Bijenteelt in Twente vroeger en nu.


Ingeleid op de 16e Ned. Imkersdag te Enschede door dhr. B.H. Lammerink.

(Vervolg)

De meeste imkers bewerkten niet zelf hun honig, maar leverden deze ruw af aan de handelaren, de korven werden afgezwaveld en bij den handelaar aangekomen, werden de spijlen eruit getrokken en de korf op de rand van een honigvat gestoten. Dat door deze behandeling niet steeds eerste kwaliteit pershonig verkregen werd, laat zich begrijpen. Broed, stuifmeel, en bij het zwavelen achtergebleven dode bijen, alles kwam in het vat en werd later meegeperst. De handelaren die honig opkochten waren meestal joden. De bekendste waren de firma's Israel Heyman in Enschede, Kan in Oldenzaal, Peigner in Epe in Duitsland en Frankenhuis in Haaksbergen, de vader van wijlen de Heer S. Frankenhuis, ons oud-Hoofdbestuurslid.

De imkers, die wel zelf persten met hun oude zware persen maakten gewoonlijk ook zelf mede of mee. Alle voorwerpen, die bij de bewerking van de honig gebruikt waren en waaraan zich honig bevond werden in water afgespoeld, terwijl er nog wat, niet van de beste, honig werd bijgevoegd.
Deze honigoplossing werd gekookt en daarna in kruiken in de grond gegraven. Na de gisting werd deze drank in flessen afgetapt en bij feestdagen. vooral op Nieuwjaar, voor de gasten geschonken. Voor zover ik weet wordt er op het ogenblik in heel Twente geen mede meer gemaakt.

Die tijd is voorbij, doordat op de boerderijen veel minder bijen gehouden worden. Ik heb al gezegd, dat de boekweitteelt moest verdwijnen en dat grote oppervlakten heide ontgonnen zijn, hetgeen grote invloed op de bijenteelt heeft uitgeoefend. Maar ook andere factoren lieten zich gelden. De landbouw wordt veel intensiever bedreven dan vroeger. In de 19e eeuw heeft zich een wijziging in de structuur van de maatschappij voltrokken, die de Duitsers noemen: "De overgang van de Naturalwirtschaft naar de Geldwirtschaft". Bij de Naturalwirtschaft was de omzet in geld gering, veelmeer was men er op uit, de aanwezige werkkrachten werk te verschaffen. Bij de Geldwirtschaft is het het doel zoveel mogelijk te produceren om voor de verkregen producten zoveel mogelijk geld te krijgen. Ik kan hierover op het ogenblik natuurlijk niet uitweiden; deze overgang, die zich in de loop der 19e eeuw zeer geleidelijk heeft voltrokken, is echter van grote invloed op de bijenteelt van het platteland geweest. Om een voorbeeld te noemen, bij de korfteelt valt de zwermtijd juist samen met de hooitijd, dus de drukste tijd op de boerderij. Doordat men al zijn kracht moest besteden aan het hooien, omdat dit tot het hoofdbedrijf behoorde, werden de bijen verwaarloosd en in de meeste gevallen tenslotte geheel afgeschaft. We hebben nog een tijd gehad, dat op vele boerderijen een oom voor de bijen zorgde. Deze oom was dan een broer van den eigenaar en zijn aanwezigheid op de boerderij staat in verband met het oude Saksische erfrecht, dat hier nog lang heeft gegolden. Hierbij erfde de oudste zoon de boerderij, hij kocht de jonge kinderen meestal tegen een gering bedrag uit. Trouwden deze jonge kinderen niet, dan hadden ze zo lang ze leefden ne stèè an' n heerd, een plaats aan de haard, d.w.z. dat ze tegen meewerken op de boerderij konden blijven wonen; dikwijls gingen deze ooms zich dan op de bijenteelt toeleggen. Na hun dood werden de bijen echter veelal afgeschaft.

Toen de losse bouw hier werd ingevoerd omstreeks 1890 tot 1900 gingen de oude korfimkers zo goed als niet hiertoe over. En dit is ook wel verklaarbaar. Deze imkers waren gewend, dat in hun bedrijf zo goed als geen kapitaal behoefde te worden gestoken. De korven maakten ze zoals gezegd zelf uit stro uit het eigen bedrijf. Hoe deze korfimkers over de kasten dachten blijkt het beste uit een uitlating van een van hen, die, toen hem gevraagd werd of hij geen kasten aanschafte, antwoordde: "Och nee, dat gekeukel in dee kistkes, dat wot toch niks". U zult deze uitlating beter begrijpen, wanneer ik U zeg, dat men hier in Twente een tent op de kermis, waarin acrobaten en goochelaars optreden, een keukeltent noemt. Hij beschouwde het imkeren in kasten dus meer als een kunstenmakerij. Toch is de natuurlijke ontwikkeling niet tegen te houden en de korfteelt gaat in Twente verdwijnen. Op het ogenblik mogen er vooral in het Noorden nog heel wat korven zijn, ook nog grotere stallen: met de heidedracht verliezen ze hun bestaansrecht. Voor de heidedracht in de plaats komt de zomerdracht, die we met de korfteelt nooit kunnen uitnutten en wel met de kast. Ook het product van de losse bouw staat boven dat van de vaste bouw. We zien dan ook, dat in Twente op verscheiden landbouwbedrijven de bijen in kasten worden gehouden en dat het de jonge boeren zijn, die ze verzorgen. Bovendien hebben we in de steden en dorpen natuurlijk tal van anderen, die de bijen in kasten houden, Sommigen uit pure liefhebberij, velen echter ook om hieruit een bijverdienste te krijgen. Voor de landbouwbedrijven is het vooral een voordeel, dat de kasten behandeld kunnen worden, wanneer de eigenaar de tijd ervoor heeft, hetgeen bij de korven niet het geval was. Daar moest men in de zwermtijd op de stal aanwezig zijn. Een moeilijkheid bij de afzet van honig is natuurlijk ook hier in Twente de buitengewoon lage prijs van de buitenlandse honig, waartegen niet te concurreren is. Wel echter moeten de imkers zich verdedigen tegen de buitenlandse honig door een doelbewuste en effectieve samenwerking.

Dames en Heren, ik hoop dat ik bereikt heb wat ik mij aan het begin van mijn inleiding tot doel had gesteld, namelijk U een indruk te doen krijgen van de bijenteelt in Twente, zoals ze vroeger was en zoals ze nu is.