoogd. Nu is het R.M. niet uitsluitend voor de bijenhouderij van beteekenis. Ook de fruitteelt heeft daarbij indirect belang. Een redelijke honigprijs vormt, zoolang er in ons land nog voldoende drachtmogelijkheid bestaat, een onmisbare voorwaarde voor het op peil houden van een behoorlijke bijenstapel. In een tijd, waarin ook van regeeringswege een open oog wordt getoond voor de moderne eischen welke aan de fruitteelt, wil men de concurrentie met het buitenland kunnen volhouden, moeten worden gesteld, past een extra zorg voor hen, die voor het noodige bestuivingsmateriaal zorg dragen, volkomen.
Uitbreiding van het aantal bijenvolken is dringend geboden, zoo leeren ons de tuinbouwconsulenten uit den treure. Dit doel kan mede worden bevorderd, via den steun aan het Rijksmerk. Dit merk, mits in breeden kring bekend gemaakt en gewaardeerd, zal ongetwijfeld er het zijne kunnen toe bijdragen om den prijs van den Nederlandschen honig op een redelijk peil te handhaven. Verdwijning van het R.M. daarentegen, zal noodwendig tot gevolg hebben dat vele handelaren, die thans nog alleen het eigen product verkoopen, zich op den handel van den buitenlandschen honig zullen gaan toeleggen. De consument zal daarvan niet veel behoeven te merken en zeker niet, wanneer de vroegere rijksmerkimkers het weinig verheffende voorbeeld van hun huidige collega's, die buitenlandschen honig onder Nederlandsche vlag in den handel plegen te brengen, gaan navolgen. Terwijl men nu amper van een loonende prijs kan spreken, zal men dan in vele gevallen niet eens meer zijn onkosten zien goedgemaakt. Ik vraag mij daarom in gemoede af, hoe het dan zal moeten gaan met de tallooze kleine imkers, die in onze groote vereeniging zijn georganiseerd en die, tengevolge van de moordende concurrentie van den buitenlandschen honig, onder allerlei bedriegelijke voorwendsels op de markt geworpen, geen loonenden prijs meer voor hun kostelijk inlandsch product zullen kunnen bedingen. Op den duur kan dit voor de fruitteelt niet anders dan rampspoedige gevolgen met zich sleepen. Op bovenstaande gronden, is de hier bepleite verhooging van het Rijkssubsidie alleszins rechtvaardig en van 's Rijks belang te achten.
Het derde bezwaar raakt in hoofdzaak onze afdeeling Handel. De door die instelling verhandelde honig wordt feitelijk dubbel belast. Hieraan tegemoet te komen, kan heel gemakkelijk, aangezien het reglement van het Ned. Honig-contrôlestation geen bepalingen bevat, welke zich zouden verzetten tegen een restitutie van rijksmerken voor honig, welke, na het ondergaan van een bewerking, opnieuw ander het R.M. in den handel wordt gebracht. Een dergelijke restitutie is zonder meer billijk en zal den afzet van afdeeling Handel gunstig kunnen beïnvloeden. Het spreekt vanzelf, dat aan andere wederverkoopers een zelfde recht zou moeten worden toegestaan.
Tot slot van mijn beschouwingen, moge ik nog de aandacht vestigen op de plicht, welke op de besturen van de deelnemende bijenhoudersorganisaties rust, om voor het vervolg meer aandacht te wijden aan de propaganda. Voor alles is echter noodig dat men onomwonden ten gunste van het R.M. stelling neemt. Dit is tot heden veel te weinig gedaan. Er moet net zoolang op het aambeeld der publieke belangstelling worden gehamerd, totdat het bij den consument voldoende weerklank vindt. Daarom kan en mag niet worden volstaan met af en toe opnemen van een artikeltje in onze vakbladen, waarin op het belang van het R.M. wordt gewezen. Wil men het groote publiek inderdaad bereiken, dan zullen andere wegen moeten worden ingeslagen. Propaganda in gewestelijke landbouwbladen, en deelname aan fruitteelt- en landbouwtentoonstellingen kan reeds aan het gestelde doel bevorderlijk zijn. Onafwijsbare voorwaarde voor succes is en blijft echter voor alles de overtuiging van het nut en het vertrouwen in de toekomst van het Rijksmerk bij ieder onzer, die daarmee te maken heeft.
KERK-AVEZAATH, Maart 1938.
VAN RAPPARD.