Het zwermen der bijen.


Het gaat hier niet over persoonlijke aanranding, noch over kritiek, noch over verschil in vergelijking, betreffende het vóór- en nadeel van korf of kast of welke bedrijfswijze dan ook, maar alleen en uitsluitend over het individu de bij en hare kolonie. Gewoonlijk worden bijenvolken, die telkenjare zwermneigingen vertonen en ook afgeven als inactief en minderwaardig beschouwd, met de uitdrukkelijke vermelding, daarvan niet voort te telen.
Is zulks nu niet wat eenzijdig en oppervlakkig beoordeeld? Het voortbestaan van het wezen, zowel plantaardig als dierlijk, is nu eenmaal door de scheppinq alom in de natuur vastgelegd. De bijenkolonie ontwikkelt zich en het gevolg is, dat zij gaat zwermen. De kolonie door haar afgegeven heeft dezelfde eigenschappen, n.l. een zwoegen en tobben, hetwelk wederom tot gevolg heeft, dat ze gaat zwermen. Zo zouden we door kunnen gaan, tot in het oneindige een kringloop van oorzaak en gevolg.

Wanneer men nu maar steeds blijft doorfokken van volken, die niet zwermen, dan zou men tenslotte geen natuurzwermen meer krijgen en de bijenteelt ten gronde gaan, of men zou genoodzaakt zijn, geheel in strijd met de natuur, steeds weer te trachten door kunstgrepen het natuurlijk zwermen wederom in het leven te roepen, hetwelk misschien even onnatuurlijk zou zijn als het tegengaan. Hoe dikwijls komt het voor, dat de bijen na het uitsnijden der moercellen toch gaan zwermen. Door het plots ingrijpen heeft men onnatuurlijk het gehele koloniestelsel vernietigd, redenen waarom zij weer gaan zwermen. Meermalen is gebleken, dat bij langdurig slecht weder de jonge koningin 2, soms slechts 1 dag na het afgaan van de voorzwerm staat te tuten en na het uitsnijden der moercellen, niettegenstaande de aanwezigheid ener jonge koningin, het volk redcellen aanzet en zwermt. Een en ander wijst op een drang nieuwe kolonies te stichten, teneinde haar voortbestaan te verzekeren.

Hoewel er enerzijds een betrekkelijk nauw verband bestaat tussen den mens, de bijen en de bloemen in de ons omringende natuur, wat betreft de bevruchting onzer ooftbomen, zo bestaat er anderzijds wederom een grote, n.l. dat de mens alles aanwent ter bevrediging zijner persoonlijke belangen. De bijen daarentegen voeren een belangeloos bestaan, haar instinktief door de natuur gegeven. Of nu de mens door ingrijpen in de natuurlijke levensverhoudingen succes zal kunnen boeken of niet, zal de tijd moeten leren, maar het ligt voor de hand, dat dergelijke handelingen sterk doorgevoerd tot fiasco zullen leiden. Hoe of wat men ook doet en welke bedrijfswijze men ook moge toepassen, steeds zal men de natuur als grondlijn moeten nemen, het grote geheel door de scheppende hand van het Opperwezen daar gesteld.

ZEIST.
A. J. HELFENRATH.

Naschrift Red.
Blijkbaar geïnspireerd door ons onderschrift bij het artikel van Dr. Schotman geeft dhr. Helfenrath hier weer, hetgeen vele imkers onuitgesproken bezighoudt.
Deze gedachte is trouwens niet nieuw. Voor jaren terug gevoelde men reeds, dat het zwermen der bijen een levensnoodzaak is en zolang wij bijenhouden in moderne woningen is er een strijd van imkers tegen de natuurlijke eigenschappen der bijen en zeker 80% der lezingen en practische lessen zijn aan dit onderdeel gewijd.
Het zwermen in een tijd, dat de meeste honinggewassen bloeien brengt den kastimker niet wat hij van zijn sterke volken kan verwachten en hij zou geen imker zijn als hij niet naar middelen zocht om daarin verandering te brengen.
Zo ontstonden allerlei vernuftig uitgedachte bedrijfsmethoden en bijenwoningen, welke paal en perk stelden aan het zwermen. Er zijn er te veel om op te noemen en ieder kastimker kent er verschillende. Succes niet steeds - soms in het geheel niet - verzekerd.
Hij, die een bedrijfsmethode zou weten te bedenken, welke de nadelen aan het zwermen verbonden zou kunnen uitschakelen, verdient een eervolle vermelding.
Natuurlijk kennen wij het tweevolkssysteem, dat in die richting gaat, doch ook niet steeds voor 100% safe is.
Zo is het begrijpelijk, dat men zoekt naar bijen, die de zwermlust slechts in geringe mate bezitten en men fokt daarvan voort, vanzelfsprekend op kunstmatige wijze. Kunstgrepen zijn dan ook niet bij voorbaat af te wijzen. Zou men de bijen de vrije loop laten, dan kwam er óók niet veel van terecht.
In ons land is het echter zeer moeilijk, zo niet onmogelijk om hetgeen men denkt bereikt te hebben, zo te houden. De moeilijkheden bij een gewenste paring van koningin en dar zijn nog even groot als voor jaren. terug. Als iedereen aan een goede selectie doet, wordt het gemakkelijker, doch de vraag blijft nog steeds urgent welke bedrijfswijze het meest geschikt is om vóór en nadelen van het zwermen zodanig te benutten, dat de imker aan zijn 100 pondjes honing komt en het volk niet degenereert.
RED.