Nosema.


De Nosemaparasiet.

De Nosema is een bijenziekte, die veroorzaakt wordt door een dierlijke parasiet, waarvan de wetenschappelijke naam luidt: Nosema apis Zander.
Vele imkers menen, dat deze parasiet een bacterie of een bacil is, hetgeen waarschijnlijk komt, doordat vele besmettelijke ziekten bij mens en dier door bacteriën en bacillen veroorzaakt worden. De nosemaparasiet behoort echter tot het dierenrijk en wel tot de protozoën of oerdiertjes, terwijl de bacteriën en bacillen tot het plantenrijk behoren. Reeds in 1857 werden de sporen (zie voor de beschrijving der sporen verderop) van de nosema ontdekt door Donhoff en Leuckart, deze namen echter ten onrechte aan, dat het de sporen waren van een schimmel en noemden de ziekte daarom schimmelziekte.
Eerst in 1906/1907 gelukte het aan den bekenden Duitsen onderzoeker Zander de parasiet te herkennen en te beschrijven, vandaar de naam Nosema apis Zander.


Alvorens de parasiet te beschrijven is het gewenst aan de hand van de figuur de spijsverteringsorganen van de bij iets nader te bezien. Het darmkanaal van de bij bestaat uit: de slokdarm S, de honingblaas H, de middendarm M, de dunne darm D en de einddarm E. Van deze organen wordt de middendarm door de nosema aangetast. We kunnen deze middendarm vergelijken met de maag der zoogdieren, omdat hier de eigenlijke spijsvertering plaats vindt en ook hier de voedingsstoffen in het bijenlichaam worden opgenomen. Aan de binnenzijde is de middendarm, die ongeveer 12 m.m. lang is, bekleed met een laag cellen, door welke de fermenten voor de vertering van het voedsel worden afgescheiden.
Waar de middendarm overgaat in de dunne darm vinden we de malpighische vaten, welke vergeleken kunnen worden met de nieren der zoogdieren, omdat door deze draden (eigenlijk zeer nauwe buisjes) verschillende giftige stoffen uit het bloed worden afgezonderd.

De smetstof van de nosema bestaat uit de zogenaamde sporen, kleine ovale lichaampjes, welke door de bijen tegelijk met het voedsel worden opgenomen. Zodra deze sporen in de middendarm aangekomen zijn verdwijnt het uiterst dunne omhulsel en komt de kiem te voorschijn. Deze kiem of planont (Holl.: zwerver) bereikt spoedig de darmwand en dringt hier binnen in een van de bovengenoemde cellen, welke voor de afscheiding van de fermenten moeten zorgen. De planont wordt nu meront (Holl.: deler) genoemd. Uit de stoffen, die zich in de cel bevinden, neemt de meront de voedingsstoffen op en gaat zich spoedig in tweeën delen. De beide nieuwe meronten nemen ook weer voedsel op en splitsen zich ook ieder weer in tweeën. Dit proces gaat voort, zodat het duidelijk is, dat uit iedere spoor een zeer groot aantal meronten kan ontstaan. Soms blijven deze meronten onderling verbonden, zodat lange snoeren of ook wel ronde of ovaal gevormde verzamelingen van meronten in de cellen voorkomen. Op een bepaald ogenblik zal echter het voedsel in de aangetaste cel op-gebruikt geraken, zodat de voedingsomstandigheden slechter worden. Op dat ogenblik veranderen de meronten via twee tussenvormen (sporonten en sporoblasten) in sporen. Op deze wijze is dus de kringloop gesloten en zijn we weer aan de uitgangsvorm teruggekomen. Voor de aldus gevormde sporen staan nu twee wegen open: of wel ze verlaten met onverteerbare voedselresten de middendarm en verdwijnen via de dunne darm en einddarm met de uitwerpselen uit het bijenlichaam, of wel ze ontwikkelen zich in dezelfde bijendarm, maar dan in andere cellen nog eens tot planonten-meronten en tenslotte weer tot sporen, zodat op deze wijze de gehele darm kan worden aangetast en een buitengewoon groot aantal sporen gevormd kan worden.

De sporen moeten we beschouwen als een vorm van de nosemaparasiet, die zonder voedsel op te nemen zeer lange tijd kan voortbestaan. Zodra ze in een voor de ontwikkeling gunstig milieu terecht komen, gaan ze hun activiteit ontplooien. Dit gunstige milieu is uitsluitend de middendarm van de levende bij; het gelukt niet de nosemaparasieten buiten het bijenlichaam voort te kweken.

De ontwikkeling vanaf het ogenblik, dat de kiem uit de spoor tevoorschijn komt totdat zich uit de meronten weer sporen vormen, duurt gewoonlijk 2 à 3 dagen.

Door de geringe afmetingen is het voor een leek moeilijk zich van de grootte van de parasiet een juiste voorstelling te maken. De ovale sporen zijn 0.006 m.m. lang en 0.003 m.m. breed. 0p een lengte van van 1 m.m. zouden dus 333 sporen naast elkaar kunnen liggen. De planont is 0.0008 m.m.-0.0029 m.m. en groeit door het opnemen van voedsel tot 0.0033-0.0075 m.m.

Tenslotte nog iets over hetgeen Dr. Borchert over het weerstandsvermogen der sporen mededeelt.
De nosemasporen stierven af bij temperaturen van 59 tot 65 graden Celsius binnen 10 minuten; bij een temperatuur van 65 graden Celsius binnen 1 minuut. De nosemasporen bleven in leven gedurende 258 dagen in honing, welke bij kamertemperatuur bewaard was; 92 dagen op glas, dat droog bewaard werd; 53 dagen op raampjeshout, dat droog bewaard werd.

De gevolgen voor de bij.

De imker zal zich natuurlijk afvragen, welke gevolgen de ziekte voor de bij heeft en het spreekt wel vanzelf, dat de bij door deze aanval van duizenden parasieten op haar middendarm ernstige schade zal moeten ondervinden. Merkwaardigerwijze bemerkt men echter van deze schade dikwijls niets of zeer weinig. Bij het onderzoeken van nosema zieke volken treft men dikwijls bijen aan, welker middendarm zeer ernstig is aangetast, terwijl desondanks deze bijen hun taak in het bijenvolk nog ten volle verrichten. Ze halen stuifmeel en nectar en het is niet mogelijk uiterlijk ook maar enige verandering aan de bijen of aan het volk te constateren.

Dit is een van de grote moeilijkheden bij de bestrijding van de nosema. Bij andere besmettelijke ziekten openbaart zich de ziekte door verschillende verschijnselen en kunnen naar aanleiding daarvan onmiddellijk maatregelen worden genomen om de zieke dieren te isoleren en de besmetting van gezonde individuen tegen te gaan.
Bij nosema is dit niet mogelijk. De aangetaste bijen kunnen de gezonde bijen van het volk, waarin ze thuis behoren, besmetten, terwijl ze tevens hun nosemasporen bevattende uitwerpselen op allerlei plaatsen in de omgeving van de stand kunnen afzetten, waar andere gezonde bijen er door besmet kunnen worden. Vooral drinkplaatsen kunnen op deze wijze een bron van besmetting vormen.
Uiteindelijk zullen de gevolgen van de nosema voor de bij als individu zo ernstig worden, dat ze zal sterven en wel meestal buiten de woning op kleinere of grotere afstand van de stal.

De besmetting en het verloop der ziekte.

Bij de uitbreiding en de besmetting van de nosema doen zich factoren gelden, waarvan we de invloed niet kunnen beoordelen, omdat deze factoren onvoldoende bekend zijn. Allereerst in het volk. Nosema treedt meestal op in het voorjaar, doordat in de uitgewinterde volken een aantal zieke bijen aanwezig is. De ziekte kan zich op zeer uiteenlopende wijze ontwikkelen, we zouden als het ware drie vormen kunnen onderscheiden, namelijk:
1e. Worden weinig van de nog gezonde bijen besmet en heeft het volk de gelegenheid het broednest flink te ontwikkelen, dan zal het volk vrijwel geen schade van de ziekte ondervinden en de imker bemerkt niet eens, dat hij nosema op zijn stal heeft.
2e. Wordt een groter aantal van de nog gezonde bijen besmet, dan kan het zijn, dat er een soort evenwichtstoestand ontstaat, doordat er ongeveer evenveel bijen door de nosema sterven als er jonge in het broednest uitlopen. De imker bemerkt dan, dat zijn bijenvolken zwak blijven en ondanks regelmatig voeren niet vooruit komen.
3e. Worden steeds meer gezonde bijen van het volk aangetast, dan gaat het zeer snel in sterkte achteruit, totdat tenslotte nog slechts een handjevol bijen is overgebleven. Soms kan de ziekte zo snel verlopen, dat de zieke volken i n enkele dagen afsterven.
Waaraan dit verschillend verloop moet worden toegeschreven is niet duidelijk. Wel is uit onderzoekingen gebleken, dat in het algemeen in het voorjaar het aantal nosemazieke bijen in de volken tot op een zeker tijdstip groter wordt, nadien neemt het dan weer af, zodat in de zomer betrekkelijk weinig zieke bijen worden aangetroffen.

Bij de besmetting der volken vinden we dezelfde onverklaarbare verschijnselen. Soms kan een gehele landstreek door nosema worden aangetast. Toch kunnen dan binnen dat gebied te midden van besmette standen één of meer standen vrij blijven van nosema, terwijl ook omgekeerd in een zeker gebied waar geen nosema voorkomt, één of meer standen of een bepaald aantal volken op die standen zeer sterk kunnen worden aangetast.

Ongetwijfeld is een der belangrijkste factoren, waardoor de besmetting beïnvloed wordt, de dispositie van de volken, waaronder we moeten verstaan de vatbaarheid van de bijenvolken voor ziekten. Hierbij kunnen erfelijke, dus aangeboren eigenschappen een rol spelen, van zeer groot belang zullen echter ook tal van uitwendige invloeden en omstandigheden zijn. We kunnen bijvoorbeeld met vrij grote zekerheid aannemen, dat het feit dat dit voorjaar meer nosemazieke volken zijn aangetroffen dan andere jaren, samenhangt met het slechte honingjaar 1938. Het vorig jaar hebben vele volken zowel in de zomer als gedurende de heidedracht armoede en honger geleden en het is zeer aannemelijk dat het weerstandsvermogen van die volken tegen ziekten sterk verminderde.

Opmerkelijk is het, dat de meeste nosemazieke volken dit jaar geen last hebben van roer, terwijl reeds zeer vroeg, namelijk in de tweede helft van Februari, aan nosema gestorven volken werden aangetroffen.
Dr. Morgenthaler spreekt in het Aprilnummer 1939 van de Schweizerische Bienenzeitung het vermoeden uit, dat de gevolgen van de nosema erger zouden zijn wanneer tegelijkertijd ook een andere ziekte, namelijk de amoebenziekte, de volken aantast. De amoeben ziekte wordt eveneens door een dierlijke parasiet veroorzaakt, die de malpigische vaten aantast en deze verhindert hun functie naar behoren te vervullen.

Uit het voorgaande volgt, dat het beeld, dat de zieke volken vertonen, zeer verschillend kan zijn. Soms vinden we rondkrabbelende zieke bijen voor de stal, soms ook niet. Soms treedt tegelijk met de nosema hevige roer op, de roervlekken bestaan dan voor een zeer groot deel uit nosemasporen, zodat gevaar van besmetting door de roer aanmerkelijk vergroot wordt.
Bepaalde voor nosema karakteristieke ziekteverschijnselen kunnen niet worden aangegeven. De zieke bijen, die de woning verlaten, hebben meestal een enigszins gezwollen achterlijf, ze krabbelen voor de stal rond, waar ze zich soms aan grassprietjes en takjes verzamelen. Het is echter verkeerd dit als een speciaal voor nosema geldend ziekte verschijnsel te willen zien. Ook bij andere bijenziekten (meiziekte b.v.) kunnen we hetzelfde waarnemen. Zwaar zieke bijen zijn eenvoudig niet in staat om te vliegen.

Wanneer we de middendarm uit het bijenlichaam van de gestorven
bijen verwijderen heeft deze darm in een bepaald stadium van de ziekte soms een melkwitte kleur, terwijl de gezonde darm roodbruin gekleurd is. Ook dit is echter geen kenmerk voor nosemazieke bijen. Ik heb meermalen dode bijen onderzocht, waarvan de darm deze melkwitte kleur vertoonde, terwijl me dan bij microscopisch onderzoek bleek, dat geen nosema aanwezig was. Omgekeerd heb ik meermalen gezond lijkende roodbruine middendarmen aangetroffen, welke zeer sterk door nosema bleken te zijn aangetast. Het is dus voor een imker in het algemeen onmogelijk te bepalen of een volk aan nosema gestorven is of nosemaziek is. Alleen door microscopisch onderzoek is dit met zekerheid te constateren.

De bestrijding van nosema.
Men heeft vooral in Duitsland en in Zwitserland, waar de ziekte in veel ergere mate voorkomt dan in ons land, reeds vele onderzoekingen verricht om een middel te vinden, waarmede de nosema-parasiet met succes zou kunnen worden bestreden. Tot dusverre zijn hiermede echter weinig positieve resultaten bereikt. Men heeft door het aan de bijen toegediende voedsel gemengd: zouten (b.v. keukenzout en glauberzout), ontsmettingsstoffen (b.v. salicylzuur), en kruidenthee. Hoewel door imkers en door het middel verkopende handelaren soms zeer goede resultaten gemeld werden, verklaren deskundigen op het gebied van bijenziekten, zoals Dr. Borchert te Berlijn en Dr. Morgenthaler te Liebefeld-Bern, dat het hun tot dusverre niet gelukt is het bewijs te leveren, dat de genezing van met een geneesmiddel gevoerde volken ook werkelijk het gevolg van het geneesmiddel waren.

Imkers, die met geneesmiddelen proeven nemen zien dikwijls over het hoofd, dat het aantal nosemazieke bijen in het voorjaar terugloopt, zodat in vele gevallen de zieke volken om het populair te zeggen "van-zelf" genezen. In feite betekent dit "vanzelf" dan, dat er invloeden en factoren gewerkt hebben, die aan onze waarneming ontsnapt zijn. Indien men met geneesmiddelen proeven neemt, moeten naast de behandelde volken een aantal volken staan, welke oorspronkelijk in dezelfde toestand en omstandigheden verkeerden. Ze mogen echter niet met het geneesmiddel behandeld worden, zodat men na de behandeling de beide groepen van volken kan vergelijken.

Het enige, wat we op het ogenblik kunnen doen is het aanwenden van pogingen, die erop gericht zijn, de besmetting zoveel mogelijk tegen te gaan. Hoe gebrekkig deze pogingen echter zijn moge blijken uit het volgende.

Ik heb hierboven onder "De besmetting en het verloop der ziekte" 3 manieren beschreven, waarop de ziekte in een bijenvolk kan verlopen. Aangenomen, dat op een stand deze 3 gevallen naast elkaar zouden voorkomen, dan zou het verstandig zijn, de zeer sterk aangetaste volken (de onder sub 3e en misschien een deel der onder sub 2e bedoelde) af te zwavelen, de ratenbouw te smelten, de nog aanwezige honing verdund met evenveel water koken en de woning te ontsmetten door haar met een benzinelamp (een schilders- of loodgieterslamp) af te vlammen. De dode bijen, ook die, welke voor de stal werden aangetroffen, zouden moeten worden verbrand.
Geen deskundige zal echter voorschrijven de minder sterk aangetaste volken (sub 1e en 2e) te vernietigen, omdat er zeer grote kans bestaat, dat deze volken zich tegen de zomer zullen herstellen.
Het gevaar, dat deze volken voor de besmetting van de omgeving opleveren, blijft dus bestaan.

Op grond van deze feiten zou men tot de conclusie kunnen komen, dat het overbodig zou zijn, maatregelen ter bestrijding van nosema te nemen. Deze conclusie is echter onjuist! Het moet van zeer groot belang voor onze bijenteelt geacht worden, dat het optreden van nosema ook werkelijk als zodanig herkend wordt en het is de plicht van alle imkers hieraan mede te werken. Indien dus in het voorjaar dode volken met nog voldoende voedselvoorraad worden aangetroffen, is het nodig een monster dode bijen op te zenden aan Dr. Minderhoud te Wageningen of Dr. Winkel te Rotterdam. Ook van volken, waaronder of waarvoor in afwijking van de andere volken van de stal zeer veel dode bijen liggen, is het gewenst een monster op te zenden. Het komt dikwijls voor, dat de imker zelf de ziekte op zijn stal verspreidt doordat hij dergelijke verzwakte volken bij andere gezonde volken voegt.

Nosema in Zwitserland.

Hoe ernstig de gevolgen van nosema kunnen zijn en op welke wijze de imkers in Zwitserland maatregelen ertegen nemen, moge blijken uit de volgende gegevens, die ik ontleen aan het Aprilnummer 1939 van de Schweizerische Bienenzeitung.
Tengevolge van de zware verliezen door nosema is het aantal bijenvolken in 1938 met rond 12000 en het aantal leden met rond 300 verminderd. De werking ervan werd verscherpt door de slechte bedrijfsresultaten in verband met de misoogsten in 1936 en 1937. Deze schade aan de Zwitserse bijenteelt komt ook tot uitdrukking in de resultaten van de verenigings- en bijenteeltstatistiek, waaruit blijkt dat bij de leden der V.D.S.B. (Verein Deutsch-Schweizerische Bienenfreunde) rond 70.000 lege bijenkasten werden aangetroffen, hetgeen betekent, dat er op elke 4 bijenkasten één leeg staat.
Door de V.D.S.B. is een nosema hulpkas gesticht, waarvan het doel is de aanvulling van door nosema verzwakte bijenstanden met gezonde volken te ondersteunen. Uit het vermogen der vereniging werden Zw. fr. 10.000 (f 4180.-) gestort. De leden nemen op zich jaarlijks een premie van 10 ctms voor ieder bijenvolk te betalen, namelijk 5 ctms (2 cent) ten bate van de bijenziektenkas van de afdeling en 5 ctms (2 cent) ten bate van de centrale hulpkas. Dit is dus een soort onderlinge verzekering tegen schade door nosema.

LAMMERINK.