Een experiment met Amerikaanse koninginnen.
Naar nieuwe wegen in de bijenteelt.
In mijn vorig artikel, in 't Decembernummer van ons Groentje, heb ik aangegeven, hoe wij er toe gekomen zijn zo'n grote proef op te zetten met Amerikaanse, zwermvrije volken. Ter oriëntering liep hier al enkele jaren een betrekkelijk kleine proefneming (± 50 volken).
Hierbij zijn verschillende eigenaardigheden van dit ras gebleken.
Zo zwermden deze volken tot hiertoe niet. Waaraan moet dit worden toegeschreven? Bij een 2-tal oude en 1 jonge, vruchtbare koningin is gebleken, dat deze niet konden vliegen. Ze hipten van de vliegplanken op, zoals anders de Meizieke bijen doen. Staat nu het "niet-zwermen" en dit "niet kunnen vliegen" van de oude koningin met elkaar in verband?
De volken wisselen wel van koningin, maar het is een stille ver - wisseling. De imker merkt het niet, of hij moet zeer regelmatig en vaak de volken nazien, of hij moet de koninginnetjes merken.
De vruchtbare koninginnen zijn een beetje hulpeloos. Ze lopen een beetje onbeholpen en vallen nogal gemakkelijk van de raten af. Dat is dus oppassen bij het nazien van de kasten.
De vruchtbaarheid is zeer groot: de ramen worden vierkant volgelegd. Ik heb wel eieren aangetroffen, wel eens veel zelfs, buiten het eigenlijke broednest. Is dit gewenst? Oogsten wij dan niet te veel bijen en te weinig honing? Moet dus gedurende de zomerdracht een koninginnerooster worden gelegd? Hoe groot moet dan de perforatie zijn?
Het is nu al gebleken, dat er in dit opzicht, ook voor onze Hollandse bij misschien, iets moet veranderen. Zo vond ons lid, de Heer Nijholt, door middel van een micrometer, dat de zwarte bij een doorsnee (2e segment achterlijf, dus het deel, dat uitzet bij gevulde honingmaag) heeft van 4.22 m.m. (hoogste waarde), de Amerikaanse van 4.62 m.m. (hoogste waarde) terwijl de openingen in het rooster 3.80 m.m. waren.
Er zijn evenwel nog te weinig opmetingen gedaan voor een eind-oordeel. Nu zal in 1939 worden geprobeerd, hoe groot de openingen in 't rooster mogen zijn om de bijen vrijwel ongehinderd door te laten, en toch de koningin niet te laten passeren.
Natuurlijk moeten nu de eierleggende koninginnen levend worden opgemeten. En dat is waarschijnlijk gemakkelijker gedacht dan gedaan. Er zullen daarvoor wel enige vruchtbare koninginnen moeten worden opgeofferd.
Is voor deze Amerik. bij misschien warme bouw het meest geëigend? Er zijn hier al plannen voor kasten in dit en ook ander opzicht. Een enkel model is al klaar.
Wanneer nu niet op zwermen behoeft gewerkt te worden, en er dus niet behoeft te worden gevoerd om vroeg klaar te zijn met de volken, wanneer moet in 't voorjaar dan gevoerd worden?
Het "niet zwermen" lijkt een "dominerende eigenschap". Immers de bijen uit de kruising soortechte koningin x zwarte dar", zwermden niet. Dus enige, eenvoudige kennis van de Mendelse Wetten is noodzakelijk om te kunnen beoordelen, bij welke graad van inteelt het zwermen weer kan optreden.
Misschien dat onze Redacteur nog eens een plaatsje in ons Groentje voor deze kwestie kan vinden, zoals die in onze samenwerkende groep is behandeld.
Dit alles zal in 1939 moeten worden geprobeerd. Men kan er wel een hele boom over opzetten, maar vergelijkende proeven kunnen niet uitblijven.
Verder is de Amerikaanse bij zachtaardig. Zij prikt niet gauw bij voorzichtig behandelen. Maar ze prikt venijniger. Tenminste, schrijver dezes is er gevoeliger voor dan voor het gif van de Hollandse. Daarvoor ben ik immuun. Maar dat van de Amerikaan veroorzaakt nog enige zwelling.
Men vindt geen enkele zwarte, Hollandse bij, vervlogen of ingebedeld, bij de Amerikaantjes. Ze worden onvoorwaardelijk afgemaakt. Maar in alle Hollandse, zwarte volken vindt men wel geeltjes, die daar blijkbaar ook blijven. Dit sluit in, dat moerloze of zwakke volkjes gemakkelijk kunnen worden beroofd door de Amerikanen.
Verder bleek het niet altijd even gemakkelijk de Amerikaantjes te bewegen darrenraat uit te bouwen. Er waren volken, die dit vertikten en er een zeer onregelmatige raat van bouwden, alleen geschikt om honing in op te bergen: een honingraat midden in het broednest. Ook bleef zo'n raat wel zo goed als leeg.
Er is nu een vrij grote groep imkers hier gevormd, die in deze in 1939 samenwerken en volgens een vast plan hun aantekeningen maken enz., om deze proef tot een goed einde te brengen. Een klein fondsje is door hen bijeengebracht om de noodzakelijke onkosten voor corresponderen, aankoop van darrenkunstraat e.a., te bestrijden.
APELDOORN, December 1938.
G. LIJFTOGT.
Naschrift: Mij dunkt, er is enige aanleiding voor belangstellende imkers, ook van andere afdelingen, misschien voor ons Hoofdbestuur, iets in dit fondsje te storten. 't Is toch een proefonderneming, die iets kan betekenen voor de hele Hollandse imkerij. Het adres van den secretaris-penningmeester van onze groep is: A. Kuipers, Zutphenschestraat 133, Apeldoorn.