Raad voor beginners.


Deze maand wil ik beginnen met iets te schrijven over de omgang met en de behandeling van bijen. Dikwijls komt het voor, dat een ervaren bijenhouder zijn kennissen eens iets van het leven der bijen wil tonen; ze gaan samen naar de bijenstand en gewoonlijk duurt het dan niet lang of de kennissen worden door de bijen lastig gevallen, terwijl de imker met rust gelaten wordt. Meestal wordt dan de opmerking gemaakt: „Dat komt natuurlijk, doordat de bijen hun eigenaar kennen, omdat hij ze geregeld behandelt". Deze mening is echter onjuist, want wanneer dezelfde bijenhouder met dezelfde kennissen naar een andere hem onbekende bijenstand zou gaan, zouden we dezelfde verschijnselen kunnen waarnemen en de oorzaak hiervan moeten we zoeken in de houding die de imker en de bezoekers tegenover de bijen aannemen. De imker blijft rustig, ook al zoemen hem enkele bijen om zijn hoofd, de bezoekers echter zullen trachten deze bijen te ontwijken, zij maken onrustige bewegingen en zullen tenslotte hun handen gebruiken om te trachten deze bijen te verjagen. Het gevolg is echter, dat nog meer bijen komen aanvliegen, die nu werkelijk zullen trachten te steken.

Iets dergelijks zien we ook dikwijls bij beginnende imkers; in het voorjaar valt het gewoonlijk nogal mee, omdat de bijen dan minder actief zijn, in de zomer echter reageren de bijen veel sneller, waardoor de beginner, dikwijls geheel onbewust, zich minder rustig gedraagt, enigszins nerveuze en veelal te snelle bewegingen maakt. Het is van belang zich tegen deze nervositeit en onrust te verzetten en alle overhaaste bewegingen vooral boven een geopende kast te vermijden. Beginners raad ik aan steeds gebruik te maken van een kap of beter nog van een sluier, omdat deze minder warm is. Wanneer we ons gezicht beschermd weten zullen we ons veel veiliger voelen. Handschoenen raad ik af, omdat hierdoor het gevoel van veiligheid te groot kan worden. Een imker met kap en handschoenen verliest dikwijls de nodige voorzichtigheid geheel uit het oog omdat hij onkwetsbaar is.

Bij het openen van een kast verdient het aanbeveling het dekkleedje of dekplank niet dadelijk geheel te verwijderen, veel beter is het eerst even de hoeken aan de achterzijde op te lichten, wat rook hieronder te blazen en het dekkleedje of plank dan 5 à 10 seconden rustig te laten liggen. De bijen, die zich boven in de kast bevinden worden door de rook verontrust, ze trekken zich terug en zuigen zich vol met de zich in de open cellen bevindende nectar of honing, waardoor hun neiging om te steken sterk vermindert. Bij het nazien van een volk is het gewenst steeds een kantraam, dat meestal alleen honing en stuifmeel bevat, uit de kast te nemen en bijvoorbeeld terzijde in een ledige buitenrand te hangen. Bij het uitnemen en weer inhangen van de andere ramen heeft men dan veel meer ruimte, hetgeen vooral bij een sterk volk van veel belang is. Het gebruik van een raampjeslichter, een schroevendraaier of een stevig zakmes om de ramen los te maken is aan te bevelen, terwijl men het vastkitten van de ramen kan tegengaan door zinken of vertind ijzeren draadlijsten in de binnenbakken aan te brengen, men heeft dan bij het terughangen der ramen tevens veel minder kans bijen dood te drukken.

Bij het uit de kast nemen van ramen blijve men met die ramen boven de kast; wanneer de koningin er ongelukkigerwijze af mocht vallen, valt ze dan tenminste in de kast en niet erbuiten, waardoor ze verloren zou gaan en het volk moerloos zou zijn.
Bij het sluiten van de kast verdrijft men de bijen van de bovenzijde der ramen door wat rook in horizontale richting over de kast te blazen. Ook de carbollap kan daarvoor goede diensten bewijzen, hoewel ik overigens bij de behandeling van kastvolken liever rook gebruik.

Wat is er in de maand Juni te doen?
Volken, waarin men een jonge koningin wil fokken moeten omstreeks 1 Juni zwermrijp zijn (zie de bedrijfsmethode in Raad voor beginners in het vorig nummer van het Maandschrift pag. 98/99).
De zomerdracht begint meestal ongeveer 10 tot 15 Juni (korenbloem, klaver), voor die tijd is er een drachtpauze. Het is nodig dan de volken, die men het zwermen wil beletten, drijfvoer toe te dienen, opdat de koningin niet ophoudt met het leggen van eitjes. Hieronder vallen in het bizonder omgehangen volken. Enkele dagen voor het begin der dracht moeten de honingkamers op de volken geplaatst worden, de broedbakken moeten dan geheel bezet zijn, zodat de bijen wegens gebrek aan ruimte de honingkamers in gebruik moeten nemen.
Bij volken, die weinig neiging gevoelen in de honingkamers aan het werk te gaan, dus eigenlijk te zwak zijn, kan men een raam met open broed uit de broedkamer in de honingkamer hangen. Omdat het broedraam hoger is dan de honingkamer moet dit raam gehangen worden juist boven de plaats waar het in de broedkamer is weggenomen. Het onder de honingkamer uitstekende gedeelte (circa 8 c.m.) hangt dan in de broedkamer. Daar het open broed in dit raam verzorgd moet worden, begeven de bijen zich in de honingkamer, terwijl de koningin dikwijls de beide ernaast hangende honingramen belegt. Wanneer dit geschied is, kan het broedraam weer in de broedkamer teruggehangen worden en kunnen broed- en honingkamer door een koninginnerooster worden gescheiden. Men moet er natuurlijk op letten, dat de koningin niet toevallig in de honingkamer blijft, doch onder de rooster komt.
Bij volken met een jonge koningin moet worden gecontroleerd of deze jonge koningin bevrucht geworden is, d.w.z. of ze reeds met het leggen van eitjes begonnen is. In het algemeen begint ze niet eer te leggen dan wanneer het broed van de oude koningin is uitgelopen, men behoeft zich dus niet te vroeg ongerust te maken.

Bij een zware zomerdracht, zoals we die helaas de laatste jaren niet hebben gehad, kan het voorkomen, dat een honingkamer geheel gevuld is, doch dat de bijen de raten nog niet kunnen verzegelen, omdat de honing nog niet voldoende rijp is. We moeten de bijen dan nieuwe ruimte ter beschikking stellen, om de nectar, die gehaald wordt, te kunnen opbergen. Het beste geschiedt dit door een tweede honingkamer te plaatsen tussen de reeds aanwezige en de broedkamer.

E., L.