Moet de koude bouw voor warme plaats maken?
In een zeker zeer lezenswaardig opstel van H. Reinarz, Schriftleider i. R., getiteld: "Wat leren ons de bijenvolken welke in het wild leven?" in het April-no., geeft hij als zijn conclusie aan (bl. 110) "De imker mag, wanneer hij op natuurlijke wijze wil imkeren, geen zuivere koude bouw dulden".
Het zou er voor ons Nederlandse imkers slecht uitzien, als dit moest worden toegestemd en dus ook in praktijk worden gebracht. Want voor zover mij bekend, komt ten onzent bijna alleen koude bouw voor. En dus zou er een ware revolutie ten aanzien der door ons gebruikte woningen nodig zijn.
Maar is het werkelijk zo en heeft de schr. met zijn conclusie gelijk?
Hij is daartoe gekomen omdat hij bij meer dan 70 wilde volken geen enkel volk vond, dat zijn nest in koude bouwstelling der raten inrichtte. Hij leidt hieruit af, dat "koude bouwstelling der raten niet in de aard der bijen ligt". Echter schrijft Gerstung in zijn boek: Der Bien 6e Aufl. S. 222 (door mij vertaald): "Zoals reeds werd gezegd, kan men niet met zekerheid vaststellen, waaraan de bij in natuurstaat de voorkeur geeft, want er zijn holle stammen met warme en met koude bouw, evenzo met dwarse bouw en zo is het ook bij een holle tak". Het is dus nog de vraag of de waarneming van den schr. niet aan bizondere, gelijke omstandigheden moet worden toegeschreven, want het is m.i. niet aan te nemen, dat Gerstung zoiets in zijn boek zou hebben overgeschreven zonder hiervan zeker te zijn.

Maar al zou G. zich hebben vergist en R. de ware toedracht hebben ontdekt, dan nog acht ik zijn conclusie niet gerechtvaardigd. En wel om het grote verschil tussen het verblijf in de vrije lucht en in een kast. Vrij opgehangen is het nest aan alle kanten voor een luchtstroom toegankelijk, maar in een kast treedt alleen door het vlieggat de lucht toe, zodat de bijen bij warme bouw meer moeite zullen hebben om waterdamp weg te malen en de lucht te verversen dan bij koude bouw. Daarom is het zeker begrijpelijk, dat buitenhangende volken zich door warme bouw tegen wind en regen zoeken te beschermen. Ook die in holle bomen of andere holle ruimten zich ophouden kunnen zich zodoende beter beschermd gevoelen. Zodat het nog de vraag is of zij in een kast gehuisvest, waar zij naar vrije keus koude of warme bouw kunnen bewerkstelligen, aan het laatste de voorkeur zouden geven.
Hoe het zij, zo is toch duidelijk, dat bij een vrij beperkte vliegopening, de buitenlucht bij koude bouw beter toegang heeft tot alle raten dan bij warme bouw. En dus ook de bijen, die voor waterverdamping en luchtverversing zorgen, minder werk zullen hebben bij koude dan bij warme bouw.
Gerstung geeft nog een ander argument, dat zeker van veel meer gewicht is en m.i. de doorslag geeft. Hij wijst er op, dat bij liggende ramen en zo is het bij de Simplexkast, die bij ons het meest gebruikelijk is - de bijen de wintervoorraad aan de achterzijde der ramen opbergen en dat zij naar achter teruggaande al het aanwezige voedsel boven het broednest brengen en in de winter dus naar boven trekken. Zodat bij liggende ramen alleen bij koude bouw de bijen tot haar voorraad toegang hebben. Hij zegt dan ook, dat de ervaring leert, dat van de 100 volken, die van honger sterven hoewel de voorraden nog niet zijn verbruikt, zeker 99 omkomen omdat de ramen niet in koude bouw staan! Derhalve is warme bouw alleen passend, bij staande ramen, maar bij liggende koude bouw een onmisbare vereiste.
Mr. A. VAN DER FLIER.
Naschrift.
De conclusie welke dhr. Reinarz uit zijn waarnemingen trekt lijkt ons ook wel wat erg voorbarig genomen, doch dat neemt niet weg, dat wij in geen geval deze waarnemingen mogen wegcijferen, hetgeen trouwens ook niet de bedoeling van dhr. v.d. Flier is. Integendeel, het zou tot de oplossing van dit probleem kunnen bijdragen, indien nog meer waarnemingen op dit gebied werden gepubliceerd.
Zo kan ieder korfimker waarnemen, dat de bijen, zelfs bij onberispelijke voorbouw in koude bouwstelling, heel vaak neiging vertonen om de raten aan de vlieggatzijde om te buigen, zodat aan de voorkant warme bouw ontstaat, welke zelfs, indien niet tijdig door den imker wordt ingegrepen, tot warbouw overgaat, terwijl iedere imker er angstvallig voor zorgt, dat zijn zwerm zal bouwen in de door hemzelf gewenste richting.
Reinarz wil de proef laten nemen in een glazen stolp zonder enige voorbouw; hij voorspelt warme bouw.
Geeft men in korven of kasten géén richting aan, tien tegen een, dat men óf warme- óf warbouw krijgt. Geen enkel behoorlijk imker riskeert dit.
Staan wij tegenover de conclusie van dhr. R. dus nog wat gereserveerd, niet is dit het geval met zijn veronderstelling, dat de bijen warmbouw prefereren boven koude bouw, alle theorieën ten spijt.
Moet men nu aan die neiging van de bijen toegeven? Dat is een vraag op zichzelf, welke niet zo eenvoudig is op te lossen. In de praktijk van de bijenteelt wijkt men dikwijls nog al heel veel af van de neigingen der bijen. Wij denken hier b.v. aan de zucht tot zwermen, het lang aanhouden van een oude moer enz. De raad van Gerstung was volkomen ad rem toen hij beweerde, dat bij warmbouw steeds "staande" ramen moesten worden gebezigd. Dat was echter een stukje praktijk. Zo "verstandig" zijn de bijen niet, dat zij aan hun lot overgelaten, deze praktijk in toepassing brengen.
De lezer heeft wel bemerkt, dat de foto bij het artikel van Mei op zijn kop staat.
RED.