Uit de Jaagkieps.


In de jaargang 1937 van de Schweizerische Bienenzeitung is een belangrijk onderwerp behandeld en wel "Grotere cellen - grotere bijen" en hierdoor wordt iets, dat velen van ons als vaststaand aangenomen hadden, omver geworpen. In vroegere eeuwen wilde men het metriek-stelsel vastleggen aan de grootte der bijencellen (Reaumer, Dzierzon), deze cellen waren toch altijd even groot! Een kort uittreksel uit de verschillende artikelen zal U anders leren.

Een zekere heer Karl Hoffman uit Beieren is er mede begonnen: Uit de Bienenzeitung van 1863 heeft hij opgediept, dat een imker uit Sleeswijk een houten gietvorm van den uitvinder Mehring betrok. Hij was hier zeer tevreden over, want de grootte der cellen klopte op een haar met die van natuurbouw ter plaatse. Men telde 18 cellen op 10 c.m., hetgeen komt op 750 cellen per d.m.[sup]2[/sup] Deze houten gietvorm was spoedig onbruikbaar en nu kocht deze imker een metalen gietvorm van een firma uit Zürich (Zwitserland). Spoedig bemerkte hij, dat de cellen ongeveer 10% kleiner waren dan die van Mehring en dat er 835 cellen op een d.m.[sup]2[/sup] voorkwamen. Men nam toen aan, dat óf de bijencellen waren kleiner in Zwitserland, óf er was met de fabricatie van de vorm een technische fout gemaakt.
De redactie van het blad plaatst de volgende noot: Voorstaande uiteenzetting schijnt ons de gehele vraag van "groter cellen - groter bijen" op een nieuw standpunt te plaatsen, want het maakt toch een groot verschil óf men door grotere cellen bijen wil telen groter dan de natuurlijke grootte óf dat men kunstmatig verkleinde bijen weer hun oorspronkelijke grootte wil terug geven.

Een ander schrijver beantwoordt dit artikel en toont aan, dat door tal van onderzoekers verschillende grootten der cellen zijn gevonden. De eerste was onze Swammerdam, die in 1673 tot een aantal van ongeveer 870 per d.m.[sup]2[/sup] kwam. Volgens deze schrijver zouden de cellen der verschillende raten in één volk en zelfs op één raat niet even groot zijn.
Een volgende medewerker (wiskunstenaar) geeft de volgende formule voor het berekenen van het aantal cellen: indien men 18 cellen op een d.m. telt, 18 x 18 x 1.154. Het product is het aantal cellen aan een kant der raat en moet verdubbeld worden.

Dan wordt nog een uitspraak van Dr. Himmer van de Bienen-anstalt in Erlangen (Duitsland) aangehaald, die zegt, dat de oplossing van dit onderwerp nog niet gevonden is. Van wetenschappelijk standpunt is het een zeer interessante zaak, maar het gebruik in de practijk van grotere cellen zal nog niet aanbevolen worden en hij vindt kunstraat met 800 tot 850 cellen het voordeligst.
Tot zover de Zwitserse Blaue. Het aantal cellen varieert thans in ons land van 650 tot 820. Ik heb verschillende soorten gebruikt en wil alleen dit zeggen: indien men grootcellige kunstraat neemt, zorg er dan voor, dat de raten niet krom trekken, anders worden het darrenraten.

In de Duitse vakbladen wordt gewaarschuwd tegen het wit schilderen der bijenkasten, de bijen zouden niet van deze kleur houden en het vervliegen en zwak worden der witte kasten zou het gevolg zijn.

In de (Zweedse) Bitidningen heeft een imker enige interessante ondervindingen met bijen van verschillend ras medegedeeld, deze zijn in het (Engelse) blad The Bee World vertaald, waaruit het volgende: De schrijver had op zijn stand uitsluitend zwarte bijen en was in het bezit gekomen van een (Italiaanse) Rode-klaver-koningin. Dit volk, en alleen dit volk, vertoonde roerverschijnselen en kwam zeer verzwakt de winter door. In Juni werd het versterkt met drie ramen broed en bijen, hetgeen zonder strijd plaats had. Maar de volgende dag wachtte den imker een verrassing: zolang de zwarte bijen in de kast bleven, waren het vrienden, maar als zij na een uitvlucht terugkeerden, werden zij aangevallen en gedood. En niet alleen de ingebrachte bijen, maar ook het uitgelopen broed der zwarte bijen verging het niet beter, na vijf weken was er geen zwarte bij meer in dit volk.
De redactie van The Bee World merkt op:
"Dit is een zeer belangrijke zaak. Het zou van belang zijn te weten, of deze ondervinding meer is waargenomen. Het gebeurde moet op de reuktheorie worden teruggebracht en dan zouden de zwarte bijen tijdens het vliegen een andere geur verspreiden dan de gele. Ook is het mogelijk, dat bij de terugkeer het verschil in kleur de oorzaak is. De wegen der bijen in dergelijke psychologische zaken zijn nog verre van bekend".

Jékavé.