Bijenteelt in Twente vroeger en nu.
Ingeleid op de 16e Ned. Imkersdag te Enschede door dhr. B.H. Lammerink.
Dames en Heren,
Het onderwerp van de inleiding, die ik voor U moet houden, "De Bijenteelt in Twente vroeger en nu", is zo veelomvattend, dat ik mij zeer zal moeten beperken. Maar ik hoop er in te slagen, U een beeld te geven van de ontwikkelingsgang van de Twentse Bijenteelt, door uit verschillende tijdperken enige onderwerpen te behandelen.
Ik heb mijn stof daartoe verdeeld in 3 delen, namelijk van 1500 tot 1800, van 1800 tot 1900 en de jaren na 1900.
Een der oudste op schrift gestelde gegevens, die we van de bijenteelt in ons gewest hebben is een wettelijk voorschrift, het eigendomsrecht van de zwermen betreffende. Dit voorschrift komt voor in het Landrecht van Overijssel en dateert ongeveer uit het midden van de 16e eeuw, dus omstreeks 1550. Als titel staat daarboven: Van Ymen Recht, en het luidt:
Item een Ymen is van natuyren wilt, wye die iersten vint mach hem hebben, inden dat die gene den die yme toebehoert en volget. Ende wanneer hem die yme uit den oogen is so is hye des Ymen quyt. Ende is saike dat die yme vlocht in eens mans vrucht, ende hem dat nyet verboden en wort van den ghenen den die grunt syne is so mag hye den yme nae hem nemen. Ende wort hem die gront verboden van den genen, die den gront toebehoort so sal hye van synen gront bliuen.In tegenwoordig Nederlands overgebracht staat hier dus:
Een bijenzwerm is van nature wild, wie hem het eerst vindt mag hem behouden, tenzij dat degene, die de zwerm toebehoort hem volgt. Wanneer die laatste de zwerm uit het oog verliest is hij hem kwijt. Voor het geval dat de zwerm vliegt in een andermans te veld staande gewassen, dan mag de eigenaar de zwerm scheppen, wanneer hem dat niet verboden wordt door den eigenaar van de grond. Wordt hem de toegang tot de grond verboden door degene, die de grond toebehoort, dan mag hij die grond niet betreden.
Wat er echter gebeuren moest, wanneer de eigenaar van de zwerm de toegang tot de bedoelde grond verboden werd, staat er niet bij. Ook niet of de eigenaar van de grond de zwerm dan mocht scheppen. Het zal dus nog wel eens voorgekomen zijn, dat hierover verschil van mening ontstaan is, zoals dat ook tegenwoordig bij weggevlogen zwermen nog wel gebeurt.
Uit oude geschriften kunnen we opmaken, dat honig en was zeer gewaardeerde producten waren en dit behoeft ons ook niet te verwonderen. Voordat de bereiding van rietsuiker bekend werd, was honig het enigst verzoetingsmiddel, dat men kende, terwijl het bijenwas in grote hoeveelheden gebruikt werd voor het maken van kaarsen. We zien dan ook, dat het was evenals andere landbouwproducten gebruikt werd als betaalmiddel voor de belasting, de zogenaamde tiendrechten, die de bevolking aan de edellieden, de Overheid en de Kerk moest opbrengen. Deze tiendrechten of wastienden gingen later na de hervorming over op de Protestantse kerken en zo vinden we bij voorbeeld in het Kerkenrekenboek van de Nederlands Hervormde Kerk te Enschede als inkomste geboekt:
Amelink in Lonneker geeft jaarlyx een half pond wasch, zoo betaalt is tot 1771 inclus ad f -.6.-. en in 1776 29 Oct. van Amelink ontfangen voor 4 jaar wasch f 1-4.
Dit was zal dus oorspronkelijk voor de kerkdiensten bestemd zijn geweest, later werd het niet meer in natura geleverd, maar door een opbrengst in geld vervangen. Het bedrag der belasting bleef echter vastgesteld in een hoeveelheid was. We kunnen hieruit meteen de prijs voor was in die tijd bepalen, namelijk 6 stuivers of 30 cent per half pond, dus f 1.20 per kilo.
Een ander bewijs voor het feit, dat was als betaalmiddel gebruikt werd, vinden we in oude gildebrieven. Dat waren de voorschriften, waaraan de leden der gilden zich hadden te houden. Tegenwoordig zouden we zeggen statuten en huishoudelijk reglement. In de gildebrief van het linnenweversgilde te Ootmarsum van 8 Augustus 1636 lezen we, dat bij toetreding tot het gilde moest worden betaald:
Door een vreemdeling:
10 goudguldens, een fijne kwartskan en een pond was.
Door een burgerkind:
5 goudguldens, een mengelkan en een pond was. D
Door een gildebroederskind:
2½ goudgulden, een oortskan en een pond was.
De schoenmakers van Delden moesten volgens hun gildebrief geven:
1 olde Fransche schild en 1 pond was in de hillige kerke der stad. We zien dus, dat dit schoenmakersgilde het was afstond aan de kerk en zodoende de kerk steunde.
Niet alleen echter de producten, ook de bijen zelf namen een belangrijke plaats in het leven der mensen in. Een interessante aantekening hierover vinden we in een oud notitieboekje van een boerenerve in Buurse. Meestal werden in deze boekjes de uitgaven en lonen voor knechten genoteerd, maar soms vinden we ook andere aantekeningen. Het bedoelde boekje gaat van 1714 tot 1834 en we vinden in 1714 de volgende klacht:
Doe kon ick twintigth gulden verdienen en ick most by myn vader en moeder te huis blyven, an my niets gegeven. Myn andere broers, die verdienden haar loon. Daar ben ick evenwel niet met vergenuget, dat ick myn beste kleederen most vor myn eigen gelt kopen en ick krygh geen loon.
Dye stuivers, die ick met myn ymen overgewonnen hebbe, dye most ick an kleederen leggen als ick kwam te trouwen, die kleer heeft my gekost 38 gl. 17 st.
Later noteert hij nog:
In 1719 hebbe ik kleer gekoft, laaken voor 30 guld...noch een saaye hemdrock voor my gekoft 3 gul. noch een paar kousen voor 34 st. betalt, noch een hood voor 36 st. Ick an die snyders betalt 2 gul. 12 st. van myn eygen gelt, dat my Godt heeft gegeven an myne ymen.
Deze boerenzoon is dus ontevreden erover, dat zijn broers zich als knecht kunnen verhuren bij andere boeren voor f 20.- per jaar, terwijl hij thuis geen loon ontvangt en wanneer hij gaat trouwen zijn uitzet moet betalen van het geld, dat hij gespaard heeft uit de opbrengst van zijn bijen. Opmerkelijk is het, dat hij schrijft, van mijn eigen geld, dat mij God heeft gegeven aan mijne iemen. Me dunkt, dat hieruit blijkt, dat de bijen hoog bij hem stonden aangeschreven.
Iets dergelijks blijkt ook uit het volgende. In het jaar 1644 is door toevallige omstandigheden een boedelbeschrijving van een der aanzienlijkste families in de stad Enschede opgemaakt en bewaard gebleven. Deze boedelbeschrijving bestaat uit 2 delen. Een huishoudelijk deel en een deel de landbouw betreffende. De beschrijving van de levende have in dit laatste deel luidt:
Item vier ymen, een peerdt, vyf koene, waarvan eene Berent Thiesinck toekompt, twee kalven, zes varkens, drye hoender met eenen Naenen, ende een henne met zes kuykens.
We zien hieruit dus, dat in 1644 binnen de stad Enschede reeds bijen werden gehouden en het merkwaardige is, dat deze bijen het eerst van alle dieren genoemd worden, zelfs nog vóór het paard en vóór de koeien. Dit kan toeval zijn, maar het lijkt me niet waarschijnlijk, omdat de volgorde overigens zeer logisch is, eerst het paard, dan de koeien, de kalveren, de varkens, de kippen en de hen met kuikens. Volgens mijn mening moeten we hieruit veeleer opmaken, dat de bijen een hogere plaats innam in het leven en denken der mensen dan de andere dieren. Zij behoorden als het ware tot het gezin.
We zien dit ook uit oude gebruiken, die bij dood en huwelijk ten aanzien van de bijen in acht genomen werden. De dood van den eigenaar werd de bijen aangezegd alsof het denkende wezens waren, men klopte tegen de korf en lichtte deze wat van de bodemplank, daarop riep de oudste zoon: "De baas is dood, now mor i-j wèrken vuur m i-j". Een spreuk op rijm, die hier zeer zeker bestaan zal hebben, is jammer genoeg verloren gegaan. Ook van het huwelijk van den eigenaar werd de bijen kennis gegeven. Ook hier is de spreuk op rijm verloren geraakt, maar in Westfalen, het aan Twente grenzende deel van Duitsland, is dit rijmpje nog wel bekend. Bruid en Bruidegom begaven zich naar de bijenstand en een derde sprak de woorden:
Immen in, Immen ut.
Hier is de jonge Brut.
Immen um, Immen an
Hier is de jonge Mann.
Immekes verlatt se niet
Wann se nu 'mal kinner kritt.
We kunnen echter gerust aannemen, dat dit rijmpje ook hier in gebruik geweest is, want de taal, het dialect, waarin het gesteld is, komt geheel met ons Twents dialect overeen.
Nog een aantekening over bijenwas komt voor in de Gerichtsprotocollen der stad Enschede in 1722 tot 1759. Hierin staat een recept voor het maken van zegelwas en wel in de volgende vorm. Neemt ½ lb was, 1½ stuy terpentyn, 1½ stuy sp. groen, kort gestoten; dit tezamen gesmolten in een nieuwen aarden pot en dan op een emmer water gegoten, koud geworden zynde moet zoo lange door malkanderen gekneet worden, totdat het taay wordt. Deze zegelwas werd door vorsten, edellieden en gemeentebesturen gebruikt om op belangrijke brieven hun zegel aan te brengen, ten bewijze, dat de brief echt was. Later gebruikte men hiervoor zegellak.
Imkers die gewend zijn zelf hun was te verwerken zullen begrijpen, waarom hier staat "in eenen nieuwen aarden pot". Ook toen reeds was men blijkbaar bang de kleur van het was te bederven, hetgeen zou kunnen gebeuren bij het gebruik van een oude pot, waarin zich onzuiverheden zouden kunnen bevinden.
Dames en Heren,
U bemerkt, dat datgene wat we uit die tijd van de bijenteelt weten, verspreid staat op zeer verschillende plaatsen. Een geschiedenis der bijenteelt is er niet. Van de bijenteelt in de 19e eeuw kunnen we ons reeds een beter beeld vormen, omdat het aantal bronnen groter wordt. Vooral komt nu ook de overlevering en het geheugen der oude imkers erbij.
In de eerste plaats was de dracht in het najaar veel beter. In een oude beschrijving lezen we b.v. van Enschede, in 1829: Destijds telde het stedeke nog slechts 2600 zielen, in alles een klein vergeten landstadje met heel weinig vertier, opgesloten tussen smalle stadsgrachten, omgeven - en hier komt het voor ons op aan - door eindeloze heidevelden en slechts enkele zandwegen verbonden met de buitenwereld. Bovendien werden er grote oppervlakten bezaaid met boekweit, die in Juli een prachtige bijenweide vormden. In de veenstreken, de omgeving van Vriezenveen, hadden we de veenboekweit, en in de zandstreken de zandboekweit. De teelt van de veenboekweit was een roofbouw, na een bepaald aantal jaren liet men de grond eenvoudig braak liggen, om daarna weer een ander gedeelte van het veen in cultuur te nemen.
U begrijpt, dat de hoeveelheid voor deze teelt geschikte veengrond steeds verminderde. Hierbij komt nog, dat de teelt van boekweit zeer wisselvallig was. Midden in de zomer kunnen in het veen soms nachtvorsten voorkomen, waardoor een groot deel van de oogst kon worden vernietigd. Dit lijkt ons vreemd, maar van 21 op 22 Juli 1881 werd in de gemeente Emmen twee derde van de oogst vernield en wel voor een bedrag van 132000 gulden. Het is dus logisch, dat de boekweitteelt moest verminderen. Ook op de zandgronden verdween de boekweit toen het door de kunstmest mogelijk werd, de schrale gronden voor de teelt van andere gewassen geschikt te maken. Op de ontginning der heidevelden was het invoeren van de kunstmest van grote invloed.
Doordat de dracht in die tijd zo goed was, had men vrijwel op iedere boerderij een bijenstal, een iemenschoer, zoals men het hier noemt. De woning was natuurlijk de ronde korf; het stro hiervoor kwam uit eigen bedrijf en het vlechten geschiedde des winters, meestal des avonds wanneer men toch geen andere werkzaamheden kon verrichten. In sommige streken van Twente komt ook de Bisschopsmuts voor, een tenen korf welke van buiten bekleed werd met buntgras. We vinden dit model korf vooral in de lage gedeelten.
De bedrijfswijze, die men toepaste, hing eigenlijk af van de grootte van de stal. Op de kleinere standen nam men natuurzwermen, op de grotere standen maakte men kunstzwermen, om de zwermtijd te bekorten en het door elkaar vliegen van voor- en nazwermen te voorkomen. Meestal ging het voorjaar was de dracht hier goed, in de lage gedeelten groeide veel wilg, terwijl in die tijd nog heel wat kool- en raapzaad in Twente verbouwd werd voor de bereiding van olie.
Voor ons zeer opmerkelijk is de sterke vermeerdering, die toegepast werd. Heel vaak ging men van 1 op 4, maakte dus van een opzetter vier zomervolken. Van een stal van 30 wintervolken maakte men met plezier 120 tot 130 volken voor de heide, soms wel 140. Een oude imker vertelde mij: ik heb het eens een keer gehad, toen had ik er van één negen, en daar waren in September nog korven bij, die 60 en 65 pond wogen. Een dergelijke uitbreiding verkreeg men, doordat alle voorzwermen weer zwermden en deze maagdenzwermen werden opgezet in een lege korf. Soms nam men nog weer zwermen van de nazwerm.
Tegenwoordig is dit onmogelijk. Wanneer we een voorzwerm weer laten zwermen, krijgen we twee volken die beide voor de heidedracht te weinig bijen hebben. Dat dit vroeger wel kon moet volgens mijn mening in hoofdzaak aan de teelt van de boekweit worden toegeschreven, waardoor de bijen in Juli een buitengewoon goede dracht hadden en zich ontwikkelden voor de heide.
Sommige bedrijfsimkers hadden een bedrijfswijze, die op het ogenblik voor zover ik weet, nergens meer wordt toegepast. Deze imkers begonnen vroeg te voeren om de bijen aan te zetten en vooral volken, die de anderen wat vooruit waren, werden extra gevoerd, om deze zo spoedig mogelijk en voor de andere zwermrijp te krijgen. In de eerste helft van Mei, zodra doppen aanwezig waren, werden deze volken dan gejaagd. De oude koningin kwam met weinig bijen op een vel, dat is een korf met wat raat en honig, die in het najaar speciaal voor de zwermen en jagers werden bewaard. De andere bijen kwamen op de oude stok terug. Zodra in deze de jonge moeren tuutten en kwaakten, werd de korf opnieuw gejaagd. Bij dit jagen gebeurde hetzelfde als bij het aftrekken van de nazwerm. De rijpe moeren lopen uit de cellen en komen dus met de bijen in de jaagkorf. Deze jonge moeren werden uitgezocht en bewaard in kooitjes, daarna nam men de verst ontwikkelde volken van de stand en ging deze jagen. Van de afgejaagde bijen nam men er zoveel, dat men een behoorlijke zwerm had, terwijl men de oude moer met de resterende bijen aan de standvolken terug gaf. Door deze aderlating kregen deze volken dadelijk geen zwermplannen. Bij elk der gemaakte zwermen voegde men een jonge moer, die men in een korf huisvestte. Deze kunstzwermen, die maekers genoemd werden, bracht men een half uur van de oude standplaats. Bij een gunstig jaar werden de jagers en een deel der zwermen weer zwermrijp, waarna men het spelletje nog eens herhaalde.
In hoofdzaak komt deze bedrijfswijze dus hierop neer, dat van de beste volken jonge moeren worden gekweekt en dat men de andere volken bijen aftapte, waardoor deze niet zwermden. Het is duidelijk, dat op deze wijze een sterke uitbreiding verkregen werd, maar tevens blijkt hieruit, dat deze imkers reeds teeltkeus toepasten, omdat ze de jonge moeren namen van de volken die zich het best ontwikkelden en dat het dus niet is, zoals door sommigen beweerd wordt, dat de vroegere korfimkers door het afslachten der zwaarste volken, het beste materiaal vernietigden. Bij de keuze der opzetters werd bovendien wel degelijk rekening gehouden met de eigenschappen van de volken. Een volk, met veel darrenwerk of een volk, dat licht gebleven was door slechte ontwikkeling, zou men niet als opzetter nemen. Vaak nam men voor opzetters maagdenzwermen of laat opgezette nazwermen, die op de heide het opzettersgewicht bereikt hadden. In buitengewoon goede jaren werden de maagdenzwermen, dus de zwermen van de voorzwermen, echte raathonigvolken op de heide. Ze kwamen in de eerste helft van Juli in een lege korf, door de goede heidedracht, soms ook dopheide, werd veel honig gehaald, zodat de koningin weinig gelegenheid kreeg een broednest te vormen. Juist voor het vlieggat zat een klein broednestje en verder bestond de gehele korf uit blanke raathonig.
In de veenstreken Vriezenveen en omgeving gingen de imkers, zodra het zwermen afgelopen was, naar de boekweit. In de zandstreken reisden de grotere imkers dikwijls ondanks de heide in hun omgeving naar een heide, waar een betere dracht was. In Denekamp b.v. werd gereisd naar de omgeving van Nordhorn in Duitsland, maar hier werkte, behalve de betere dracht, ook nog een andere omstandigheid mee.
In Duitsland is namelijk de honig door de beschermende rechten altijd duurder geweest dan hier en de hollandse imkers kregen al spoedig contact met Duitse honighandelaren, zodat de honig in Duitsland bleef. Later kwam hierin verandering en werd de honiginvoer verboden. Zo is er b.v. een tijd geweest, dat de invoer van levende bijen in Duitsland wel toegestaan was. Opzetters tot een gewicht van 30 pond mochten worden ingevoerd. Maar U weet, dat in de grensstreken de bewoners ondanks wettelijke voorschriften er steeds op uit zijn, voordeel te halen uit prijsverschillen aan weerszijden van de grens. Zo is b.v. heel wat honig uitgevoerd in korven met een gewicht van onder de 30 pond, waarop vóór de grenscontrôle op elke korf een handje bijen werd gedaan, als ze maar bromden. Uit angst voor de bijen werden ze toch aan de grens niet opengemaakt. Ook andere middelen werden te baat genomen. Zo ging men b.v. met een grote wagen vol lichte korven de grens over een kreeg hiervoor een bewijs of geleidebiljet aan het grenskantoor. De wagen werd dan des daags bij een boer aan de zandweg vlak aan de grens opgeborgen en des nachts als alles veilig was reed deze wagen met lichte korven weer terug naar Holland en een wagen met zware korven reed tegelijkertijd Duitsland binnen. De volgende dag ging het dan verder, gedekt door het geleidebiljet, dat de vorige dag voor de lichte korven ontvangen werd. Maar ook dit liep spaak en de invoer van honig en bijen werd in Duitsland geheel verboden. Toch is aan de handel op Duitsland door de Twentse imkers wel geld verdiend en er worden nog wel gevallen genoemd, waar boeren juist door de opbrengst van hun bijen boven de anderen uitkwamen. Een imker uit de buurt van Enschede leverde eens zijn honig af bij een handelaar in Epe in Duitsland en ontving daarvoor 500 Mark, in die tijd f 300.-. Dit geld werd hem uitbetaald in goudstukken en op het zien van al die goudstukken begon de oude man te huilen, zoiets had hij nog niet meegemaakt.
(Wordt vervolgd).