Imkers van Nederland,
Oost, West en Zuid,
Ging 't als hun bijtjes,
Ze zwermden weer uit.
Ook koninginnen,
Tweehonderd of meer,
Waren als kippen
Er bij deze keer.
Nu was de trek niet
Naar heide of zee,
't Parool was: "naar Twente!"
Op naar Enschede!
Speurders, ze hadden
(Als speurbijen doen)
Deez' plaats gevonden;
"Oké" was 't en toen
Stroomden de Imkers
Per bussen en trein,
Om op dat feest
Tegenwoordig te zijn.
Ruim 'n achthonderd
n' Voorzwerm zo zwaar,
Was nog maar zelden
Gezien als dit jaar.
Velen toch wisten
Uit 't "Groentje" misschien,
Dat veel int'ressants
Was in Twente te zien.
Eén van de Speurders
Krijgt hier nu 't woord;
Hij zal in 't kort
U vertellen zo 't hoort,
Dat er geen enkele
Imker of moer,
Onvoldaan korfwaarts
Weer ging na, die „Tour".
Omstreeks 10 uur,
Was 't enorme getal
Imkers in Twente
Aanwezig en 'k zal
Even vermelden dat
Daar aan de trein,
Ook bij de bussen,
Reeds gastheeren zijn.
In de Stadssocieteit,
Reeds met nectar verwend,
Toen volgde 'n „Speech"
Van den Imk-president.
Na 'n inleidend woord
Van 'n and're heer
En 'n Magistraatsspeech,
Daarop zwermden we weer.
Langs Enschedees Raadhuis,
Die kast moest men zien,
Was 't een nieuw soort „Alberti"
Met toren misschien?
Men trok naar 'n korf
('k Meen 'n andere zaal)
Voer - nectar met stuifmeel -
Gul Twents was t' onthaal.
Geen peper gemengd,
Wat voor bijtjes zo'n last;
Dus de Fiscus bedot
Voor 't gerief van de gast.
Doch 't interessantste
Dat volgde er toen
Men toog naar fabrieken
Voor wol en katoen.
Daar was 'n gezoem,
'n Gebrom en lawaai,
En ijverig werken,
Geloop en gedraai;
Veel vlijtige meisjes,
Zo vlug als 'n bij
('t Was of 'n filmbeeld
Aan 't oog trok voorbij)
Ze sponnen en weefden
Er draden aan draad;
In 't nijvere Twente
Woont 't volk van de daad.
Daar hebben wij,
Neêrlandse Imkers, gezien,
Hoe prachtige stoffen
Ontstaan per machien.
Bewonderenswaardig
Die kunst - en 't geluid -
Doch lang in zo'n werkkast,
Geen bij hield 't uit.
En ook wij - de Imkers -
Gaan na 'n paar uur,
Weer liever per bus
Door Gods fijne natuur.
d' Indrukken te schild'ren
Van 't groot Imkersvolk,
'k Geloof dat met recht
Ik van velen de tolk,
Wanneer 'k eerlijk zeg
'k Weet - geen gast had gedacht,
Dat Twente zo mooi was -
't Landschap zo'n pracht!
Dat Enschede zelf
Zo'n modern fijne stad.
Geen Imker die thuis
Deze voorstelling had.
Na d' autotocht streek
Heel de Imkerzwerm toen,
Daar neer op 't Volkspark
Met 't heerlijk plantsoen.
'n Dank en 'n Slotwoord
En uit was de pret;
't Ging hen als hun bijtjes -
Weer korfwaarts, naar bed!
Op weg naar de haardstee,
Zuid, Oost, West en Noord,
Heeft men hun tevreden
"Gezoem" nog gehoord.
En 'k heb af en toe
Deze zin nog verstaan:
"Fijn! dat we dit jaar
Zijn naar Twente gegaan!!"
ENSCHEDE, Augustus 1938.
P. W.