Bestaat er een "beste" bijenras?


(Vervolg).

Wanneer de gemiddelde opbrengsten van de volken in geldswaarde worden omgezet tegen een prijs van 8 Amerik. centen per Eng. pond (is f 0.33% per k.g.) was de bruto opbrengst van een Krainer volk 1.62 dollar (is f 3.10) meer dan die van een Italiaans volk en 3.36 dollar (is f 6.40) meer dan die van een Kaukasisch volk.

Overwintering.
De in deze onderzoekingen gebruikte bijen werden alle ingewinterd in verpakkingskisten voor 4 volken. Hierin stonden de 4 kasten naast elkaar, alle met het vlieggat naar dezelfde kant. Niet minder dan 10 c.m. isolatiemateriaal werd gebruikt onder de kasten, van 10 tot 15 c.m. rondom en van 20 tot 25 c.m. er bovenop. Als isolatiemateriaal werden uitsluitend houtkrullen gebruikt. De 3 groepen van 12 volken werden dicht bij elkaar aan de voet van een heuvel geplaatst met het vlieggat op het Zuiden, waar ze behoorlijk beschut stonden tegen de in de winter heersende Noordwestenwinden. De gewichtsvermindering gedurende de winter werd aangenomen als maatstaf voor het door de volken gebruikte voedsel. Verschillende kleine volken zouden bij deze techniek kunnen worden aangewezen, maar het zou moeilijk zijn deze te elimineren en daar ze bij alle volken in dezelfde mate aanwezig zijn, verminderen ze de waarde van de gegevens niet.


In tabel 4 zijn bijeengebracht de data van in- en uitwintering tezamen met het gemiddelde gewicht aan voedsel, dat de volken gebruikten gedurende de tijd, die zij in hun winterverblijven doorbrachten. Hieruit blijkt, dat de gemiddelde hoeveelheid gebruikt wintervoedsel sterk wisselde van seizoen tot seizoen en veel minder bij vergelijking van de verschillende rassen onderling in een bepaald seizoen. Deze gegevens bevestigen de algemene veronderstelling, dat de bijen meer voedsel gebruiken gedurende een zachte winter, zoals 1933-'34, dan gedurende een strenge winter zoals 1935-'36.
Opgemerkt moge worden, dat het gemiddelde voedselgebruik steeds het grootst was bij de Kaukasische bijen en het laagst bij de Krainer bijen. De Italiaanse volken gebruikten gemiddeld 3½% meer dan de Krainer volken en de Kaukasische volken gemiddeld 13% meer dan de Krainer volken.
Het moge niet zo belangrijk schijnen of een volk gedurende de winter een kilogram meer of minder voedsel gebruikt, voor bijenhouders echter, die hun volken tellen bij duizenden of zelfs bij honderden, maakt het wel verschil wanneer zij 13% of zelfs 3½% op hun wintervoedsel kunnen sparen.

Sterfte in de winter.
Verliezen in de winter kunnen in vele gevallen echter niet altijd op rekening van zorgeloosheid van den imker worden gesteld.
Om werkelijk waardevolle gegevens te krijgen over de gehardheid van verschillende rassen, zou het van belang zijn hen alle bloot te stellen aan een strenge winter met weinig of geen speciale bescherming. Zulk een onderzoek zou echter moeten worden uitgevoerd als een speciale studie.
Zoals reeds uit de beschrijving van het inwinteren kan worden opgemaakt zijn bij deze proefnemingen bizondere voorzorgen getroffen om zo weinig mogelijk winterverliezen te krijgen. Vandaar, dat volken, die onder zulke gunstige omstandigheden nog stierven, ongeschikt geacht kunnen worden om de strenge winters in lowa te weerstaan.


Uit tabel 5 blijkt, dat de verliezen in de winter beperkt bleven tot 1 Kaukasisch volk in 1934-'35 en 1 Italiaans volk in 1935-'36. Om de zojuist genoemde redenen (zorgvuldige inwintering) zijn deze gegevens waarschijnlijk niet van zoveel belang om te beoordelen in hoeverre de bijen strenge winters kunnen doorstaan. Ze zijn echter gegeven om aan te tonen, dat de wintersterfte zelfs bij Italiaanse bijen gering is, wanneer voldoende zorg aan de inwintering wordt besteed en voldoende voedsel aanwezig is.
De Krainer bijen overwinterden zonder uitzondering goed, terwijl het bij de Italiaanse bijen niet ongewoon was in de lente één of meer volken te vinden, die hoewel niet dood toch in een zeer verzwakte toestand verkeerden. Dergelijke verschijnselen werden ook, hoewel in mindere mate, opgemerkt bij de Kaukasische bijen.

Ontwikkeling in het voorjaar.
Gedurende alle 5 jaren, waarover deze proefnemingen lopen, werd geconstateerd, dat iedere lente de ontwikkeling der volken, aangegeven door de uitvluchten, bij de Krainer volken volle twee weken vroeger begon dan bij de Kaukasische volken en drie weken of meer vroeger dan bij de Italiaanse volken. Zoals nog nader zal worden aangegeven in ander verband brengt deze vroege ontwikkeling de Krainer bijen veel vroeger op zwermhoogte dan de beide andere rassen. Als gevolg hiervan is het zeer belangrijk, dat de Krainer bijen in het voorjaar op een andere wijze, namelijk 3 à 4 weken vroeger behandeld worden dan de andere bijen.

Zwermen.
Ten aanzien van de toegepaste methode van zwermverhindering zij verwezen naar de "Werkwijze en algemene opzet" in het April-nr.

Uit tabel 6 is te zien, dat de Italiaanse bijen ten aanzien van de zwermtraagheid hun algemeen bekende superioriteit handhaven, terwijl de Krainer bijen hun grote zwermlust demonstreren, dikwijls ondanks de daartegen genomen maatregelen, die als regel bij de Italianen zeer effectief en bij de Kaukasiers matig het zwermen vermochten tegen te gaan.
De Kaukasische bijen bleken buitengewoon zwermlustig in 1936, terwijl de Krainer volken minder zwermden dan gewoonlijk. De verklaring hiervoor is, dat men weinig last van het zwermen te verwachten heeft, wanneer het tijdstip, waarop de zwermhoogte bereikt wordt, valt in een drachtloze periode. Valt daarentegen dit tijdstip in een lichte doch langgerekte (slepende) dracht, dan zal de zwermdrift veel sterker optreden.
Een geval van die aard deed zich voor in 1934. De Krainer volken hadden de zwermhoogte bereikt en koninginnecellen waren aangezet in practisch alle volken van deze groep. Op dat ogenblik volgde een volkomen drachtloze periode, die ongeveer twee weken duurde. Eén Krainer volk, waarin de voorbereidingen voor het zwermen verder gevorderd waren dan in een andere, zette deze voorbereidingen voort, terwijl de anderen de koninginnecellen afbeten. Toen na deze twee drachtloze weken een zware honingdracht volgde, bleek bij de Krainer-volken de haaldrift te overheersen, zodat deze volken dat jaar geen zwermplannen meer toonden.
Daar de andere twee rassen in vergelijking met de Krainer volken twee à drie weken achter waren, kwam de drachtloze periode voordat de volken van deze groep zwermplannen hadden en veroorzaakte naar alle waarschijnlijkheid een aanmerkelijke beperking van de broedaanzet, die zich later demonstreerde in het feit, dat deze beide rassen tezamen gemiddeld slechts een weinig groter overschot vermochten op te leveren dan de Krainer volken alleen.

Stille omwisseling en moerloosheid.
Stille omwisseling en moerloosheid kwamen voor in een gemiddeld percentage van 33% bij de Krainer volken, 37% bij de Italiaanse volken en 43% bij de Kaukasische volken. Wanneer we deze resultaten vergelijken met de tabellen 1 en 3 (April-nummer), kan worden opgemerkt, dat door het ras waarbij stille omwisseling en moerloosheid het minst voorkwamen, de meeste honing werd verzameld, terwijl het ras, waarbij de meeste gevallen van stille omwisseling en moerloosheid voorkwamen, de minste honing verzamelde.
Daar moerloosheid altijd en stille omwisseling dikwijls een hiaat in de broedaanzet veroorzaken is het ook zeer logisch, dat volken, die door één of door beide gehandicapt zijn minder honing produceren dan volken, die zich ongehinderd hebben kunnen ontwikkelen. (Het is opmerkelijk, dat Dr. Park hier een ander standpunt inneemt dan de Duitse onderzoekers. Deze beschouwen stille omwisseling in verband met de volgens hun mening daarmede samenhangende zwermtraagheid als een zeer gewenste eigenschap. Vert. )

Weerstand tegen ziekten.
Betreffende de weerstand tegen goedaardig of Europees vuilbroed kunnen geen gevolgtrekkingen worden gemaakt, omdat deze ziekte gedurende de tijd, dat deze onderzoekingen werden gedaan op het proefstation niet voorkwam.
Wel hebben zich meerdere gevallen van kwaadaardig of Amerikaans vuilbroed voorgedaan. De meeste echter in volken, welke gebruikt werden voor andere proefnemingen.
Speciale proeven ter vergelijking van de weerstand tegen ziekten werden niet genomen, doch met het oog op het feit, dat Amerikaans vuilbroed terzelfder tijd op dezelfde stal voorkwam, kunnen de volgende gegevens van belang geacht worden. Gedurende 1931 t/m 1936 werd Amerikaans vuilbroed onder de volken van deze studie gevonden in: 1 Kaukasisch volk, in 1931, in 1 Krainer volk, in 1934, en in 6 Italiaanse volken, 1 in 1931, 1 in 1932 en 4 in 1936.

De aard der volken.
Een bespreking over bijenrassen zou niet compleet zijn, wanneer geen aandacht werd geschonken aan de aard der volken.
Vooropgesteld dient te worden, dat er binnen de rassen verschillende stammen zijn, zodat hetgeen hier wordt medegedeeld slechts geldt voor de stammen, waarmede de proeven zijn genomen.
Kaukasische bijen zijn aangeprezen als de zachtste van alle bijenrassen en dit moge in het algemeen of voor zekere stammen in het bizonder waar zijn, die welke voor de onderzoekingen te lowa werden gebruikt, bleken niet beter te zijn, dan de Krainer bijen. Om nauwkeuriger te zijn, op tijden, dat de bijen behandeld moesten worden gedurende koud, winderig of regenachtig weer, wanneer het gebruik van vrij veel rook nodig werd, kropen de Kaukasische bijen in massa's over de bovenlatten en op de overstekende einden daarvan (de oren). Vele steken waren hiervan bij het uitnemen der ramen het gevolg. De Krainer bijen bleven onder dezelfde omstandigheden rustiger, zodat degeen, die ze behandelde, minder steken opliep.
In dit verband zij medegedeeld, dat de onderzoekers Corkins en Gilbert verklaren, dat Kaukasische bijen de zachtste zijn, welke ooit aan de universiteit van Wyoming werden behandeld, maar ze voegen eraan toe: "Indien Kaukasische volken worden geopend bij slecht weer zijn ze dikwijls moeilijker te behandelen dan de Italiaanse bijen".
De Italiaanse bijen waren eveneens zachtaardig en konden onder gunstige omstandigheden met weinig meer gevaar voor steken evengoed behandeld worden. Over het geheel waren ze echter niet zo zachtaardig als de Krainer en de Kaukasische bijen. Een onaangename eigenschap van de Italianen was, dat zij dikwijls voortdurend den imker om het hoofd zoemden en hem soms volgden tot in de verste uithoeken van de bijenstand. Deze eigenschap werd bij de andere rassen slechts zelden opgemerkt.
Ten aanzien van de aard der rassen kan dus gezegd worden, dat de Krainers het gemakkelijkst te behandelen waren, daarop volgden de Kaukasische en tenslotte de Italianen.

Roven.
In verband met de te verrichten werkzaamheden kwam het dikwijls voor, dat volken geopend moesten worden op ogenblikken, dat er absoluut geen dracht was, zodat rovende bijen voortdurend overal rondneusden. Herhaaldelijk werd bij dergelijke gelegenheden opgemerkt, dat de bijen van de beide zwarte rassen steeds in groter getal aanwezig waren dan de Italiaanse bijen en wel ondanks het feit, dat er in totaal drie maal zoveel Italiaanse volken op de stand waren dan Krainer en Kaukasische volken tezamen. Eens werd een groot aantal rovers gevangen in een val, die voor allen even goed bereikbaar was. Toen de gevangen rovers geteld werden bleek, dat de zwarte rassen vertegenwoordigd waren in aantallen buiten alle verhouding tegenover het aantal volken, dat op de bijenstand aanwezig was.
Daar er een nauw verband bestaat tussen het roven en de verspreiding van Amerikaans vuilbroed zou deze eigenschap zeer zeker een aparte studie waard zijn.

Gebruik van voorwas.

Bij de proefnemingen te lowa bleek, dat de Kaukasische bijen veel meer propolis gebruikten dan de beide andere rassen. Steeds was het nodig vóór de inwintering juist achter het vlieggat een propolisversperring te verwijderen, waardoor de bodemplank zeer solide aan de onderlatjes was vastgekit.
Onder de Krainer volken werd slechts een enkel volk aangetroffen, dat overmatig veel propolis gebruikte, als regel echter werd in de Krainer volken weinig meer propolis gevonden dan in de Italiaanse volken.
Erkend moge worden, dat er verschil van mening bestaat, of het overmatig gebruik van propolis als een ongewenste eigenschap beschouwd moet worden. Bovendien zou het mogelijk zijn, door enkele eenvoudige maatregelen, de bezwaren van het overmatig gebruik van propolis zeer te verminderen of geheel te elimineren.

Na aldus de resultaten van het onderzoek te hebben medegedeeld vergelijkt Dr. Park deze resultaten met de uitkomsten van andere onderzoekers. Gooderham b.v. vergeleek Italiaanse volken en Krainer volken. Gedurende 6 jaar hadden de Italiaanse volken een gemiddelde meeropbrengst van 39% boven de Krainer volken. Bij de onderzoekingen te lowa daarentegen hadden de Krainer volken een meeropbrengst van 18% boven de Italiaanse volken.
Dr. Park schrijft deze tegenstelling toe aan onderling verschillende stammen binnen de rassen, aan factoren van de omgeving (klimaat, bijenweide) en aan de behandeling. Hij wijst er op, dat de Krainer volken in het eerste jaar op de derde plaats eindigden, het tweede jaar naar de tweede plaats en het derde jaar naar de eerste plaats opklommen, waar zij zich tot aan het einde der proefnemingen handhaafden. Hij deelt mede, dat dit waarschijnlijk als volgt te verklaren is. Daar de Krainer volken zich tegenover andere rassen zo vroeg in het voorjaar ontwikkelen, kostte het 2 seizoenen om te leren de volken op de beste wijze te behandelen. Ondanks deze handicap haalden zij echter in beide seizoenen goede oogsten.

In verband met de weerstand tegen ziekten herhaalt Dr. Park, dat de Italiaanse bijen hun populariteit danken aan het feit, dat zij onvatbaar waren voor Europees vuilbroed. Hij voegt er echter aan toe, dat Baldensperger, een bekende autoriteit op het gebied van bijenrassen, schrijft : „Deze laatste deugd heeft de Italianen hoog boven de andere rassen verheven, hetgeen zij echter niet verdienen. De Italiaanse bijen zijn niet meer of minder immuun tegen enige ziekte dan al onze andere Europeese of Aziatische bijenrassen". Richmond, Mraz en anderen deelden mede, gevonden te hebben, dat zekere kolonies Kaukasische bijen onvatbaar voor Amerikaans vuilbroed bleken te zijn.

Tenslotte merkt Dr. Park op, dat de Krainer bijen in de proefnemingen te Iowa de beste resultaten gegeven hebben en dat men mag verwachten, dat dit bijenras een groot succes zal blijken te zijn in de handen van enkelen, want wanneer men denkt aan zijn zwermlust zal men het moeten betwijfelen of dit ras het beste is voor den gemiddelden bijenhouder. Volgens de mening van Dr. Park zou het onverstandig zijn proefnemingen op grote schaal met dit ras te beginnen, voordat iemand door ondervinding bevonden heeft, hoe het op de beste wijze zou kunnen worden behandeld. Bijenhouders, die van plan zijn proeven te nemen met een ander ras, raadt hij aan dit te doen op kleine schaal, zodat zij vertrouwd kunnen raken met de eigenaardigheden van het ras.
Ik ben hiermede aan het einde gekomen van deze vertaling en ik hoop, dat de Nederlandse imkers haar met genoegen zullen hebben gelezen en bestudeerd. Ik wil nog eens herhalen, dat het niet mogelijk is uit deze onderzoekingen algemene conclusies te trekken, welke ook voor Nederland gelden.
We kunnen er echter uit zien, hoe Amerikanen trachten hun bijenteelt op een hoger peil te brengen en hoe een deskundige als Dr. Park staat tegenover vraagstukken, die ook ons bezighouden. We zien, dat men in Amerika nog evengoed zoekt naar zwermtrage bijenvolken en dat een zwermvrij ras ook daar nog niet gevonden is.
Alleen door dergelijke ernstige en goed geleide onderzoekingen door deskundigen, die generlei belang hebben bij de handel in vreemde bijenvolken of koninginnen zal het mogelijk zijn, die gegevens en feiten te verzamelen, welke de practische bijenhouder nodig heeft om zich een juiste voorstelling van een bepaald ras te kunnen vormen.
Volgens mijn mening is het niet mogelijk voor ons land thans reeds een definitief oordeel uit te spreken over het vóór en tegen van het invoeren van vreemde bijenrassen.

WILLEM VAN DEN IEMENHOF.