Bijenteelt buiten de grenzen.


VI.


Internationale Bijenteelttentoonstelling 1938, Namen.

Met genoegen heb ik een paar dagen op deze tentoonstelling doorgebracht en, hoewel zij in wezen geen internationaal karakter droeg (er was één inzending uit Nederland en één uit Jugoslavië, de rest was uit België), heb ik er een algemeen overzicht kunnen krijgen over de bijenteelt in België, in het bijzonder over het Namense, welk overzicht ik verder heb aangevuld door verschillende iemkers in het land te bezoeken.

De stand der Bijenteelt bij onze Zuidelijke buren vertoont in vele opzichten overeenkomst met die in ons land.
Het eerste wat iederen deskundigen bezoeker der tentoonstelling moet zijn opgevallen, is het grote aantal kasten van verschillend maaksel, dat tentoongesteld was en dat, naar me bij mijn uitstapjes bleek, nog met meerdere zou kunnen worden aangevuld. Evenals bij ons wordt er in België op dit gebied veel geëxperimenteerd. Men is met het bestaande niet tevreden. Veel van het tentoongestelde had, critisch bekeken, meer nadelen dan voordelen boven het bestaande. Met den bekenden Belgischen iemker Edm. Leysen zijn wij van mening, dat verschillende systemen, die zich de jaren door gehandhaafd hebben, ontworpen en beproefd werden door zeer ervaren iemkers en slechts na veel proefnemingen gestandaardiseerd werden, en dat men niet te gemakkelijk mag menen een bepaald systeem te kunnen verbeteren.

Er waren kasten, die voor een stal van enige omvang alleen reeds aan materiaal een klein kapitaal zouden kosten. Bijzondere aandacht trok een kast, die een soort Alley's val voor het vlieggat had en boven die val een koker of schoorsteen, die naar een der bovenbakken leidde. Ingeval er een zwerm zou afkomen, zou, volgens het betoog van den onvermoeiden uitvinder, deze door de schoorsteen naar boven trekken. De bijen van de zwerm zouden dan door een rooster en door een bijenuitlaat terugkeren naar het volk, terwijl de koningin boven de rooster zou achterblijven. Theoretisch is dit heel mooi, doch hoe komt het met de nazwermen? En wat, als de bijenuitlaat dichtgekleefd wordt, wat onherroepelijk gebeurt als het apparaat voor langere tijd wordt aangebracht?

Pogingen om de bijenteelt, voor zover mogelijk, te industrialiseren, hebben mijn volle sympathie, doch men moet er zich van bewust zijn, dat de eenvoudigste oplossing van een probleem in veel gevallen de beste zal blijken te zijn.
Verscheidene kasten waren reeds onbevolkt en zonder honing te zwaar om te hanteren.
Een goede reiskast heb ik niet kunnen ontdekken. Men vertelde me trouwens, dat er in Wallonië weinig gereisd wordt, wat uit verschillende andere factoren ook was op te maken, o.a. uit de zeer schaarse raathoning-inzendingen, waarover straks meer. Dat zij, die bijen houden louter voor de bestuiving van vruchtbomen, niet met hun bijen reizen, ligt voor de hand, doch voor hen kunnen de ingewikkelde kasten die tentoongesteld waren, moeilijk bestemd zijn. En dat zij, die bijen houden voor het honinggewin, door de zware, ingewikkelde en voor het reizen vrijwel onbruikbare constructie hunner kasten de mogelijkheid om ook van verder gelegen drachtbronnen (heide, fruit enz.) te profiteren reeds bij voorbaat uitsluiten, lijkt me principieel onjuist.
In een vorig artikel heb ik als mijn mening uitgesproken, dat de zwermbijenteelt hoe langer hoe meer aan betekenis zal verliezen. Deze mening vond ik ook voor België bevestigd in de constructie van verschillende kasten: er was een algemene tendenz te bespeuren om meer en grotere ramen in de kasten onder te brengen en de mogelijkheid te scheppen, de grotere kastruimte naar behoefte te verkleinen. De meeste broedkamers waren er op ingericht om 12 tot zelfs 15 ramen te kunnen bevatten. Ook het aanbrengen van met gaas bedekte en met een schuif afsluitbare luchtopeningen in de bodems der kasten wijst in die richting; in Engeland is deze methode om de
bijen op hete dagen zo koel mogelijk te houden trouwens reeds lang gebruikelijk. Sommige Engelse kastenbouwers hebben van die afsluitschuif een la gemaakt, welke dient om vluchtige medicamenten tegen bijenziekten toe te dienen (mijtziekte).
De raampjes zijn vrij algemeen van zwaardere constructie dan bij ons gebruikelijk is.

Afstandsblikjes heb ik weinig ontmoet. Deze worden veel vervangen door metalen afstandsbeugels, die men ook hier en daar in ons land wel aantreft: ze zijn het best te vergelijken met onze metalen draaglijsten, echter met inkepingen, waar de bovenlatten der raampjes in vallen. Dit brengt echter zijn bezwaren mee; men kan de ramen niet meer met meerdere tegelijk verschuiven en ook niet de afstanden, indien gewenst, groter of kleiner maken. Sommigen hebben gemeend dit bezwaar te kunnen ondervangen door afstandsbeugels aan de zijlatten der ramen te bevestigen. Voor ramen, die geslingerd moeten worden, acht ik dit echter niet zonder meer aanbevelenswaardig. Anderen hebben, waarschijnlijk geinspireerd door Engelse voorbeelden, het bovenstuk der zijlatten verbreed tot ongeveer 3.7 c.m., wat echter hetzelfde bezwaar heeft als de vast gemonteerde afstandsbeugels, terwijl bovendien de ramen, waar ze elkaar raken, zeer vast aan elkander worden gekit. Weer anderen hadden ondiepe gleuven in de draaglijsten aangebracht op ongeveer 3.7 c.m. van elkaar. In de zijlatten der ramen werden dan draagspijkers geslagen of draagschroeven gedraaid, welke in die gleuven vielen, zodat het raam zeer beweeglijk was opgehangen. Deze beweeglijkheid leidde er dan weer toe dat in sommige gevallen het onderste deel der zijlatten voorzien werd van meergenoemde afstandsbeugels of dat de zijlatten tussen een "zaag" moesten schuiven, evenals dat bij de boogjes van een boogkorf geschiedt. Beter lijkt me het idee om in de bovenlat der raampjes twee en in de onderlat één afstandsspijker of afstandsnagel te slaan, zoals dat in Zwitserland gebruikelijk is. Bij het slingeren der ramen steken deze spijkers gemakkelijk door de kooi van de slinger. Ik heb dit systeem zelf toegepast en het doet me plezier dat het ook in ons Land blijkbaar als eenvoudig en zeer doelmatig wordt beschouwd.

Het vraagstuk: "warme of koude bouw" schijnt in België nog niet accuut te zijn. De overgrote meerderheid der door mij aangetroffen kasten had koude bouw. Ik heb nog te weinig ervaring met warme bouw om een definitief oordeel te kunnen uitspreken; een groot voordeel is echter, naar de practijk mij leerde, dat de honing, die bij koude bouw achter in de broedraten geborgen wordt, bij warme bouw in de eerste ramen achter het broednest wordt geborgen, wat vooral voor raathoning van beteekenis kan zijn. Ik heb echter dit jaar voor het eerst proeven genomen met warme bouw en moet me dus mijn oordeel voorbehouden.

Zeer toe te juichen lijkt mij het streven om op Duits en Zwitsers voorbeeld het dekkleedje te vervangen door dekplankjes, die ieder twee of drie ramen bedekken en die de bijen gelegenheid geven tussen dekplankje en bovenlat te circuleren. Zelf heb ik dit systeem geprobeerd en ik prefereer het boven het dekkleedje. Mijn eerste ervaringen heb ik met een "kroonbord" naar Amerikaans voorbeeld opgedaan, een plank die de gehele kast afsluit. Zodra men dit kroonbord afneemt heeft men echter het gehele volk in rep en roer, wat voor een gedeeltelijke inspectie geheel onnodig is. De dekplankjes voor twee of drie ramen echter bevielen me heel goed: men heeft weinig dode bijen tussen dekplankje en raam, geen schuilplaatsen voor de wasmot, wat ik heel belangrijk vind, en de behandeling lijkt me ook rustiger en eenvoudiger dan met het bij ons nog gebruikelijke kleedje. Ook in ons land maakt het dekplankje vorderingen; voor de Simplexkast is het echter niet zonder meer geschikt, terwijl men het soms ten onrechte onmiddellijk op de ramen legt, waardoor deze over hun gehele lengte aan het dekplankje worden vastgekit, zodat men met het plankje ook een of meer (vooral lege en dus lichte) ramen oplicht. Ook lijken plankjes, die meer dan twee of drie ramen bedekken, me om meerdere redenen te groot.

LEEUWARDEN.
RINK GROENVELD.