"De taal der Bijen".
(Slotwoord).
In zijn eerste artikel (Novembernummer '38, bl. 255) schreef Dr. Schotman: "Wat wij bij dieren instinct noemen, blijkt in wezen hetzelfde als wat wij bij mensen verstand hebben genoemd". Daarmee kon ik het niet eens zijn. Als hij nu echter in het Januari-nummer zegt: „Wanneer ik de bijen wetens en willens "verstand" toeken, dan bedoel ik daarmee niet "menselijk" verstand. Ik duid er mee aan, dat zij in staat zijn, ervaring te verwerken en er naar te handelen, hun handelingen te wijzigen, ze aan te passen aan afwijkende situaties", dan "zullen wij het daarover" - ik verander nu de ontkenning van Dr. Schotman in een bevestiging - gemakkelijk, zo niet geheel, dan toch grotendeels "eens worden". Ook wij kennen aan het dier het bovenstaande toe, dat Dr. Schotman "verstand" noemt. Tegen dit woord heb ik echter bezwaren. Dat wil ik behouden uitsluitend voor den mens; daarin bestaat tussen mens en dier een "essentieel" verschil, geen "gradueel". Ieder mens bezit het vermogen om abstracte begrippen te vormen; elk dier, hoe hoog lichamelijk ook ontwikkeld, mist het. Dat vermogen is essentieel, wezenlijk, d.w.z. zonder dat vermogen is een mens zelfs niet denkbaar, is er geen mens (door bijkomstige omstandigheden - ik denk hier b.v. aan krankzinnigheid - kan de uiting ervan verhinderd zijn, maar de aanleg bestaat). Ik zeg uitdrukkelijk: abstracte begrippen, niet "abstracte voorstellingen" (Dr. Schotman, t.a.p. bl. 255); want in deze samenvoeging heeft men te doen met wat in de wijsbegeerte heet: tegenspraak in de termen de ene term sluit de andere uit; de ene ontkent, wat de andere bevestigt; het is ja en neen tegelijk. Een voorstelling nu is uit zijn aard concreet, wat lijnrecht staat tegenover abstract. Zo ook is "beeld-denken" (bl. 7) een tegenspraak in zijn twee termen. "Taal" moet eveneens scherp bepaald worden. Taal is in de strenge zin van het woord evenals spraak: het vermogen om door willekeurige tekens zijn gedachten, gevoelens enz. aan anderen kenbaar te maken. Dat vermogen "ligt dus niet op een bepaald zintuigelijk gebied", zoals Dr. Schotman op bl. 8 zegt. De tekens, door de dieren gebruikt, in hun "taal", zijn niet willekeurig; zij dienen niet om gedachten mee te delen; want die hebben de dieren niet. "Wij verwerpen niet a priori", dat de dieren geen verstand hebben, echt verstand; maar a posteriori, d.i. steunend op de ondervinding, op proeven enz. nog nooit werd aangetoond, dat een dier, welk dan ook, abstracte begrippen kon vormen zoals de mens. (Ik heb mij niet beroepen op uitspraken van Bierens de Haan, maar op zijn proeven.) Om begrijpelijke redenen kan ik hier daarop verder niet ingaan.
II. Op bl. 8 schrijft Dr. Schotman: "De theorie, dat de bijen in deze frappante proeven" (van Françon) een sterke eigen geur achterlaten, is veronderstelling, maar nog niet experimenteel bewezen". Hierop moet ik antwoorden, dat de proeven van von Frisch dit zo overduidelijk bewijzen, dat er geen redelijke twijfel meer mogelijk is. Ik achtte het uit de samenhang duidelijk, dat het gezegde in 5, bl. 4, steunde op het onderzoek van von Frisch. Ik kan de proeven hier niet gaan beschrijven, maar indien Dr. Schotman die wil lezen, zal hij het met mij eens zijn; daaraan twijfel ik geen ogenblik. Gaarne wil ik hem het boekje ter lezing zenden, merk echter op, dat daarin alleen in het kort alles saamgevat is; uitvoerig werden de proeven beschreven in tijdschriften.
Ook mijn verklaring van de tweede proef steunt heel en al op de onderzoekingen van von Frisch, Minderhoud e.a. Het reukprobleem bij het voedselzoeken der bijen is door hen zo uitvoerig, zo vernuftig met allerlei fijne geurstoffen, in tal van concentraties, bestudeerd, dat het wel niet mogelijk geacht kan worden, er nog iets anders over te ontdekken. De aanhaling uit Minderhoud is een gevolgtrekking, die hij uit zijn proeven maakt. Als die daartoe geen recht geven, kan alle experimenteel onderzoek wel gestaakt worden.
III. Lezers van mijn tegenschrift, ook imkers, met universitaire titel, naar hun mening gevraagd, onderschreven het oordeel van Dr. Schotman niet. Was het wat fel, dan kwam dat voort uit verontwaardiging over de 3 volgende punten:
1. De begripsverwarring (geen verschil tussen mens en dier), bij onze gewone imkers veroorzaakt - en bij hen niet alleen: getuige de voorrede voor Françon's boekje van den Franse-kamervoorzitter Herriot - door de niet gerechtvaardigde gevolgtrekkingen van Françon uit zijn proeven.
2. De onwetenschappelijkheid, waarmee hij zijn proeven begon en voortzette: volstrekte weigering om kennis ervan te nemen, of daarover al onderzoekingen gedaan werden.
3. De aanmatiging. Tot nu toe heeft men verzuimd, het bijenleven in de vrije natuur te bestuderen. - Dit staat er werkelijk. - Ik, Julien Françon, ben daarmee als eerste begonnen en zal laten zien, hoe het behoort.
Dat ik niet de enige ben, die Françon weerspreekt, blijkt uit het persoverzicht van het Engelse bijentijdschrift: The Bee World, Dec. '38, bl. 142. De redactie schrijft ongeveer als volgt:
Dr. Garin geeft in The South African Bee Journal van October een uitvoerig verslag van het artikel van Françon in de Revue des deux Mondes over zijn proeven. Hij bewijst zeer overtuigend, dat de voorstellen van dezen schrijver, dat de bijen elkaar kunnen uitleggen, waar en hoe voedsel te halen valt, overbodig is. De geur, door de eerste bij achtergelaten, om het voedsel te vinden, geeft een ampele verklaring van wat er gezien i s ([cursivering] van mij, L. P.) Dr. Garin beschrijft dan een waarneming van hem zelf, die de uitleg van von Frisch volkomen bevestigt en die van Françon weerlegt. In een hoek van een bijenkast had hij een zwermpje gehangen en plaatste een voederbakje boven een gaatje in de tegenovergestelde hoek van de dekplaat. Geen enkele bij vond de honing. Toen bracht hij er 2 bijen naar toe, die na zich volgezogen te hebben, door het gaatje naar de kast terugkeerden. "Na ongeveer een minuut", aldus Dr. Garin, "stormden 100 tot 200 bijen naar buiten en begonnen rond te vliegen, trachtend de plaats van de honing te vinden. De onrust eindigde pas na ongeveer een half uur. Gedurende die tijd kwamen slechts een of 2 bijen naar het voederbakje; naar ik vermoed, waren dit die eerste. Ik had er niet aan gedacht hun een herkenningsteken te geven".
NIJMEGEN.
Dr. L. PEETERS S.J.
(Debat gesloten. Red.)