Een experiment met Amerikaanse koninginnen.
Naar nieuwe wegen in de bijenteelt.

De eerste 35 Amerik. koninginnen kwamen met de Queen Mary aan.
Alles ging zo maar in de postzak mee.
De grote heidevelden in Drente zijn voor 't grootste deel al verdwenen en die van de Veluwe en elders krimpen steeds meer in.
De boekweit heeft plaats moeten maken voor andere gewassen, die een zekerder oogst geven. En met de boekweit en hei verdwijnen de bijenkorven. Kasten komen er voor in de plaats. Ook de imkers van onze afdeling Apeldoorn maakten en maken deze verandering mee. Het aantal kasten breidt zich steeds uit. Wij hebben er hier al vele honderden. Pas heeft zich hier nog gevestigd een groot-imker uit Drente met 260 kasten.
Nu is aan het hebben van kasten met onze tegenwoordige bijen een groot nadeel verbonden: het zwermen van onze volken. Voor de korven is dat zwermen een noodzakelijk kwaad, zelfs een goed ding, voor de kastvolken is het volstrekt uit den boze. En op de cursussen en lezingen voor den imker is die zwermerij een van de belangrijkste punten van behandeling. Hoe men deze zaak ook draait en nog eens draait, wat men ook doet om dat zwermen te voorkomen of in het vroege voorjaar tracht te bevorderen, ieder kastimker zal met de hand op het hart eerlijk moeten erkennen "Die zwermerij is de p... van het kastbedrijf, had ik maar zwermvrije volken"; de amateur-imker om de buren, en omdat hij te vaak om zijn bijen thuis moet blijven, de fruitkweker om het vele werk, dat 't zwermen meebrengt, de bedrijfsimker om de kosten van personeel en 't onklaar raken van veel kasten.
Het is nu al weer enkele jaren geleden, dat schrijver dezes met nog een bestuurslid (de Heer Leerink) van de afd. Apeldoorn aanwezig moesten zijn op de bijenmarkt te Eerbeek om bij de opening het jubilerend Bestuur namens onze afdeling te feliciteren. Toen vonden wij bij de daar aangevoerde volken ook een Amerikaanse goudbij, die veel bekijks had. Die was aangevoerd door den Heer Buitenhof Jr., die enkele jaren in Amerika op bijenparken had gewerkt en daar deze bij als zeer productief had leren kennen. Die bij zou practisch zwermvrij zijn.
Maar het zou nog tot '33 duren, voor de waarde van deze eigenschap in onze trage hoofden was bewust geworden. Zelfs op onze zeer goede opleidingscursus van den Bijenteeltconsulent Van Giersbergen te Zwolle was er nooit de aandacht op gevestigd, dat zoiets zou kunnen bestaan.

Totdat wij, schrijver dezes en de Heer Wilhelmus te Apeldoorn, op een goede dag onze opwachting maakten bij den Heer Buitenhof Sr. te Eerbeek en nader kennis maakten met de Amerikaanse goudbij.
De week daarop was ik in 't bezit van een goed volk goudbijen in een slechte kast. Dadelijk geprobeerd er jonge koninginnen van te fokken. En 't bleek al direct bij het moerloos maken van dit volk, dat er slechts 2 koninginnecellen werden aangezet: voor mij een eerste teken van afwezigheid van zwermlust. Dat had ik eens met een goed zwart volk moeten doen, zoals wij ze hier hebben. Het volgende voorjaar bleek het volk niet winterhard te zijn; het winterde uit met 100 bijen plus koningin. De 2 kruislingen gedroegen zich niet beter. Ook een ander lid van onze afd. ging het met 2 volken net eender.
In dat jaar begon de Heer Henri Meijer in de Telegraaf te schrijven over zijn Cypro-Italiaanse wonderbijen, die niet zwermden en wondergrote honingoogsten gaven. Al deze verhalen werden door ons met een korreltje zout ontvangen. Maar het belang van dat niet zwermen woog ons toch zo zwaar, dat wij met 3 bestuursleden van onze afdeling den Heer Henri Meijer in Mei te Arnhem opzochten. Zijn volken vielen ons niet mee, en ik dacht al dezelfde ervaring te maken als bij den Heer Buitenhof. Maar wij kochten toch 5 import-koninginnen en kregen die in de loop van de zomer ook. De Heer Meijer bracht ze ons persoonlijk. Hij stelde er veel belang in, dat het bestuur van een grote afdeling zich hiervoor interesseerde.
Een van ons kocht 't volgend jaar nog eens een paar import-koninginnetjes. Hiermee fokten wij verder. Wij kweekten jonge moeren, die weliswaar bevrucht werden door Hollandse darren, en hebben nu enkele jaren met 50 van deze volken gewerkt, originele en kruislingen.
In de eerste plaats bleek ons, dat ze, voor zover wij er nu over kunnen oordelen, werkelijk zwermvrij zijn. Geen van ons heeft zo'n volk nog aan de boom zien hangen, de eerste kruislingen ook niet. (De zwarte volken onder dezelfde omstandigheden wel.) En ze doorstaan onze winters tot hiertoe evengoed als onze zwarte, Hollandse bij. Deze ervaringen gaven ons vrijmoedigheid dit voorjaar onze leden tot medewerken aan te sporen.
Wij vonden het Amerikaanse adres van den Heer Meijer uit en importeerden in Juni, 73 Amerikaanse koninginnen tegen een schappelijke prijs. Ze kwamen zonder uitzondering goed over en werden goed ingevoerd in onze zwarte volken.
Van belang zou het nu zijn, als wij uit onze import-koninginnen jonge moeren konden kweken en die soortzuiver konden laten bevruchten. Door bemiddeling van den Heer Bosch kregen we speciaal Franse darrenraat en fokten daarmee vele duizenden gele darren.
We zochten een eenzaam plekje, zover mogelijk van elke bijenstand verwijderd, en vonden dat op "de Hoge Veluwe". De Directie was zeer welwillend en stelde dat tegen een luttele vergoeding te onzer beschikking.

Op de Hoge Veluwe.
Het bevruchtingsstation.
En hier in de eenzaamheid, kilometers ver van elke bijenstand af, vonden de darrenvolken met hun 16000-20000 darren en 110 koninginnevolkjes, alle met jonge, hier gefokte Amerik. koninginnen, een plaats en werd een primitief bevruchtingsstation geïmproviseerd.
Zeker ± 80 % werd soortecht bevrucht.
Onze afdeling heeft dus nu de beschikking over ± 200 van deze zwermvrije volken, en het bestuur zal zeker niet nalaten zoveel mogelijk de deelnemers als één groep bij elkaar te houden om in 1939 (D.V.) deze zeer grote proef tot een goed einde te brengen.
Er staat o.i. veel op het spel voor onze imkers in 't bijzonder en voor de Nederlandse imkerij in 't algemeen.
Lezer, stel U voor, dat deze proef slaagt, en deze bij zwermvrij is. We kunnen dan voor de fruitstreken, voor de dracht op de witte klaver, linde, korenbloem en hei onze volken zo maar plaatsen, zonder er duur toezicht bij te zetten voor 't zwermen. (In 1936 betaalden wij voor toezicht op onze volken in de Wieringermeer f 180.-) Weet wat dit betekent, als straks de overige polders van de Zuiderzee droogvallen en hun honingoogsten zullen geven. Denk aan de nijdige buren van onzen amateurimker, aan den fruitkweker, aan den bedrijfsimker.
Natuurlijk heeft ook deze bij haar eigenaardigheden en zal onze bedrijfswijze: voeren, koninginnetjes fokken, zelfs de kastvorm zich ongetwijfeld wijzigen. Daarover in een volgend artikel.
G. LIJFTOGT, Voorzitter afd. Apeldoorn. APELDOORN, October 1938.

Op de Hoge Veluwe. De darren gaan uit.
Deelnemende leden Nijholt en Van Amersfoort controleren de kastje op "zaad".