Raad voor beginners.
Begin Augustus moeten de bijen gereed zijn om naar de heide te reizen, want zoals ik de vorige maand reeds schreef, beginnen onze heidevelden omstreeks 8 Augustus te bloeien (behalve de Peel, die circa 14 dagen vroeger is).
Onder "gereed zijn om naar de heide te reizen" moeten we verstaan dat:
1e de volken in het bezit zijn van een zeer groot aantal vliegbijen, zogenaamd op vlieghoogte zijn;
2e. een zo groot mogelijke hoeveelheid broed in de volken aanwezig is;
3e de voedselvoorraad voldoende is voor het geval, dat de bijen gedurende de eerste tijd op de heide door slecht weer niets hunnen halen.
Vooral aan de onder 2 genoemde voorwaarde voldoen vele volken niet, waardoor er dikwijls in het broednest vele ledige cellen zijn, die de bijen gebruiken voor het opbergen van de honing, terwijl er bovendien gedurende de heidedracht te weinig jonge bijen geboren worden. Het gevolg van een en ander is, dat dergelijke volken, die aanvankelijk zowel broed- als honingkamer goed bezet hadden, zich nadat zij 10 à 14 dagen op de heide gestaan hebben, uit de honingkamer terugtrekken en verder alle gehaalde honing in de broedkamer opbergen, terwijl de honingkamer leeg blijft. Let hierop eens bij Uw eigen volken en bij die van imkers uit Uw omgeving en tracht hierin een volgend jaar zo nodig verbetering te brengen door onmiddellijk na afloop van de zomerdracht, dus omstreeks 20-25 Juli, te gaan drijfvoeren tot aan het begin van de heidedracht, zoals ik ook reeds schreef in het julinummer.
Hetzelfde verschijnsel kan zich ook voordoen, wanneer na een slecht beginnende heidedracht toch nog goede dracht volgt. Ook dan loopt een groot deel van het broed uit, zonder dat het opnieuw door de koningin belegd wordt en de bijen dus in de vrijkomende cellen de honing kunnen opbergen. In dit geval is het mogelijk verbetering te verkrijgen door een deel der broedramen (namelijk de ledige) uit de broedkamer te nemen en te vervangen door verkleinblokken. Dit zijn aan alle zijden gesloten, uit dunne plankjes vervaardigde bakjes, die de inhoud hebben van twee of drie broedramen, zodat ze door het uitnemen van de ramen ontstane ruimte kunnen opvullen. De broedruimte wordt daardoor veel kleiner en de bijen worden dus gedwongen ook de honingkamer te bezetten en de honing daar op te bergen.
Het gebruik van koninginneroosters tussen broed- en honingkamer gedurende de heidedracht moet ik afraden. In de zomerdracht is het wel noodzakelijk, omdat de volken dan als het ware nog in ontwikkeling zijn. Wanneer we in de zomer zonder roosters gaan werken, zal de koningin vrijwel steeds ook in de honingkamer eitjes gaan leggen, vooral wanneer zich daar darrenraat bevindt. Op de heide zijn de verhoudingen dan echter anders. De volken gaan dan reeds van nature hun broednest inkrimpen; wanneer we naar de heide gaan met volken, die acht à negen ramen broed hebben, mogen we blij zijn, wanneer diezelfde volken na afloop van de heidedracht nog in het bezit zij van vier à vijf ramen broed. Het ligt dus voor de hand, dat er zeer weinig kans bestaat, dat de koningin in de honingkamer eitjes gaat leggen. Uitgesloten is dit natuurlijk niet en inderdaad komt het dan ook bij enkele volken voor, dat de bijen het broednest als het ware naar de honingkamer verplaatsen. Het nadeel, dat hierdoor bij een enkel volk ontstaat, weegt echter niet op tegen het voordeel, dat alle andere volken veel beter in de honingkamers hebben willen werken. Ik raad U dus aan: Gebruik op de heide geen koninginneroosters.
Bij het reizen naar de heide zorgen de meeste imkers ervoor, dat hun volken jonge koninginnen hebben en dit is ook zeer juist, omdat de kans op zwermen gedurende de heidedracht daardoor minder wordt. Onjuist is het echter te menen, dat een volk met een oude koningin op de heide onherroepelijk zal zwermen. Alleen wanneer de omstandigheden voor het zwermen gunstig zijn, zal het dat doen (slecht weer na goed dracht). Waneer men een volk heeft, dat niet zwermde en daardoor nog in het bezit van de oude koningin is, kan men dit volk gerust naar de heide zenden, mits men slechts zorgt, dat die oude koningin geknipt is. De voorzwerm kan dan niet ontsnappen, terwijl men dat volkje bij een bezoek op de heide even kan inspecteren om na te zien of nog eitjes aanwezig zijn. Mocht dit on- verhoopt niet het geval zijn, dan zullen koninginnecellen zijn aangezet. Het is dan het beste te wachten tot alle broed gesloten is, op dat ogenblik alle doppen weg te breken en het volk een jonge bevruchte koningin uit een reservevolkje te geven. Indien men deze zelf niet heeft is ze meestal wel in de omgeving bij een collega te krijgen. Het toevoegen van de koningin geschiedt in dit geval het beste met behulp van een Gapir koninginnekooitje, omdat dit na het inhangen geen verder toezicht vereist.
Of men op de heide raathoning of slingerhoning zal gaan oogsten en de kasten daarop inricht is afhankelijk van de omstandigheden. Wanneer men de honing wil verkopen en men kan naar een heide reizen, waarvan men uit ervaring weet, dat er een goede dracht te verwachten zal zijn, dan is het meestal voordeliger zich in te stellen op het oogsten van raathoning, omdat deze beter verkoopbaar is en een betere prijs opbrengt dan de slingerhoning. In de honingkamers hangt men dan honingramen met een strookje voorbouw (kunstraat) van 1½ à 2 centimeter breedte, terwijl in het midden van elke honing kamer één uitgebouwd raam moet worden gehangen om het bouwen te bevorderen (vorming van de bouwtros).
Houdt men daarentegen de bijen uit liefhebberij en moet men reizen naar een heide, waar de dracht in het algemeen slechts matig is, dan kan men beter slingerhoning oogsten. De honingkamers moeten dan van uitgebouwde ramen voorzien zijn.
Wat is er in de maand Augustus te doen?
Daar de meeste imkers hun bijen naar de heide hebben gebracht is de bijenstal dus leeg en kunnen daardoor allerlei eventueel nodige werkzaamheden aan die stal verricht worden.
Herstellen, verven, carbolineren, teren van de dakbedekking, eventueel uitbreiden, voor dit alles heeft men gedurende de heidereis een prachtige gelegenheid. Ook voor het verplaatsen van de bijenstand is het nu de geschikte tijd, omdat de bijen na hun terugkeer van de heide zich geheel opnieuw moeten invliegen.
Wanneer de heidedracht goed is behoeven de bijen op de heide weinig of geen toezicht. Gedreven door onze belangstelling gaan we echter af en toe eens zien, hoe ze het maken. Is de afstand daarvoor te groot, dan make men met een in de nabijheid van de standplaats wonend imker de afspraak, dat deze bericht zendt wanneer het minder goed mocht gaan.
Bij een slechte heidedracht kan het zeer nodig zijn te gaan voeren. Het is daarom gewenst reeds dadelijk bij het naar de heide reizen een hoeveelheid suiker mede te nemen. Deze kan gemakkelijk bewaard worden in een lege kast (vlieggat gesloten), waarin men tevens zijn kap of sluier en beroker kan opbergen.
Om te voeren kan men het beste de met water bevochtigde suiker op de reisramen leggen, de bijen zorgen dan wel voor de rest.
Imkers, wier bijen niet op de heide staan, zetten het drijfvoeren voort om hun volken op peil te houden en zo veel mogelijk jonge bijen voor de overwintering te fokken.
E., L.