Wat is er in Mei op de bijenstand te doen?
De Meimaand is voor de gehele ons omringende natuur een buitengewoon belangrijke tijd van voorbereiding en dit geldt voor onze bijen wel zeer in het bijzonder. De korfimker heeft te zorgen dat hij zijn volken zwermklaar krijgt, de kastimker, die profiteren kan van een goede zomerdracht, welke meestal ongeveer midden Juni begint, moet zijn volken tegen die tijd op vlieghoogte gebracht hebben. Voor beide geldt dus het parool: Zorg dat Uw bijenvolken zich zo goed mogelijk ontwikkelen. Fok bijen!
In streken zonder dracht moeten de volken dus door drijfvoedering tot groter broedaanzet worden aangezet.
In streken, waar in Mei een goede natuurlijke dracht op fruit en paardebloem is, loopt die ontwikkeling meestal zonder veel hulp vlot van stapel. In goede jaren moet er op gelet worden, dat de bijen niet te veel honig en stuifmeel opbergen in het broednest (zogenaamd verhonigen). Er moet dan gedurende de fruitbloei al een honigkamer op de volken geplaatst worden. Het gebeurt echter maar zelden, dat een zodanig overschot verzameld kan worden, dat er na de fruitbloei kan worden geslingerd.
Begin Mei is het de beste tijd om kunstraten te laten uitbouwen. Ramen met veel darrenwerk of met oude raten worden verwijderd en ramen met gehele vellen kunstraat worden ervoor in de plaats gebracht. Het vlugst worden deze kunstraten uitgebouwd midden in het broednest, maar ook hier geldt weer: Let erop, dat deze nieuw uitgebouwde ramen bij goede dracht niet verhonigen. Het broednest behoort gevuld te zijn met broed.
Zodra meestal omstreeks 20 Mei fruit en paardebloem zijn uitgebloeid, is er voor de bijen zo goed als niets meer te halen. Het is van groot belang de volken dan weer te gaan voeren om de broedaanzet te bevorderen en ook omdat in een dergelijke drachtloze periode gemakkelijk zwermplannen ontstaan. Goed ontwikkelde volken kunnen ongeveer tussen 20 en 25 Mei worden omgehangen, ook al om het zwermen tegen te gaan. Weet ge echter door ervaring, dat het in Uw streek zeer moeilijk is, de volken gedurende de gehele zomer vrij van zwermplannen te houden, dan is het beter te zorgen, dat de kastvolken in de eerste week van Juni zwermrijp zijn. De oude moeren kunnen dan verwijderd worden, het eenvoudigst als geknipte moer, en we laten de volken zelf een jonge koningin fokken. De volgende maand kom ik hierop nog wel terug, ik wilde er alleen op wijzen, dat het in dat geval niet nodig is in Mei maatregelen te nemen om het zwermen tegen te gaan.
De korfvolken geven in de tweede helft van Mei aan den imker volop werk. Ze worden zwermrijp en laten we de voorzwermen alle als natuurzwermen afkomen, dan moeten we dagen aaneen voortdurend op de stal aanwezig zijn om de zwermen te scheppen. Daarom is het beter alle volken af te jagen, zodra een of meer volken gesloten moercellen hebben of zodra er een zwerm afgekomen is. We hebben dan meteen het voordeel, dat ook het afkomen van de nazwermen op een veel kortere periode samengedrongen wordt, zodat we ook daarvoor minder tijd nodig hebben. Het "lopen" van de bijen bij het jagen kunnen we zeer bevorderen door een handvol fijngesneden nat gras (stukjes van 1 à 1½ c.m.) in de korf op de bijen te strooien. Deze trachten dan de neervallende grassprietjes te ontwijken, ze worden onrustig en vluchten naar boven, waardoor ze in de jaagkorf terechtkomen.
Let er vooral op, dat de te bevolken korven vrij zijn van vreemde geuren (kippen, muizen, schimmel e.d.), daar de zwermen dergelijke korven onherroepelijk verlaten. Het verdient aanbeveling de korven van binnen flink te bevochtigen met water, ze uit te wrijven met wat gras of een stuk papier er in te verbranden, zodat de nog in de korf aanwezige stukjes was iets beginnen te smelten. Hierdoor ontstaat een frisse wasgeur, die de bijen aangenaam is.
Hoeveel zwermen een korfimker van zijn volken moet aannemen en opzetten is moeilijk te zeggen. Zetten we te veel zwermen op, dan krijgen we wel een groot aantal volken, maar tegen de heidedracht hebben deze zich niet voldoende kunnen ontwikkelen, zodat ze dan niet sterk genoeg zijn om een flinke hoeveelheid honig te verzamelen. Denken we daarentegen door het opzetten van weinig zwermen extra sterke volken te kweken, dan kan het zijn, dat we ons te zeer beperken, zodat tegen of in de heidedracht in hoofdzaak bij de voorzwermen weer zwermplannen optreden.
Om deze te kunnen beheersen, moeten we in die tijd ook de beschikking hebben over zwakkere volken, waarmede we in de zwermtijd reeds rekening moeten houden. Door jarenlange ervaring zijn in de verschillende delen van ons land bepaalde gewoonten ontstaan, zodat het het beste is, in deze raad te vragen van oude bekwame korfimkers. Het is onmogelijk hier een voor alle delen van ons land passend recept te geven.
E., L.