De weg tot een rendabele bijenteelt
III
Alvorens we onze mening zullen weergeven, hoe te komen tot een rendabele bijenteelt, zullen we eerst een antwoord moeten geven op hetgeen zo voor en na tegen onze vaderlandse bijenteelt wordt aangevoerd. We noemden: ons klimaat is ongeschikt voor de bijenteelt, onze bijenteelt is hopeloos achterlijk, er is geen bijenweide, onze honing deugt voor de koekbakkerij niet, er wordt geen uniform product geoogst en onze bijen deugen niet.
Achterlijke bijenteelt. Het achterlijk zijn van onze bijenteelt zou dan in hoofdzaak bestaan in het feit, dat er nog veel bijen in korven worden gehouden. Het is bekend, dat de heide-imker zich nog steeds vasthoudt aan het korfbedrijf; met dit bedrijf is hij vertrouwd geraakt. Het korfbedrijf heeft zich aangepast aan de streek waar het wordt uitgeoefend. In de voorzomer een vermeerdering van volken, 'n 2 à 3-voudige hoeveelheid volken ten tijde dat de heide bloeit.
Al hadden onze voorvaderen niet de beschikking over veel wetenschappelijke lectuur over bijenteelt, we kunnen een eresaluut brengen aan den korfimker van vroeger, die het verstond met primitieve middelen een behoorlijke honing- en wasoogst te verkrijgen. Ook de hedendaagse korfimker, voorzover hij zich dit nog financieel kan veroorloven, verstaat de kunst om uit het korfbedrijf te halen wat er uit te halen is. Dat hem dit echter steeds moeilijker valt komt, omdat de boekweitvelden zijn verdwenen en dat, b.v. door ontginning, de heide zeer aan het inkrimpen is, terwijl de reizen naar koolzaadvelden en fruitstreken meer dan vroeger speculatie is, een speculatie welke hij zich moeilijk kan veroorloven.
Zijn mindere oogsten mag men dus allerminst gooien op de achterlijkheid van zijn bedrijf, dat aangepast is aan de bizondere omstandigheden van de streek waarin hij leeft. Hoofddoel was en is honing voor de industrie te oogsten en zoveel mogelijk te voorzien aan de behoefte aan was, welke onmisbare en nuttige stof alleen het korfbedrijf kan opleveren. Een behoorlijk jaar levert den vakbekwamer korfimker ook nu nog een aardig kwantum ruwe honing op, welke als regel wordt opgekocht door handelaren in honing, die dit product een bewerking doen ondergaan en dan b.v. als pershoning in de handel brengen. Waar de korfimker gewoonlijk alleen maar gelet heeft op de totale opbrengst van zijn stand, noemt hij een goed jaar, indien dit eindbedrag boven het middelmatige ligt. De tijd aan zijn bijen besteed rekent hij niet. Rekende hij alles haarfijn uit, dan zou hij wellicht tot de conclusie komen, dat een goed jaar dikwijls nog een slecht uurloon heeft opgeleverd.
Natuurlijk zullen wij niet ontkennen, dat er achterlijke korfbedrijven zijn, doch het feit, dat een imker zweert bij het korfbedrijf, stempelt hem nog niet tot een achterlijk imker.
Over het kastbedrijf behoeven wij hier niet te spreken; de kritiek heeft dit bedrijf wijselijk gespaard, al weten de insiders wel, dat er naast achterlijke korfbedrijven ook achterlijke kastbedrijven zijn... niet alleen in ons land!
Door de moeilijkheden t.a.v. de honingverkoop en de lage prijzen welke men voor zijn product kan bedingen kan echter korfimker, noch kastimker zich ten volle ontplooien.
Te weinig drachtbronnen en te geringe honingproductie. Inderdaad zijn de drachtbronnen aan het afnemen door omstandigheden hiervoren al genoemd. Het ergste is echter, dat nog vele drachtbronnen niet kunnen worden benut, daar de imker zich de weelde van het reizen naar die drachtstreken niet kan veroorloven omdat het hem nu eenmaal financieel niet past goed geld naar kwaad geld te gooien, m.a.w. de financiële uitkomsten uit zijn bedrijf - lage prijs en slechte verkoopsmogelijkheden - hoeden hem voor speculatie.
Zou hij er echter van overtuigd zijn, dat zijn product lonend kon worden verkocht, hij aarzelde geen ogenblik het risico van een misoogst te dragen, dat hebben ons de voorbije oorlogsjaren wel geleerd.
Ondanks dit veiligheidshalve dicht bij huis blijven wordt er in ons land bij een normale dracht toch nog zo'n 1.500.000 à 2.000.000 k.g. honing geoogst, al komt die niet in zijn geheel in de handel. Zo lang de zaken nog zó staan, kan men van weinig betekenende drachtbronnen kwalijk spreken, evenmin van een niet deugen van het klimaat voor de bijenteelt, al zou natuurlijk een wat beter klimaat te prefereren zijn.
Onze honing ongeschikt voor de koekbakkerij. Zelf bakken wij meermalen een heerlijk koekje van onze eigen gewonnen honing, een koekje, dat niet droog wordt en gretige magen vindt en tal van imkers verstaan die kunst. In de oorlogsjaren kwam onze honing in distributie ten behoeve van de koekindustrie en lazen wij onlangs niet in een reclame van een onzer grootste koekfabrieken, dat de beste producten in de koek werden verwerkt... honing van de geurende Drentse heide!!
Over de waarde van onze bijen schrijven we hier niet; daar hebben we al eerder het onze over gezegd.
Rest nog, dat wij geen uniform product oogsten. Inderdaad. Wij hebben in ons 2e artikel daar al op gewezen en van al de verwijten aan het adres van den imker is dit er een waarmede men voor de dag kan komen. Wie, zoals ondergetekende, meermalen honing moet keuren, ervaart, dat zelfs imkers uit een zelfde streek honing van verschillende kleur en samenstelling oogsten. Dit bezwaar zou echter op slag veranderen, indien de honing op verschillende centra gezamenlijk tot een eenheidsproduct werd verwerkt. In ons plan zal deze, o.i. urgente, kwestie echter nader worden besproken.
STELLING I.
Een goede en goed verzorgde bijenstapel is er in ons land nodig om aan de behoefte aan bijenvolken tijdens de bloeitijd van ooft en zaad te voldoen en tevens zoveel mogelijk aan de behoefte aan honing en was.
STELLING II.
De bijenteelt moet in handen zijn van terzake zeer deskundige imkers.
STELLING III.
Waar bovengenoemde stellingen slechts mogelijk zijn bij een lonend bedrijf, moeten er wegen worden gezocht en gevonden om te bereiken, dat de Nederlandse bijenteelt lonend zij.
Stelling I. De fruit- en zaadteler heeft behoefte aan volken welke op het juiste ogenblik sterk aan bijen zijn. Zo zal dus de boomgaardbezitter in April en Mei moeten kunnen beschikken over sterke bijenvolken. Waar het soms slechts enkele vlieguren zijn, spreekt het vanzelf, dat alleen zéér sterke volken hem profijt kunnen opleveren.
De bijenhouder moet ten tijde, dat er een hoofddracht is, kunnen beschikken over volken met een maximale hoeveelheid vliegbijen. Ook hij moet dus op het juiste ogenblik krachtige volken bezitten. Beschikt hij daarover niet, dan zal zijn honingoogst weinig meer dan nihil betekenen.
De fruitkweker, zowel als de zaadteler, kan zijn geld overal beter voor besteden, dan voor bijenvolken, die voor zijn bedrijf ongeschikt zijn.
Waar men op het ogenblik niet aan denkt, dat is aan de mogelijkheid dat ons land wel eens op eigen productie, óók van honing en was, zou kunnen worden aangewezen.
Al denken we nog niet eens in de eerste plaats aan deze laatste producten, dan zijn vooral in oorlogstijd in ons land bijen nodig voor de bestuiving van de velden met gewassen, welke ons het oliehoudend zaad leveren. Het is ten enenmale uitgesloten, dat men dan pas aandacht aan onze bijenhouderij kan schenken. Dat dient thans - en gezien het dreigend oorlogsgevaar - juist thans te geschieden.
Hoe beter onze bijenstand is, hoe meer volken er zijn, hoe beter onze bijenvolken in conditie verkeren, des te beter kunnen we in deze behoeften voorzien.
Stelling II. Het is uitgesloten, dat men maar een-twee-drie ervaren imkers uit de grond stampt. Daar is niet alleen grondige kennis voor nodig, doch ook jarenlange ervaring. Daarom is het nodig, dat ons land weet, dat de kern van de bijenhouderij in handen is van imkers, die voor 100% met het bedrijf in alle omstandigheden vertrouwd zijn. Niet slechts hij, die de verschillende handgrepen welke nu eenmaal aan een bijenteeltbedrijf vastzitten, behoorlijk kan uitvoeren is een bekwaam imker, doch hij, die bovendien zijn weg in de verschillende, soms zeer uiteenlopende, omstandigheden weet te vinden.
In het slotartikel zullen wij een weg aangeven welke, volgens onze mening, de bijenteelt in ons land weer voert naar een lonend bedrijf.
JOUSTRA.