Nog eens "De taal der Bijen".
Ieder lezer van het Novembernummer 1938 van het Maandblad zal met belangstelling kennis genomen hebben van het artikel van Dr. Schotman over de proeven van Françon.
De gevolgtrekkingen van Françon zijn inderdaad zo verbazingwekkend, dat ieder lezer de lust zal gevoeld hebben hierover meer te weten te komen. Zo ging het althans mij.
Op een belangrijk punt twijfelde ik echter aan de juistheid van de conclusies die de schrijver uit de resultaten van zijn proeven trekt. Het kwam mij n.l. vreemd voor, dat de bijen die een drachtbron hadden gevonden, de plaats van die bron zouden mededelen aan de andere haalbijen in het volk. Zonder nog te twijfelen aan de mogelijkheid van een dergelijke "overdracht" (wij weten nog zo weinig van deze mogelijkheden, dat men zeker niet bij voorbaat moet twijfelen), zo leek mij dit toch in strijd met de feiten en ook om biologische redenen onwaarschijnlijk. Het is toch bekend, dat bij het voeren in of buiten de kast, de bijen naar alle kanten uitvliegen en gaan zoeken. Zij beperken zich niet tot het bevliegen der voederplaats. Dit is ook van biologisch standpunt uit de juiste methode. Immers, vindt een bij een bloem die juist begonnen is nectar af te scheiden, dan ligt het voor de hand, dat er meer van deze bloemen zijn en moet het gehele vliegbereik worden afgezocht.
Na lezing van het boekje van Françon kon ik moeilijk meer twijfelen aan de juistheid van zijn verklaring. Het zou mogelijk zijn dat bijv. een gedeelte van de bijen de eerste vindplaats wordt medegedeeld, en een ander gedeelte naar alle richtingen op zoek gaat.
Maar, ik wilde meer over het onderwerp weten en vroeg dus bij de Bibliotheek der Vereniging ter lezing de boeken van Von Frisch: „Der Farbensinn und Formensinn der Biene" en "Ueber die Sprache der Bienen". De lezing hiervan opende nieuwe vergezichten.
Het is te betreuren, en tevens onbegrijpelijk, dat Françon deze publicaties niet gelezen heeft. Dát hij ze niet gelezen heeft, blijkt uit de wijze waarop hij sommige proeven heeft ingericht, of heeft nagelaten in te richten.
Het is een genoegen het verslag van de waarnemingen van Von Frisch te lezen. De zeer uitvoerige wetenschappelijk opgezette proeven zijn verricht met een groot aantal, speciaal voor dit doel vervaardigde hulpmiddelen. Zo liet Von Frisch een speciale grote observatiekast maken, zodat hij de handelingen van de bijen, niet alleen buiten, maar ook in het volk kon volgen. Dit in tegenstelling met Françon, die niet bij de korven kwam waartoe de bijen behoorden, die hij voor zijn experimenten gebruikte "uit vrees voor eigenaar en bewoners". Verder paste Von Frisch toe een systeem van nummeren" der bijen met behulp van kleuren, zodanig dat hij op enige afstand van een zittende bij deze nummers kon aflezen. De nummering liep van 1 tot 599.
Het is ondoenlijk alle voorzorgen en maatregelen te noemen, die Von Frisch nam om het geheim van de taal der bijen te doorgronden. Vele feiten die hij voor het eerst vaststelde zijn nu algemeen, bekend. Maar voor een gedeelte is dit niet het geval. Om het verband te behouden laat ik het geheel van zijn gevolgtrekkingen uit zijn proeven over de taal der bijen hier volgen. De gedeelten waar het in dit geval op aan komt zijn [gecursiveerd].
Heeft een naar nectar zoekende bij een nieuwe drachtbron ontdekt, dan zuigt zij zich vol en vliegt terug naar het volk. Daar geeft zij de nectar geheel of gedeeltelijk af en begint dan te "dansen". (Deze dans wordt dan uitvoerig beschreven.) Dit gebeurt echter alleen als de bron overvloedig is, zodat de bij zich in korte tijd gemakkelijk vol kan zuigen. De dans trekt de aandacht van de andere bijen, die de dansende bij aan alle kanten met hun tasters bewerken. Dit heeft tengevolge dat deze bijen de woning verlaten en in alle richtingen opzoek gaan. Zij zoeken de geur die hen door de dansende bij is overgebracht. Vinden zij de bron, dan zuigen zij zich vol en dansen thuiskomende op dezelfde wijze als de eerste bij, zo nieuwe bijen mobiliserend. Het aantal bijen neemt zo toe, dat er evenwicht is tussen de hoeveelheid nectar die wordt afgescheiden en de hoeveelheid die door de bijen in de zelfde tijd wordt weggehaald. Dat is immers het moment waarop de bron ophoudt overvloedig te zijn, en de bijen dus niet meer dansen.
Het bleek dat ook een zeer zwakke geur aan het bijenlichaam bleef hangen en wordt kenbaar gemaakt in het volk. Bij geheel reukloze drachtbron brengen de bijen zelf een geur aan door in werking stellen van hun geurorgaan. Zij doen dit terwijl zij bij aankomst om het doel heenvliegen en ook terwijl zij zich volzuigen. Het blijkt dat zoekende bijen deze geur op groote afstand waarnemen. Hoewel blijkt, dat bijen in het algemeen niet te dresseren zijn op geuren die zó zwak zijn, dat het menselijk reukorgaan die niet meer waarneemt, zijn de reukorganen der bijen voor deze speciale geur veel gevoeliger dan de onze.
Dikwijls honingt een bepaalde drachtbron intermitterend. In dit geval ziet men in een periode dat de bron niet honingt enkele bijen van tijd tot tijd op onderzoek uitgaan. Honingt de bron weer, dan wordt dit dus zeer snel in het volk kenbaar gemaakt. Het blijkt dat de bijen, die reeds op deze bron gevlogen hebben, het eerst gemobiliseerd worden. Wanneer de dracht, en dus het dansen voortduurt, komen er ook nieuwe bij.
Wanneer er twee intermitterende reukloze bronnen zijn, ieder door een groep bevlogen, van welke bronnen één weer begint te honingen en de andere niet, dan blijken beide groepen gealarmeerd te worden. Beide groepen vliegen dus uit, ieder naar zijn eigen bron, zodat er dus één van de twee niets vindt.
In het algemeen is het verloop anders. De bijen die een geurende nectarbron bevliegen worden niet gealarmeerd door haalsters op een andere bron, ook al honingt hun eigen bron op dat ogenblik niet.
Al het bovenstaande geldt ook voor stuifmeeldracht. Alleen wijkt de stuifmeeldans af van de nectardans (niet alle onderzoekers erkennen dit onderscheid). Het blijkt dat dan de geur van het stuifmeel wordt overgebracht bij de dans, dus niet de geur van de nectar van de stuifmeel leverende bloem.
Het is positief aangetoond, dat de bijen niet een kleurindruk of een beeld of vorm van de drachtbron overdragen als doel van opsporing van de gemobiliseerde bijen. De vliegtoon van bijen die oogsten op een rijkvloeiende bron is hoger dan bij karige dracht. De hoogte van de vliegtoon heeft echter geen invloed op het lokken van nieuwe bijen.
De bewijsvoering voor het bovenstaande vindt men in genoemde boeken.
Waar de conclusies afwijken van die van Françon, is het echter wel interessant de proefnemingen te vergelijken en na te gaan welke verklaring, die van Françon of die van Von Frisch, op beide proeven van toepassing is.
Het meest belangwekkend is wel de proef van Françon met het schoteltje suikerstroop waarover een kartonnen deksel werd geplaatst met een deurtje. Dr. Schotman geeft van deze proef een korte beschrijving. Volgens Françon moeten wij hier dus denken aan overdracht van plaats, vorm, eventueel ook kleur, alles in strijd met de mening van Von Frisch.
Dat het niet alléén de plaats is, maar ook de geur die wordt overgedragen, zal wel niemand betwisten. Zet men ergens honing neer en wordt deze door de bijen ontdekt, dan zoeken zij de gehele omgeving of naar dezelfde geur. Dit is ook door Von Frisch aangetoond door het plaatsen van schaaltjes met suikerwater met verschillende geuren. De bijen werden op één schaaltje gelokt. De nieuw aankomenden, die in de kast gealarmeerd waren door de dans, bevlogen alle schaaltjes met dezelfde geur, doch lieten de schaaltjes met andere geur onaangeroerd. De tegenproef werd natuurlijk ook geleverd door de geuren te verwisselen, d.w.z. door de bijen te lokken op de schaaltjes die eerst niet bevlogen werden. De nieuw aankomenden lieten toen de andere schaaltjes met rust. Dit is dus een bewijs dat de geur wordt overgebracht, maar nog geen bewijs, dat niet bovendien de plaats van het eerste schoteltje wordt overgebracht. Dit bewijs wordt dàn geleverd als het blijkt, dat het schaaltje waarop de eerste bijen gelokt zijn niet drukker bevlogen wordt dan andere schaaltjes in de omgeving. Als men geen bijzondere maatregelen neemt zal dit echter in het algemeen wèl het geval zijn, omdat de eerste bijen hun geurorgaan in werking stellen, waardoor de overigen extra worden aangelokt, en dit drukkere verkeer weer meer bijen aanlokt.
Toevalligerwijze heeft Von Frisch echter ongewild ook het bewijs geleverd, dat van overdracht van plaats of beeld geen sprake kan zijn. Hij had de bijen gelokt op een schoteltje dat op een tafeltje was geplaatst in de nabijheid van de observatiekast. Op het schoteltje bevond zich suikerstroop en onder het schaaltje een plaat die besprenkeld was met pepermuntolie. Verder plaatste hij in de omgeving eenige schaaltjes met andere geuren en 36 m. van de kast af, achter een struik in het gras nog enige schaaltjes met suiker en pepermuntoliegeur. Het resultaat was: in een half uur kwamen op de voederplaats op het tafeltje 3 nieuwelingen, op de schaaltjes achter de struik op 36 m. afstand 6 nieuwelingen, terwijl van de schaaltjes met vreemde geuren slechts 1 door 1 bij bezocht werd. De bijen waren dus zeker niet naar het tafeltje gestuurd. Het feit, dat de schaaltjes achter de struik het meeste bezoek kregen is zó te verklaren, dat de bijen op zoek gingen naar bloemen, die zij blijkbaar niet op een tafeltje verwachtten, maar in het gras. Zij waren dus over deze tafeltjes niet ingelicht.
Om een indruk te geven welke voorzorgen Von Frisch nam om te voorkomen dat zijn proeven door nevenoorzaken in de war zouden worden gestuurd, deel ik hier nog mede, dat hij alle nieuw aangekomen bijen op de voederplaats wel telde, maar meteen wegving. Het zou immers kunnen dat deze bijen, de pepermuntoliegeur nu kennende, op hun tweede uitvlucht deze geur op andere plaatsen zouden gaan zoeken (en vinden) zonder het bewijs te leveren dat die geur hen was overgedragen door de dansende bijen.
Het heeft geen zin om ook de andere proeven uitvoerig te beschrijven. In het kort komt het hierop neer:
Om te weten te komen of ook de overdracht van een kleurindruk dienst kon doen als middel om een drachtbron aan te wijzen, deed hij een aantal proeven die gebaseerd waren op vroegere waarnemingen omtrent de kleurenzin van de bijen (zie „Der Farbensinn und Formensinn der Biene"). Het was daarbij gebleken, dat de bijen bepaalde kleuren onderscheiden kunnen (het resultaat is wel bekend). Hij voerde nu bijen uit een schaaltje dat geplaatst was op geel papier. In de omgeving stonden schaaltjes op geel papier en evenveel op blauw papier. Beide kleuren trokken evenveel nieuwelingen. Hetzelfde deed hij met vormen. Zoals het mogelijk was gebleken de bijen op kleuren te dresseren, bleek het ook mogelijk te dresseren op vormen, echter alleen op zulke die op bloemvormen geleken. De dressuur op elipsen, driehoeken, vierkanten, e.d. mislukte. (Dit pleit op zichzelf reeds tegen de gevolgtrekkingen van Françon voor wat betreft de waarneming van het deurtje van het kartonnen deksel.) Hij voerde dus nu uit schaaltjes die op kartonnen bloemenvormen geplaatst waren, alle van 1 kleur. Het resultaat was als dat van de bloemenproef - negatief.
Om te bewijzen, dat het het geurorgaan was, dat de bijen de weg naar een reukloze drachtbron, deed hij de volgende proef. Hij voerde op twee plaatsen: a. en b. elk een groep van 7 genummerde bijen met suikerwater. Nu bestreek hij het geurorgaan van de bijen bij b. met schellak. Zij werden daardoor in het minst niet gestoord, en verzamelden gewoon verder. Het resultaat was, dat in het volgende uur bij a. 30 nieuwelingen, bij b. slechts 5 nieuwelingen aankwamen. De tegenproef werd natuurlijk ook gedaan, a. en b. verwisseld.
Een proef die in dit verband nog van belang is, was de volgende: Von Frisch werkte met kunstmatige reukstoffen. Twijfel is gerechtvaardigd of de uitslag van de proeven dezelfde zou zijn als gewerkt werd met bloemengeur. Dus omgaf hij de schoteltjes suikerwater met bloemen die wel geur, maar geen voor de bijen toegankelijke nectar hadden. De opstelling was zodanig, dat de bijen op de bloemen moesten gaan zitten om het suikerwater te bereiken. Het bleek dat de gealarmeerde bijen dezelfde bloemen gingen afzoeken in de omgeving, hoewel deze bloemen anders nooit werden bevlogen. Hij ging verder met de proeven, waarbij de geurende bloemen werden vervangen door bloemen met steeds minder geur. Bloeiend gras bleek niet in staat te zijn de bijen te bewegen het gras in de omgeving te gaan bevliegen, zoals dit wel het geval was bij geurende bloemen. Dus zeker geen overdracht van de vorm van de bloemen.
Keren wij nu terug tot de waarnemingen van Françon. Wij kunnen er niet aan twijfelen, dat deze juist zijn. Met toewijding heeft hij zijn proeven verricht. Maar is zijn interpretatie juist? Kunnen wij de gevolgtrekkingen van Von Frisch ook niet toepassen op de proeven van Françon ? Ik meen van wel, al zijn nadere proeven hier zeker gewenst.
Beperken we ons tot de proeven die Dr. Schotman beschrijft, dan valt er over de eerstgenoemden niet veel te zeggen. Zoals Dr. Schotman ook opmerkt, is het meeste hiervan geen nieuws. Dat behalve de overvloedigheid van de bron ook de afstand van invloed is op het aantal gemobiliseerde bijen, was redelijkerwijze wel aan te nemen, doch naar ik meen nog niet aangetoond, althans niet door Von Frisch in de genoemde boeken.
Maar tegenover de mening van Françon omtrent het vermogen van de bijen elkaar mededelingen te doen, stellen wij de mening van Von Frisch, die hiervan afwijkt, zoals uit het bovenstaande blijkt. Wij moeten aannemen dat de bijen de omgeving van het deurtje en het inwendige van het kartonnen deksel met hun geurorgaan bewerkt hebben, hetgeen de nieuw aangekomenen de goede richting heeft gewezen. Het was zo eenvoudig geweest hier een contrôleproef te doen. Beplakken van het geurorgaan van de eerste bij of vervangen van het deksel telkens als een bij is afgevlogen door een nieuw geheel gelijk deksel zou afdoende zijn geweest. In het laatste geval ook het schoteltje te vervangen, en liefst het geheel op een stuk karton plaatsen dat ook vervangen wordt.
De proeven met dahlia's zijn schijnbaar nog sterker in strijd met de proeven die Von Frisch met kleuren heeft gedaan. Wij moeten wel aannemen dat rode dahlia's voor bijen een andere geur hebben dan witte.
Blijkt het dat de hier door mij verdedigde opvatting juist is, dan hebben de proeven van Françon geen bijdrage geleverd tot versterking van de opvatting dat de bijen voorzien zijn van een zekere intelligentie. Bijna alle door bijen verrichte handelingen die boven ter sprake kwamen, zijn instinctief, waarmee dan bedoeld wordt: niet aangeleerde handelingen. Het vermogen deze te verrichten is dus "aangeboren". Ook het vermogen een drachtbron naar waarde te schatten berust op instinct. Het vloeit namelijk direct voort uit de aangeboren eigenschap van de bijen te dansen, zolang een drachtbron rijkelijk blijft vloeien.
Dat hierbij geen sprake is van intellect blijkt uit de volgende proef van Von Frisch.
Hij gebruikte voor deze proef een met suikerwater gevulde voederinrichting (fonteintje), zoals wel wordt toegepast om vogels van drinkwater te voorzien, dus volgens het principe van de Thüringer voederballons. Hij maakte de toegang zo klein, dat slechts enkele bijen tegelijkertijd konden drinken. Maar deze vulden hun honingmaag in korte tijd op gemakkelijke wijze, dus gingen bij aankomst in de kast dansen. Het gevolg was, dat in korte tijd een enorme hoeveelheid bijen gemobiliseerd was, die zich verdrongen bij de voederplaats, waar slechts plaats was voor 2 of 3.
In de normale natuurlijke omstandigheden hebben de instinctieve handelingen het gewenste gevolg. Maar als de mens ingrijpt kunnen zij te kort schieten, omdat intelligentie bij bijen ontbreekt. Aan de andere kant moeten wij de bijen ook niet als "reflexmachines" beschouwen. Zij blijken te beschikken over een geheugen en over combinatievermogen, hetgeen uit de proeven van Von Frisch en Françon blijkt. Doch kan men dit intellect noemen?
Het onderwerp is hiermede lang niet uitgeput. Maar wie er meer van weten wil, leze de genoemde boeken. Ook dat van Françon. Het is met enthousiasme geschreven en boeiend.
Ir. B. DE BRUIN.
Naschrift Red. Deze bijdrage kwam binnen vóór het afdrukken van het Januari-nr. Zij staat dus los van de bijdrage van Dr. Peeters en het antwoord van Dr. Schotman.