Over de bevruchting van het bijenei.

Het zaad van de darren wordt gevormd, zoals bij alle dieren, in de ballen. Het bestaat uit zeer dunne draadjes met een korte verdikking aan een der beide uiteinden. Zoals bekend is gaat bij de paring al het zaad over in het zaadbeursje der koningin. Prof. Buttel Reepen schat het aantal op 200 millioen.
Deze voorraad moet voor het gehele leven der koningin dienen, want een tweede paring is nog nimmer waargenomen. Het zaadbeursje is omgeven met een zeer fijn klierweefsel, dat voor het onderhoud der zaaddraden bepaalde stoffen uit het bloed opneemt en dit aan hen afgeeft. Moet uit het afglijdende ei een vrouwelijke larve komen, dan wordt het dikke eind van het ei (de kop) tegen de opening van het zaadbeursje gedrukt, waardoor zo'n dun draadje naar buiten komt en door de kleine opening in het ei (micropile) binnen in het ei komt. Het ei is gevuld met een eierdooier. Alleen aan de kop van het ei is een klein lichaampje, de celkern, die als de vrouwelijke celkern beschouwd moet worden. Het zaaddraadje wordt met het dunne gedeelte in de eierdooier geabsorbeerd; alleen het dikke einde blijft er van over en moet als de mannelijke celkern beschouwd worden.
Deze mannelijke en vrouwelijke kern verenigen zich tot één kern, welke de erfaanleg van beide ouders bezit. Uit deze verenigde kernen ontstaat de larve, later de nymph en eindelijk de bij. Die verenigde kernen vormen samen een lichaam, dat zich in 2 helften verdeelt, iedere helft verdeelt zich weder in 2 helften en dit herhaalt zich vele malen, totdat in drie dagen de larf gevormd is. Voor deze herhaalde delingen wordt de gehele eierdooier geabsorbeerd.
Reeds 2 dagen na het leggen van het ei kan men met een gewone loupe de vorm van het larvenlichaam onderkennen. De derde dag barst het ei en ligt een kleine larve in de cel. Wordt de larve dan door gaas opgesloten, dan sterft zij spoedig de hongerdood, want al het voedsel uit het ei is verteerd. Dit is de oorzaak, dat de broedbijen aan de pas geboren larven onmiddellijk voedsel gaan geven.
Het kan de indruk maken van een wonderlijk verhaal; maar gaat het bij de planten niet op een dergelijke wijze? De stuifmeelkorrel op de stempel vormt een puntig verlengsel, dat in de holle stijl doordringt, voedingsharen zorgen voor de groei van het puntige verlengsel tot het onderste einde, waar de celkern is, het poortje (micropile) van het plantenei in het vruchtbeginsel naar binnen kan dringen, zodat ook daar een vereniging van de mannelijke celkern in het stuifmeel met de vrouwelijke celkern in het plantenei tot stand komt. Nu is de bouw van de bloemen van de Lucernklaver zodanig, dat de bijen de nektar kunnen weghalen zonder met het stuifmeel in aanraking te komen. Het gevolg daarvan is dat veel zaad onbevrucht blijft en bij het uitzaaien niet ontkiemt.
Om deze beschrijving duidelijk te maken dient de foto.
Naar E. Otto.
Fig. I. Het ei met eikern, het poortje (micropile) en zaaddraad. Fig. II. Het ei met de eischaal en eikern.
Fig. III. De verenigde ei- en zaadkern.
Fig. IV. De eikern en zaadkern ieder afzonderlijk.
Fig. V. De rugzijde van het ei.
Fig. VI. De dooiercellen van het ei.
Fig. VII. De larve met de mond (b), de aars (a), c hier ontbreekt nog de verbinding van de maag met de aars; die komt echter later tot stand.
Wie nu vraagt wie leerde de koningin het ei met het stompe einde tegen het zaadbeursje te drukken? Prof. Buttel Reepen schreef daarop in de noot van S. 231 zie B II N. 15: Wie leerde de koningin haar bevruchte eieren in de kleinste- en de moercellen af te zetten? Wie leerde het volk moercellen te bouwen? Wie zendt de speurbijen uit (zij komen bij iedere zwerm voor) ? Dit alles geschiedt zonder voorbeeld en zonder enige herinnering er van te hebben. Verklaren kan de wetenschap dit niet.
L.J. VAN RHIJN.