Het merkwaardige Bijenboek van Kapelaan Hendrix.



(In Gelderlants overkwartier
Maken bij en bijman goeden sier.)


In ons land hebben wij weinig bijenboeken, die in vorige eeuwen zijn geschreven, hetgeen jammer is, want uit dergelijke boeken kan men de stand der bijenteelt toetsen. Vooral als zij door vakmensen zijn geschreven. Een heel merkwaardig boek in dit opzicht is het werkje van Kapelaan Peter Hendrix, geboren te Meerlo in Aug. 1723, overleden te Lottum 5 Maart 1795. Het werk verscheen eerst in 1890 in druk, terwijl voor die tijd de imkers, die dit boek in hun bezit wilden hebben, genoodzaakt waren, het over te schrijven. Het afschrift, waarvan het boek gedrukt werd, was in 1809 door Gerardus Vaeghs met duidelijk handschrift op folio papier geschreven, dit exemplaar telde 69 bladzijden. Het pleit wel voor de ijver der toenmalige imkers en dat in een tijd, die ons als één van de zwaarste onzer geschiedenis geleerd wordt.
De volledige titel van het boek is: "Het Geldersch Bijenboek of Pratijk der bijen, langs den kant der Maes, Peel en Niers in het Overkwartier van Gelderland." De schrijver zet in een voorrede het doel van zijn werk uiteen:

"Voorreeden tot den Leeser.
Aengesien dat men vele boecken vindt die van de byen schrieven alleen uit speculatie en raecken het pratyk weynig ofte niet. Daerom heb ick geen speculatie maer alleen het pratyk wyllen voorstellen, maer overmits het pratyk in allen Landen niet het zelve kan syn, daerom heb ick in den tytel van dit boeck gestelt dat de byen langhs de Maes, Peel, Niers en andere naeburighe landen met profyt steeds konnen gehantiert ende bearbeydt worden; want langhs deese kanten bearbeydt men de byen om honigh te haelen op den boekweydt, heyden ofte Peel en daerom moeten sy in het vroeghjaer sterck gedreven worden, opdat men in den Somer veel volck ofte byen heeft. Maer in andere landen waer de byen int voorjaer principael den honigh haelen, moeten sy soo niet gehantiert, en uyt malkander gedreeven worden, omdat sy in het naerjaer weynigh honigh haelen en soo soude den byenman veel volckx of byen hebben maer weynig ofte geen honigh; daerom moet een voorsychtig byenman bemercken de plaets en Land waer hy de byen hantiert en bearbeydt".

De lezer zal de wijze raad van onzen Kapelaan nog ter harte kunnen nemen. Het boek is samengesteld zoals dat toen al eeuwen in zwang was, n.l. een gesprek tussen een ter zake kundige en een leek. Ik laat hier een hoofdstuk volgen, dat de laatste jaren ook weer onze belangstelling heeft:

"Van den wolf der byen.
Vraag: Hebben de byen eenen wolf?
Antwoord: Anno 1782 en 1783 heeft sygh vertoondt een gedirte het welck geenen mens gedenkt van oyt gesien te hebben; maer uyt Duytslandt en Vranckryck hebber nieuspapieren gemeldt, dat aldaer in de annales ofte Jaerlyxe aenteekeninghen gevonden wierdt, dat omtrent voor hondert jaeren dit gedirt ook geregeerdt heeft en veel schade aen de byen veroorsaeckt hadde en het volgende jaer de pest onder de mensen gevolgt was, voor welck quaet den goeden Godt ons genaediglyk bewaert heeft.
Vraag: Waerom noemt gy dit gedirte den wolf der byen?
Antwoord Dit gedirte wordt genoemd den wolf der byen omdat het mit geenen anderen naem bekent is. Evenwel mag het mit regt den wolf der byen genoemt worden, want den natuerlyken wolf en kan onder de schapen so grote schaede niet veroorsaecken als dit gedirt onder de byen.
Vr: Hoe sal men dit gedirt kennen?
Antw.: Dit gedirt is eenigszins gelyck aen een wespel, het agterlyghaam is groeter of te langer en volgens de coluer, matter als een wespel. Dit gedirt heeft twee hoerens voor het hooft, met dewelcke het de byen vangt en seer gevoelig niepen kan, eventwel verschyllen dese gedirten van de wespelen groetelyk, want de wespelen hebben een angel om te steken, sy wonen veel in een nest en maeken raeten in de welcke sy harre jonge broeyen, maer dit gedirt woont alleen in sandagtige huevels en beleeften. Opent syn woonplaets, gy vindt veel doode byen en onder dese byen een wit wormken. Volgens apprensie is dit het saet en wasch van dit worken den jongen wolf.
Vr.: Wanneer doet de wolf de meeste schade?
Antw.: Dit gedirt regeert pryncipael in seer waerme en droege tyeden is het nat en koudt, so is het slap en magteloos; het regeerdt aldermeest als den boekweydt bloyt want de ondervynding heft my geleerdt, dat omtrent desen tyd (alhoewel het seer schoon weeder was) de byen in het warmste van den dagh geheel stil stonden of te saeten gelyck in den winter; en smorgens vroeg en savonds laet sy scherp vloegen, omdat dit gedirt smorgens vroeg en savonds slap en magteloos was, waeuyt men klaer besluyten kan, dat gelyk het schaep den wolf vreest, dat de byen, die geenen vyant vreesen, dit gedirt of den wolf vreesen. Ick heb van ondervynding, dat omtrent dien tydt, myne byen die in goeden staet waeren, in 8 dagen geheel bedorven wierden ; het volck was door den wolf gerooft, de motten wierden meester en hebben de broet soodaenig bedorven, dat de raeten uyt den nest syn gevallen, soodat niets goedts van de byen te verwaegten is ; maer als de heydeblom bloeyde had dat gedirt weynigh maght, soodat de byen op de heyde wel honigh souden gehaelt hebben, ware het saeken dat sy te voeren niet waren bedorven geweest".

Dit gedeelte is zeker merkwaardig, daar ik tot nogtoe wel in de oude boeken over de bijenwolf gelezen had, maar dan bedoelde men steeds de wasmot daarmede. Uit hetgeen de schrijver zegt, kan men de gevolgtrekking maken, dat hij deze insecten zelf gadegeslagen heeft.

Op blz. 79 van het Aprilnummer 1937 van ons Groentje vraagt Dr. M. Bruyl: wie is toch die Hollandse imker, die de Amerikanen een origineel middel aan de hand gedaan had voor het invoeren van een vreemde moer? Dit middel komt zeer veel overeen met het volgende:

"Van het helpen der moerloosen.
Bemerekt gy en syt gy versiekert dat de bye geen moer en heeft, dan moet gy haer tragten te helpen, want een moerloose bye doet geen goet. Vr.: Hoe help ick eene moerloose bye?
Antw.: Is de bye weynig van volck, die haer moer verspeelt heeft en hebt gy een kleen swaermke, werpt dit by de moerloose bye. Doet dit op de naevolgend manier: rookt de bye dat sy dol is, werpt oock een weynig honigh op de raeten en over de byen, en dan stoot het swaermke in de moerloose bye. Doet eenen doek onder het kaer (korf), schut de byen door malkander en laet het kaer een korten tydt op den koepel (kop) staan, opdat de byen door malkander loopen en syg lief krygen; dan stelt de bye wiedeom op haer plaets en hy sal geholpen syn. Dit geschiet het beste des avonds, opdat de roovers niet komen en des nagts de byen syg te beter lief kregen en aennemen".

Het boek eindigt met:
"Finis of eynde van dit Byenboek gemaeckt door het pratyk en ondervinding van den eerwaarden Peter Hendrix Capelaen tot Lottum hac di II. Decembris anno 1786".

De uitgever vermeldt nog een bijzonderheid over den schrijver: toen deze overleden was en zijn stoffelijk overschot opgebaard stond, werd dit door een brand, ontstaan door en product van zijn geliefde bijen, n.l. de gewijde waskaarsen, bijna verteerd, met moeite kon men deze brand blussen.

Het boek is onder Nr. 14 van Afd. IIIa in onze Bibliotheek te Wageningen aanwezig.
Hvs., Jékavé.