Iets over kruisingsproeven en nog wat.


Wij kunnen ons o.m. spiegelen aan Br. Adam in Engeland. Geduldig deed hij kruisingsproeven, en kweekte uit Italiaan, Krainer en Engelse bij een vrijwel zwermloos ras met grotehaalcapaciteit. De moer, die hij mij in 1934 gaf, gemerkt, leefde in1938 nog en had in die vier jaar nimmer gezwermd.Als de andere volken niets opbrachten, had dit volk een volle honingkamer. De enige darrenraat, die ik elk jaar zag, waren zes kleinedriehoekjes aan de onderpunten van drie raten. Kruising met deze Engelse bij bezorgde mij enkele prima volken, die vrij zwermtraag zijn, zeer zachtmoedig, en die elk jaar als broednest nodig hebben: éénbroedkamer M.D. van 12 ramen plus een honingkamer van 10 ramen. In het najaar kwam de broedkamer (kou belette werk in de sectiebakken) zo vol met heide-honing, dat de voorraad negen ramen van 43 X 26 c.m. besloeg en de overige drie ramen tot boven met broed vol zaten. Contrasteer hiermee een paar Hollandse volken, die 7 van de 12 broedramen M.D. belegden en dan een reeks moercellen aanzetten!

Maar het is niet voldoende, dat wij een zwermtraag, ijverig ras kweken, dat wij gaan begrijpen, dat men nooit waarlijk goede resultaten kan verkrijgen bij volken, die één Simplexbroedkamertje beleggen. Het is zoals een andere inzender in het vorig nummer vermeldt: men moet werken met twee of meer broedkamers, en nog beter: met een veel grotere broedruimte. Wij hebben niets aan bijen, die in een grote broedruimte enkele raten beleggen, de rest de rest laten en dan gezellig gaan zwermen. Dat doen de meeste korfvolken door de jarenlange korfteelt hebben wij het ras bedorven. Door goede kruising kunnen wij de weerstandsvastheid tegen ziekten behouden èn onze zwermers zwermtraag maken. Wij móeten daarvoor bijen van elders betrekken.

En dan zou ik, wat de bedrijfswijze betreft, deze opmerking willen maken: geen enkel Nederlands bijenboek geeft meer dan de beginselen van de bijenteelt. Zelfs het voortreffelijke boek van Joustra houdt daar op, waar de eigenlijke imkertechniek, de moderne techniek begint. Alleen het Engelse Wedmore geeft veel meer, ook in Root kan men veel vinden. Wij hebben dringend behoefte aan een werk, dat niets anders behandelt dan de moderne techniek. Dat zich beperkt tot woningen en bedrijfsmethoden. Dat behandelt: welke houtsoorten geschikt zijn voor bijenwoningen, hoe deze gevoegd moeten worden, (lipverbinding, die geen enkele fabrikant ten onzent toepast: wij doen het slecht, wrak en goedkoop); welke mogelijkheden, de kasten duurzaam te maken, o.a. schilderen, met welke verfsoorten, welke laksoorten, welke menging der materialen, welke dakconstructie, welke bedekking, welke plaatsing, welke afschutting, enz.
Dan: welke methoden voor deze, of voor die streek, voor deze of die dracht.
Hoe zwermen te behandelen: met en zonder volksvermeerdering. Er zijn een vrij groot aantal belangrijke methoden, variaties van de Demaree-methode (het onderzetten), waarvan ten onzent misschien een of twee bekend zijn. In de literatuur liggen nog andere voortreffelijke methoden verspreid. Hoe met twee en hoe met meer, of met één grote broedkamer te imkeren. Welke de vele methoden zijn, die een groot aantal haalbijen vlak voor de oogst verzekeren. Ook daarvan weet men ten onzent maar zeer weinig. Negen tiende van onze imkers boert en liefhebbert ondeskundig. Wij zouden onze honingoogst kunnen verdriedubbelen, als we onze methoden uitbouwden en grondig herzagen. Onze Nederlandse boeken brengen dit niet. Ik heb dan ook plan, óf Wedmore voor een gedeelte te vertalen en uit de literatuur met enkele goede methoden aan te vullen, óf zelf een technisch handboek samen te stellen uit mijn uitgebreid materiaal. Waar vindt men bijvoorbeeld systematisch alle methoden opgesomd, waarop koninginnen kunnen worden toegevoegd? In welk boek wordt men volledig ingelicht over de z.g. wisselmethode als zwermverhindering? Hier onbekend!

Als Br. Adam een minimumoogst kan krijgen met zijn stand van enkele honderden kasten van acht ton honing per jaar - zelfs de chauvinistische W.B.C.-enthousiast Herrod Hempsall moet toegeven, dat Adam met zijn Buckfastkasten en methoden de allerbeste resultaten van Engeland boekt! dan staan ons nog veel dingen te doen. Wij mogen die pogingen niet laten dempen door uitbarstingen over vuilbroedgevaar, waarmee niet gezegd is, dat wij niet ernstig waakzaam moeten zijn tegen dit gevaar.
J.W. SCHOTMAN.

Naschrift Red.
Dr. Schotman is dus met een aantal andere imkers van oordeel, dat de korfimker ons "ras" bedorven heeft. Van Dr. S. kunnen we moeilijk aannemen, dat hij, evenals zovele anderen, deze conclusie maar naschrijft, doch we mogen die uitspraak toch niet zonder meer laten passeren.
Een normaal bijenvolk geeft op tijd een zwerm en later een of meer nazwermen. Dat is een natuurlijke levensuiting. Zonder dit zwermen zouden we al heel spoedig uit de bijen zijn.
De korfimker profiteert van deze eigenschap en zijn bedrijf is zwermteelt.
In de kraam van den kastimker komt dit zwermen minder goed van pas en hij tracht op allerlei manieren die natuurlijke eigenschap te verhinderen of weg te fokken. In hoeverre hij daarin geslaagd is zullen we maar buiten beschouwing laten, maar we mogen toch allerminst beweren, dat de korfimker ons "ras" bedorven heeft. Hoogstens kunnen we zeggen, dat de bij uit het korfbedrijf minder - of ongeschikt is voor het kastbedrijf, al mag men hier ook wel een vraagteken bij zetten. Met bederven van het "ras" heeft dit echter niets te maken.
Een vraag, welke wij niet beantwoorden, doch ter overdenking geven is deze, of door het steeds maar onmogelijk maken of terugdringen van het zwermen het "ras" niet eerder wordt bedorven.
In het korfbedrijf zoekt men in het najaar "opzetters" uit, d.w.z. de beste volken dat zijn niet altijd de zwaarste - kiest men dan als "stabij"; de vette volken en het minderwaardig goed wordt geslacht. De korfimker brengt dus ieder jaar het beste weer in de teelt. Het feit, dat er ook slordige imkers zijn, die alles maar opzetten, doet daar niets aan af. Door echter den "korfimker" te beschuldigen dat hij het ras bedorven heeft, begaat men een onrechtvaardigheid aan hem.

Dr. S. zal ons een genoegen doen diverse, voor ons land geschikte, bedrijfsmethoden wereldkundig te maken. De Nederlandse imker houdt echter niet van veel ingewikkeld gedoe en waar het bijenteeltbedrijf bijzaak geworden is, kan hij er niet teveel tijd en kosten aan besteden. Bij het lanceren van allerlei methodes dient daar wel rekening mede te worden gehouden en óók Dr. S. hoede zich voor overdrijving en generalisering. RED.

(Ingezonden stukken zijn buiten verantwoording der Redactie.)