Uit de jaagkieps.


Op de 72e Wanderversammlung (Insbrück 1937) hield de welbekende Duitse Professor E. Zander een lezing getiteld "De microscoop in de dienst van het honingonderzoek", waaruit ik hier een kort uittreksel laat volgen:
Elke honing bestaat uit 3 hoofdbestanddelen, t.w.:
A. chemisch vatbare, in water oplosbare stoffen, waaronder naast organische zuren, stikstofhoudende en organisch gebonden mineraalstoffen van verschillende suikersoorten het voornaamste deel vormen
B. voornamelijk uit de bijenklieren voortkomende z.g. Levenskrachtstoffen, fermenten als Diastase (voor het omzetten van zetmeel in suiker), invertase (voor de verdeling van rietsuiker in druiven- en vruchtensuiker) en andere, die door biologische methoden naar aard en gehalte kunnen worden aangetoond, en
C. op verschillende wijze ontstane bestanddelen, die gedeeltelijk bij het verzamelen door de bijen in de honing geraken, gedeeltelijk door de mensen hier ingebracht worden.

Het onderzoek van honing richt zich nu op deze samenstelling en van de microscoop wordt gebruik gemaakt voor de onder C. genoemde stoffen en kan men o.a. vaststellen uit welk land een honing afkomstig is of niet afkomstig kan zijn, hetgeen een zeer nauwkeurig onderzoek vereist. Door middel van middenpuntvliedende kracht worden deze stoffen uit 10 gram honing verzameld. Bij raathoning, waaraan wij niet met onze vingers hebben kunnen komen, is deze hoeveelheid het kleinst en wel 12 kubieke m.m. Imkers, deze stoffen in Uw honing is voor den onderzoeker het getuigschrift van Uw kunde hij kan daaruit lezen of U veel rook in Uw kasten hebt geblazen, of U Uw bijen ruw behandeld hebt, waardoor kleine gedeelten van de bijenlichamen in de honing zijn terecht gekomen, of U vuil vaatwerk hebt gebruikt, enz.

Maar ook kan hij vaststellen op welke planten de bijen de honing gehaald hebben door de aanwezigheid van stuifmeelkorrels, die reeds in de bloemen in de nectar zijn terecht gekomen.
Om deze korrels te kunnen herkennen is het nodig dat men, evenals bij het vingerafdruk-systeem bij de politie, een verzameling van zoveel mogelijk soorten ter beschikking heeft en dat zijn er dan duizenden.
Een ieder zal begrijpen, dat dit onderzoek zeer nauwkeurig moet plaatsvinden, daar een verkeerde beoordeling van deze, voor leken bijna alle gelijkvormige korrels, voor de betrokken imkers minder prettige gevolgen zou kunnen hebben.
In Duitsland wordt een honing genoemd naar de plant, waarvan de stuifmeelkorrels 40% der aangetroffen korrels vormen en men heeft daar thans 38 verschillende honingsoorten.

-o-


In de laatste maandschriften is veel geschreven over bijenziekten. Laten we hopen, dat het niet nodig zal zijn er zoveel bladzijden aan te moeten wijden als onze Zwitserse collega's. In jaargang 1938 van hun uitstekende Bienenzeitung, die 812 bladzijden telt, staan 28 artikels over de verschillende ziekten, hetgeen 116 bladzijden vult.

-o-


Over de waarde van de Hollandse bij is ook gesproken en ik ben een beetje ontnuchterd terzake door een opmerking in The British Bee Journal (Febr. '38), n.l:.
"Italiaanse bijen worden ingevoerd (in Engeland) om de kleur, Hollandse om de goedkoopte, Krainers en Kaukasische om de zachtaardigheid en de Franse zwarte om hun goed werk bij het vullen der "secties".
-0-


Indien het gemeente-wapen van Hilversum nog vastgesteld zou moeten worden, dan zou daarin zeker een microfoon voorkomen. Nu ziet het er als afgebeeld uit en de omschrijving is: "Een veld van azuur (blauw) beladen met vier boekweitkorrels van goud". Zover als mijn (Hag) wapenkunde gaat, komt dit figuur in ander wapens niet voor, behalve in dat van de zuster-gemeente Bussum. Hierin komen in dezelfde kleuren vijf korrels voor. Men mag aannemen, dat het Gooi in vroegere tijden een ideaal oord voor imkers was, daar boekweit en heide in grote hoeveelheid gevonden werd. Reeds in het oude werkje
van Clutius, een Apotheker uit Delft (1608) lezen wij op blz. 108:
"Men verbuertse op de Boeckwey/ en op de rosse Watermyt/ ontrent Uytrecht/ en in Hoylant/ en op 't lest op de Hey in Brabant/ daerse veel honink haelen".
En op blz. 138:
"Wat niet overstalligh is moet men in Augustus vervoeren op de Boeckwey ende Rosse-water-munte: ende op 't lest op de Hey in Brabant ofte Goylant by Utrecht en daer ontrent".
-0-

In de omtrek van Hilversum vindt men nog talrijke overblijfselen van "Bijenschansen", er moeten er wel een 20 geweest zijn. Veel is er niet na te gaan van de geschiedenis dezer schansen, daar bij de grote brand in 1766 alle gegevens verbrandden; wat er bekend is, is mondelinge overlevering. De schansen waren eerst in het bezit van de N.H. Kerk en werden in 1835 aan particulieren verkocht. Nog vertelt
men van oude imkers, dat hun vader wachter van die en die schans was. Nog één bijenschans is in zijn oorspronkelijke staat aanwezig. Deze is door de goed zorgen van den Voorzitter van Stad en Lande aangekocht en hij behoedde alzo dit Natuurmonument voor ondergang. Een foto met beschrijving stond verleden jaar in het Handelsblad.

Jékavé.