De taal der bijen.


Het steeds nauwkeuriger en zorgvuldiger zielkundig onderzoek bij dieren heeft reeds veel licht geworpen op het oude probleem: verstand - instinct. Eén van de belangrijkste bijdragen tot dit vraagstuk is het monumentale werk van Dr. Portielje, den dierenpsycholoog van Artis, dat in vele opzichten voortreffelijk materiaal oplevert ook voor den wetenschappelijken zielkundige.
Het is merkwaardig, dat de voortschrijdende wetenschap langzamerhand de scheiding tussen verstand en instinct gaat wegvagen; wat wij bij mensen verstand noemen, is dikwijls een handelen, dat geheel door de instincten bepaald wordt, zoals ook het denken volkomen door het instinct kan worden geleid en daardoor voorgeschreven en aangeboren banen volgt. Wat wij bij dieren instinct noemen, blijkt in wezen hetzelfde als wat wij bij mensen verstand hebben genoemd. Onze vraagstelling was foutief, naief, en slechts langzamerhand tekenen zich de omtrekken van nieuwe inzichten en begrippen voor ons af.

In de zielkunde onderscheiden wij het instinct-denken, van het kritische, zakelijk doelbewuste denken. Tot dusver meende men te mogen aannemen, dat alleen de mens het vermogen bezat, kritisch en abstract te denken. Er zijn echter dezer dagen een reeks onderzoekingen bij bijen gepubliceerd, die sterk het vermoeden wekken, dat wij geenszins het recht hebben, alle handelingen der bijen voor zuiver, naar de ouderwetse opvatting, instinct-bepaald te houden, maar ook hier een intellect ontmoeten, in staat, abstracte voorstellingen op te nemen, over te brengen en te ontvangen.

Het uitermate belangwekkende boekje van Julien Françon: L' esprit des Abeilles (Nouv. Rev. Franc. Gallimard. Paris 1938) laat ons kennis maken met een serie bovenmate vernuftige proefnemingen, die een geheel nieuw licht werpen op het vermogen der bijen, elkaar mededelingen te doen. Ik zal trachten, in het kort daar iets over te vertellen.

Geholpen door zijn dochter heeft Françon gedurende jaren proeven genomen met haalbijen. Om te beginnen heeft hij vastgesteld, wat trouwens al bekend genoeg is, dat op eenzelfde drachtbron eenzelfde haalbij telkens opnieuw verschijnt. Wanneer die drachtbron slechts weinig oplevert (bijv. een droog klontje suiker) en veel inspanning vordert, blijft alleen die ene bij er op vliegen. Maar niet zodra is de drachtbron overvloedig, of medewerksters worden gemobiliseerd. Françon toont aan, dat in de korf een reserve aan vliegbijen aanwezig is, die alleen als het de moeite loont, aan de haaldienst deelnemen.
Weer andere proeven, waarbij alle bijen telkens gemerkt worden, wijzen uit, dat twee haalbijen, elk op een aparte drachtbron ingesteld, elk hun eigen reservetroepen halen, en deze reserves vliegen daarbij alleen op de hun aangewezen bron, niet op de andere, die door hun leidster niet is aangewezen en waar ze zelfs rakelings overheen moeten vliegen. Ze doen dit alleen, als hun eigen bron opdroogt en de moeite niet meer loont. Belangwekkend zijn ook de haal- en vliegtijden, die nauwkeurig genoteerd worden.

Vervolgens wordt het vermogen tot plaatsbepaling nagegaan. De bijen blijken in staat, in de ijle ruimte een bepaald punt te kernen, terug te vinden, en te onthouden: ze hebben dus een sterk geometrisch vermogen. Dit plaats-geheugen is, en ook dat is geen nieuws, zo sterk, dat de herkenning op gezicht er bij in de schaduw staat. Een verplaatste drachtbron, die dus niet meer aan de geometrische plaatszin beantwoordt, wordt niet terug gevonden, terwijl ze nog wel binnen de gezichtskring is.
Het allerbelangwekkendste echter zijn de proeven naar het vermogen, elkaar mededelingen te doen. Françon gaat als volgt te werk: een bij wordt van een bloem genomen en op een schoteltje suikerwater gezet, vervolgens gemerkt. Na enkele reizen, die steeds korter duren, verschijnen, tijdens de afwezigheid van de haalbij, enkele helpsters uit dezelfde korf, die recht op het schoteltje afgaan. Tevoren had dit schoteltje geen bijen aangetrokken. Nu beginnen de eigenlijke proeven.
Als de bij op het schoteltje zit, dus voor het eerst, en gemerkt is, wordt over het geheel een kartonnen deksel geplaatst, waarin in de zijrand een klein, moeilijk vindbaar draaideurtje is gemaakt. De bij, die er weer uit wil, moet enige tijd zoeken, om de draaideur te vinden, gaat, er buiten gekomen, zich op die ingang "invliegen", en verdwijnt dan. Teruggekomen, vindt ze snel de zij-ingang, en bij elke reis valt op, dat ze altijd neerstrijkt tegen de zijkant, nooit op de platte bovenkant van het deksel, en rondom loopt naar het draaideurtje. Maar nu het merkwaardige: als de door haar gemobiliseerde helpsters komen, strijken die onmiddellijk neer op de zijkant, gedragen ze zich geheel als de reeds volkomen ingewijde eerste haalster, vinden dan ook meteen het deurtje en de verborgen stroop. Dit is des te merkwaardiger, waar de stroop niet langer zichtbaar was. Ze moeten dus ten eerste van het bestaan er van weten, en ten tweede moet hun de kortste weg bekend zijn.

Contrôleproeven tonen aan, dat zelfs in een drukke bijenvlucht het overdekte schoteltje geen enkele bij weet te lokken, onder geen omstandigheden. Het wordt volkomen genegeerd. Wanneer bijen eerst gewend worden aan het open schoteltje, en daarna het deksel wordt opgezet, strijken ze allen neer op de bovenkant, en nooit tegen de zijkant, waar het deurtje is, en slagen er niet, binnen te komen.
Deze proeven worden nu herhaald. De ingang wordt steeds moeilijker toegankelijk gemaakt, het wordt een lange tunnel, ten slotte een naar beneden toe uitlopende buis, eindelijk wordt het gehele geval volkomen weggestopt onder stenen en blaren en voorzien van een lang toegangskanaal onder het zand. Is eenmaal een bij op de verborgen stroop gezet, dan weten de reservehaalsters altijd precies, waar ergens ze de verborgen geheime ingang moeten vinden: ze zijn dus volkomen ingelicht.

Vroeger had men de gewoonte, als een gemerkte bij een drachtbron had gevonden, haar bij het vlieggat meteen weg te vangen, en dan te wachten, of er ook andere bijen op de drachtbron kwamen vliegen. Françon wijst op het foute van deze methode: immers, als de bron schamel is, worden geen helpsters gemobiliseerd, en valt de proef negatief uit. Bovendien: de mobilisatie van medewerksters vindt meest pas na meerdere reizen plaats. Daarom koos Françon de hierboven beschreven, vernuftige methode.

Ook ten opzichte van kleuren vinden deze proeven plaats: een bij wordt geplaatst op een rode dahlia, waarin suikerwater wordt gebracht. De helpsters vinden op de tafel vele rode en witte dahlia's; ze onderzoeken echter alleen de rode, als de eerste bij op de rode was gezet, en alleen de witte, als de eerste bij op een witte overvloed had gevonden.

De rijk gevarieerde proeven wijzen onweerlegbaar uit dat de bijen het vermogen hebben de waarde van een drachtbron te schatten, en het aantal der gemobiliseerde reserves volkomen aan te passen op de mogelijkheden van de drachtbron, zoals uit bijzondere proeven blijkt; dat zij aan die reserves nauwkeurig kunnen meedelen, dát er een drachtbron is, en precies, wáár die zich bevindt, en hóe die te bereiken is, en dat daarbij rekening gehouden wordt met vorm, geometrische plaatsbepaling, zeer ongewone toegangswegen, en ook met kleur (de dahliaproeven).
De bijen hebben derhalve zeer zeker het vermogen, elkaar zeer ingewikkelde mededelingen te doen, en beschikken dan ook over een behoorlijk intellect. Anders kan men het niet noemen: dit wordt in het minst niet meer gedekt door het oude en verouderde "instinct" begrip: een vanzelfsprekend handelen en zelf niet weten waarom, blindgedreven en zonder vooruitzien.
Aan ieder, die goed Frans kent, kan ik ten zeerste aanraden dit boeiende boekje te kopen en te lezen.
Dr. J.W. SCHOTMAN.

Noot. De "Honigh-Hof" leeft nog, in bescheidener afmetingen, maar nog altijd een tiental volken rijk Binnenkort nog eens iets daarover, en over de Buckfastkast. J.W.S.